Modelstad van politiek groen

Wageningen, een intellectuele ‘vredesstad’

Wageningen wordt sinds deze week geassocieerd met een veganistische dierenrechtenactivist die een politiek leider als een beest heeft afgemaakt. Wie de plaats kent, is niet verbaasd dat het extreme milieuactivisme dat hij aanhangt zich daar heeft kunnen ontwikkelen.

Voordat het nieuws over de achtergrond van de verdachte van de moord op Pim Fortuyn naar buiten kwam, kenden veel Nederlanders Wageningen slechts als een provinciestadje, geklemd tussen de Veluwe en de Betuwe, ergens aan de oevers van de Rijn waar prins Bernhard elk jaar op 5 mei de bevrijding in feestelijke stemming herdenkt. ‘En er is ook een Landbouwuniversiteit’, schreven alle kranten dezer dagen als achtergrondinformatie bij de mogelijke dader van de moord op Fortuyn, die er eind jaren tachtig was ingeschreven als student milieukunde.

Juíst vanwege de Landbouwuniversiteit (LU) en de Dienst Landbouwkundig Onderzoek neemt Wageningen een bijzondere positie in binnen de Nederlandse samenleving. In deze landelijke atmosfeer wordt wetenschap van wereldformaat bedreven. Veel groter dan de omvang van de stad doet vermoeden, heeft Wageningen een grote internationale reputatie: de LU is Europa’s grootste universiteit op het terrein van agrotechnologie, voeding, plantenwetenschappen, dierwetenschappen en omgevingswetenschappen. Op deze specifieke werkterreinen heeft de LU bovendien een naam verworven die klinkt tot in de verste uithoeken van de Derde Wereld. In het kielzog van het dekolonisatieproces trokken de Wageningse ingenieurs naar de nieuwe onafhankelijke staten om opleidingen te verzorgen en te helpen met het creëren van een duurzame gewassenteelt.

In de moederstad van de vele Wageningse dochteruniversiteiten in Afrika en Midden-Amerika zelf kunnen vele milieugroeperingen naast elkaar gedijen, als gematigde dan wel extreme exponenten van een gemeenschap die wordt gekenmerkt door een progressief-linkse, hoogopgeleide bevolking.

Deze kleine stad met ruim 33.000 inwoners kent naar verhouding het hoogste percentage intellectuelen en GroenLinks-stemmers van Nederland. De landelijke partij haalt veelvuldig Wageningen aan als een soort modelstadje van de praktijk van de politieke groen-theorie.

De ‘boerenuniversiteit’ vormt de grootste werkgever van deze serieuze, ietwat ascetische academici die zich vanuit bèta-wetenschap bezighouden met zaken als voeding, plantenveredeling, milieuveiligheid, niet-westerse sociologie of ruimtelijke ordening. Veel LU’ers, zoals de universitaire werk nemers worden genoemd, hebben door een langdurig verblijf in de Derde Wereld en hun confrontatie aldaar met armoede, een sterk verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkeld tegenover milieuvervuiling en de ongelijke verdeling van de welvaart.

De kritische, antimaterialistische levenshouding typeert ook de niet-links denkende Wageninger. Aan snobs met een verkwistende levensstijl heeft iedereen hoe dan ook een hekel. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat enkele jaren geleden op de Welle van de nieuwe economie een jonge steenrijke IT’er, die een van de mooiste huizen van Wageningen met een majestueus uitzicht vanaf de Wageningse Berg over de Betuwse weilanden kocht en dat ombouwde tot een protserig paleisje, kon rekenen op grote weerstand van zijn directe omgeving. Zoiets doe je gewoon niet, zeker niet in Wageningen, vond men.

Deze houding wordt niet bepaald door een calvinistische erfenis – in tegenstelling tot het ommeland heeft geen enkele religieuze zuil hier ooit diep wortel geschoten – of gevoed vanuit een soort nihilistische no-nonsense-mentaliteit. De verklaring ligt gebed in de traditie van de universiteit zelf. Sinds de oprichting van de voorloper van de Landbouwuniversiteit in 1876 stroomden vooral zonen van boeren toe om ‘door te leren’ over gewassen en vee. De biologische revolutie die hier werd gestart en die de land- en tuinbouw in Nederland definitief veranderde – en daarmee direct samenhangend het consumptiepatroon – kwam voort uit de slimme koppen van boerenjongens. De plek van de Landbouwhogeschool was met overtuiging gekozen: in het kleine provinciestadje zouden ze ‘geen stadse manieren kunnen aanleren’. Natuurlijk speelde de geografische locatie ook een rol; Wageningen ligt op een kruispunt van zand, klei en veengronden, zodat er verschillende gewassen geteeld kunnen worden. Maar de achterliggende gedachte dat de jongens en meisjes van het platteland niet in aanraking moesten komen met wereldse poespas blijft tot op heden weerspiegeld in een sobere mentaliteit, die tot uiting komt in de weliswaar dure (want er is natuurlijk wel geld) doch haast Spartaanse interieurs van de woningen en de weinig modieuze, degelijke stijl van kleden.

De aanwezigheid van bepaalde vakgroepen waarin technische kennis over biologie, milieu en landbouw in dienst staat van (niet-westerse en westerse) sociologische sturingsprocessen, trekt een bepaald soort eco-geëngageerde studenten. Zij zijn de jaren negentig-begin 21ste-eeuwse varianten van de jaren-zestig-idealisten. Nergens in de universitaire wereld van Nederland zijn nu nog zo nadrukkelijk ideologisch gedreven studenten te vinden als hier, alhoewel het natuurlijk in getal en kracht niet vergelijkbaar is met de heftige periode toen dat alles anders moest.

In de jaren zeventig waaide er een straffe linkse wind door Wageningen. Net als in de andere universiteitssteden in Nederland brak er eind jaren zestig een kleine revolutie uit in de collegezalen. Hele vakgroepen kwamen in de greep van het marxistische denken, veelal tot groot persoonlijk leed van docenten die niet blind meegingen in het dogmatische denkraam van de linkse denkers. Veel integere en bekwame wetenschappers die weinig voelden voor een links-politieke interpretatie van hun exacte wetenschappelijke kennis en kunde, hadden het in die tijd zwaar bij het uitoefenen van hun vak.

Eenzelfde proces voltrok zich op de grote Wageningse middelbare school. Daar kwam de verbeelding een beetje aan de macht. Het is nu misschien ondenkbaar hoe wereldschokkend het ooit was dat leerkrachten zich bij hun voornaam lieten noemen, met leerlingen liefdesrelaties aangingen tijdens primitieve kampeerweekenden of zittend op de grond met popmuziek schallend uit een bandrecorder en shag rokend les gaven in discussietechnieken, politieke literatuur en de theorieën van yin & yang en de onderbewuste wereld van Freud en Jung.

De ontwikkelingen op de Rijksscholen gemeenschap ging veel ouders te ver. De school stond tot in de wijde omtrek bekend als een ‘extreem links bolwerk’. Zelfs toenmalig minister van Onderwijs Pais kwam in hoogst eigen persoon op een goede dag ‘orde op zaken stellen’. De wilde verhalen die de pubers mee naar huis brachten, leidden ertoe dat soms halve klassen door bezorgde ouders van school werden gehaald om te worden overgepoot naar de oersaaie, zwaar gereformeerde scholengemeenschap in Ede of een zeer strenge school in de Betuwe. De komst van pedagogen en didactici van de universiteit van het ‘rode’ Nijmegen op uitnodiging van bevriende leerkrachten, veroorzaakte eind jaren zeventig een halve Koude Oorlog binnen het lerarencorps. De gedachte dat een nieuwe maatschappij met een nieuwe, vrije mens begint bij het onderwijs werd uitgebreid geëxperimenteerd op de jonge brugklassers. De leerlingen bepaalden samen met leraren die inmiddels groepsleiders gingen heten een thema dat dwars door verschillende aangesloten vakken heen liep.

Langzaam ebde met de ontideologisering na de val van de Berlijnse Muur ook in Wageningen het radicaal-politieke denken weg uit de kleine gemeenschap. Maar nog steeds hangt in de provinciestad een soort ‘linksigheid’ die zich van politieke dogma’s heeft verplaatst naar een meer breder ecologisch verantwoord idealisme. De Landbouwuniversiteit presenteert zich op haar website nadrukkelijk als een ‘University for Life Sciences’ die zich bezighoudt met ‘alles wat mensen nodig hebben om goed te kunnen leven; zoals lekker en gezond eten, schone lucht, helder water en genoeg voorraden voedsel in de winkel voor alle mensen op de aarde’. En tot potentiële studenten: ‘In Wageningen leer je vanuit verschillende visies naar de dingen te kijken. Je maakt kennis met mensen uit allerlei culturen, en je reist misschien wel de hele wereld over en daarna ben je in staat om vraagstukken op te lossen die er werkelijk toe doen.’

Hoe aanlokkelijk het ook is bedoeld, de Landbouwuniversiteit van Wageningen kampt sinds eind jaren tachtig met een zorgelijke terugloop van het aantal studenten. De nieuwe generatie schoolverlaters is veel minder bereid zich bezig te houden met zaken als het verzorgen van de voedselvoorziening van de wereldbevolking en ecologisch verantwoorde landbouw. Die overtuigingen hebben zich vooral genesteld buiten de muren van de universiteit in de vele milieuactiegroepen. Daaronder bevond zich tot ieders schrik een wel heel radicale denker, die zich in de ‘vredesstad’ (in Hotel De Wereld werd in 1945 de Duitse capitulatie in Nederland getekend) heeft ontpopt tot een moordenaar.