Wagner om te zoenen

Muziektheater te Amsterdam, tot en met 21 februari
Geluk is het verlangen naar meer, zo zegt men. Dat is de reden dat platen grijs gedraaid en boeken stuk gelezen worden. Het verlangen naar herhaling. Eindeloos opnieuw. Altijd meer.

Als het om hoeveelheden gaat, heb je een goeie aan Wagner. Aan het begin van zijn loopbaan leek er niets aan de hand. De opera’s die hij in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw schreef - Rienzi, De vliegende Hollander, Tannhäuser en Lohengrin - passen alleszins binnen de marges van de conventie. Bij het begin van Der Ring, wanneer Wagner zijn concept van een Gesamtkunstwerk probeert toe te passen, gaat het echter definitief mis. Een volle twintig jaar worstelt hij met deze uit zijn voegen barstende materie, wat begrijpelijk is omdat alles aan Der Ring zich in de overtreffende trap afspeelt: de metafysische thematiek, de reusachtige muzikale verbanden en de exorbitante lengte van het geheel. Enkele jaren geleden zou ik voor deze krant een integrale uitvoering van Der Ring in Brussel gaan verslaan. Omdat ik een groentje in de wagneriana was (en ik een paar zeer deskundige ogen over mijn schouder voelde meekijken) besloot ik het grondig aan te pakken. Zelf in het bezit van slechts een of twee onderdelen sprokkelde ik, door links en rechts wat te lenen, de complete cyclus bij elkaar. Het was even doorbijten, maar ik sloeg me dapper door ruim vijftien uur Leitmotiv, Hojotoho! en orkestrale rijkdom heen. De kop was eraf!
Nu ik de muziek een keer door mijn hoofd had laten stromen, was het de beurt aan het beeld. Op video leende ik de spraakmakende regie van Patrice Chéreau, die de gemoederen in Bayreuth ooit hoog had doen oplopen. Vervolgens zat ik dus ruim vijftien uur aan de televisie gekluisterd en leerde alle ins en outs over de Ring, het Walhalla en de gecompliceerde familieverhoudingen in de wagneriaanse godenwereld. Na zo dertig uur Wagner in één week te hebben verstouwd, voelde ik me een ander mens. En vol zelfvertrouwen en met een dikke stapel boeken in mijn koffer reisde ik af naar De Munt.
Na de beproeving die ik mezelf had opgelegd, was de live-uitvoering een peuleschilletje. Eén opera per avond en bovendien een rustdag halverwege de week! In dit vertraagde tempo absorbeerde ik voor een derde keer de vier kolossale opera’s, nu volkomen thuis in deze bizarre wereld van megalomane sagen en riten. Wie denkt dat deze portie wel even voldoende was om een jaartje op te teren, heeft het mis.
Eenmaal thuis begon het pas: het verlangen naar meer. Als bekroning op mijn Wagner-studie besloot ik mijzelf te trakteren op de legendarische uitvoering van Sir Georg Solti. Onafgebroken, dag in dag uit, lag Wagner nu in de cd-speler. Overigens volkomen overbodig, want de muziek had zich en detail in mijn hoofd genesteld. Van het moment van wakker worden tot aan het naar bed gaan beenden de akkoorden door mijn innerlijk gehoor. Ongetwijfeld droomde ik ’s nachts van Fasolt en Fafner, het Rijngoud en de dappere Brünnhilde.
Waar het verlangen naar meer overgaat in een verslaving, is moeilijk te zeggen. Een feit is dat het maanden kostte om weer af te kicken en mijn oren open te stellen voor andere muziek. Sindsdien draag ik Der Ring permanent in een soort opvouwversie met mee, gecomprimeerd tot een paar monumentale akkoorden en motieven.
Ik ben me ervan bewust dat het allemaal tamelijk obsessief klinkt. Het was daarom een opluchting te merken dat ik geen uitzondering ben. In het Amsterdamse Muziektheater staat nu voor de derde keer binnen een paar jaar de sublieme Parsifal-produktie waarmee Pierre Audi zijn aanstelling bij de Nederlandse Opera opende. Bij het overrompelend mooie toneelbeeld van Klaus Michael Grüber heeft zich nu een opzienbarend Parsifal-debuut van dirigent Simon Rattle gevoegd. De deels nieuwe cast is om te zoenen, het Rotterdams Philharmonisch speelt op de toppen van zijn kunnen - kortom, dat smaakt naar meer.