Interview met Nico Schulte Nordholt

«Wahid speelt hoog spel»

De verzoenende rol van president Wahid is onmisbaar voor de democratie in Indonesië. Maar de tegenkrachten zijn sterk. Indonesië-kenner Nico Schulte Nordholt: «Democratie staat voor veel Indonesiërs gelijk aan wanorde.»

«Wahid is geen zwakke opportunist wiens dagen geteld zijn, al wordt hij in de westerse pers soms zo afgeschilderd. Ik steek mijn hand in het vuur voor zijn democratisch gehalte, maar de democratische krachten in Indonesië zijn uiterst zwak. Daarom is zijn verzoenende rol onmisbaar. Hij heeft prestige als leider van de moslimgeestelijkheid, al draagt hij natuurlijk het stempel van zijn verleden. Zoals hij zich onder Soeharto staande hield door omtrekkende bewegingen te maken, door zich rond de macht te kronkelen als een meander, zo maakt hij nu ook een weinig krachtdadige indruk met zijn verzoeningspolitiek. Maar hij weet hoe sterk de tegenkrachten zijn. Dat zijn geen krachten die je rechtlijnig, met een westers politiek programma in de hand, kunt bestrijden. Zijn sterke punt is dat hij niet regeert per dekreet zoals Soeharto; hij laat de Indonesiërs inzien dat ze zelf moeten denken en handelen. En hij is ervan overtuigd dat het werkt als hij zijn bewind lang genoeg kan rekken.»
Antropoloog en Indonesië-kenner Nico Schulte Nordholt is dezer dagen een veel gevraagd commentator, ook al is zijn visie op de gewenste houding van Nederland tegenover de Indonesische crisis omstreden, met name in Molukse kring.
Maar niet alleen de Molukkers dragen de Indonesische geschiedenis met zich mee. Schulte Nordholt werd in 1940 in Indonesië geboren. Hoewel hij met zijn ouders werd gerepatrieerd, keerde hij er na zijn studie politieke antropologie (hij studeerde af bij Wim Wert heim) in 1969 terug als universitair docent. Hij werkte er tot 1984 en leerde prominente leiders en intellectuelen als Abdurrahman Wahid en Buyung Nasution kennen.
Tegenwoordig is hij hoofddocent in Twente, maar zijn geboorteland blijft trekken. «Het is een virus», zegt hij laconiek terwijl hij op slippers plaatsneemt in een fauteuil in zijn Heemsteedse voorkamer en zijn vrouw een weerbarstig poedeltje tot de orde roept. De wanden zijn verschoond gebleven van de memorabilia waarmee oud-Indiëgangers zich vaak omringen. Schulte Nordholt lijkt allesbehalve nostalgisch, al benadrukt hij de vormende kracht van de kolonisator in de Indonesische geschiedenis.
«De staatsvorming van Indonesië was zonder de technologie van de stoommachine niet mogelijk geweest. Zeilschepen konden niet naar believen elke haven aandoen, maar de stoomboot van de KPM kon overal op de minuut precies aanleggen. Het Indonesische nationalisme dat aan het begin van de twintigste eeuw opkwam in de vorm van een imagined community, zoals Benedict Anderson het noemt, is een direct gevolg van het ingrijpen van de koloniale overheid in het dagelijks leven in de archipel.
De bewoners van Sumatra, Sulawesi of Borneo ondergingen hetzelfde lot, en zodoende ging hun plaatselijke identiteit op in een groter geheel. Ze gingen zich deel voelen van een ‹verbeelde gemeenschap› van Indonesiërs die samenviel met de koloniale staat. De grote frustratie die ze allemaal deelden, was het apartheidssysteem avant la lettre dat onder de Nederlandse overheersing werd ingevoerd. Vooral vanaf de jaren twintig toen de overheersers geen vrouwen meer namen uit de plaatselijke bevolking maar blanke vrouwen meenamen uit Nederland. Zo is het streven naar de eigen nationale staat ontstaan.»

De ontaarding van het oorspronkelijke ideaal is niet zozeer te wijten aan de Nederlandse erfenis als wel aan de Koude Oorlog, meent Schulte Nordholt. «De ideeën van de ‹founding fathers› uit 1945 zijn op een dramatische schaal verkwanseld. Ze zijn stuk voor stuk ingezet voor groeps- en eigenbelangen, als wapens in een machtsstrijd. De islam is bijvoorbeeld ingezet als wapen tegen het communisme, maar ook tegen de democratische oppositie. De godsdienst die nu zulke vreselijke conflicten oproept, was in 1945 al een heikel punt. Ook Soekarno wilde van Indonesië, ondanks de islamitische meerderheid van 85 procent, geen islamstaat maken want dan zou Oost-Indonesië niet meedoen met de Republiek. De pancacila-formule die Soekarno bedacht, predikte één almachtige voor iedereen. Dat was uitdrukkelijk niet Allah, dus ook de christenen, boeddhisten en anderen konden meedoen.
Onder Soeharto’s Nieuwe Orde is de pancacila echter systematisch misbruikt. Het werd een ideologisch keurslijf waarmee alle kritiek op de overheid kon worden onderdrukt, en het werd steeds meer islamitisch ingevuld. Al in 1965, toen Soeharto het communisme trachtte uit te bannen, maakte hij gebruik van islamitische jeugdgroepen.
In de jaren negentig omarmde Soeharto ten slotte openlijk de islam om zich staande te kunnen houden tegen zijn critici binnen het leger. Hij richtte de ICMI op, een associatie van moslim intellectuelen onder leiding van Habibie met twee miljoen leden. Daarin nestelden zich de voorstanders van een islamitische staat die zich eerder niet hadden kunnen manifesteren binnen de Nieuwe Orde. Ze voerden een slim beleid door alle belangrijke posten te bezetten in de hoop op een soort natuurlijke machtsovername. Je zag ze opklimmen in het leger ten koste van de christelijke militairen. En Soeharto gebruikte hen heel bewust als tegenkracht. Door de religieuze kaart te spelen kon hij dus aan de macht blijven. De godsdienst werd gepolitiseerd om de macht te schragen. Zodoende zit Indonesië nu opgescheept met felle godsdienstconflicten waarbij de christen zich stiefkinderlijk behandeld voelen. Op de Molukken sloegen ze in 1999 uiteindelijk terug.
De tweede factor achter de teloorgang is de onvoorstelbare inhaligheid van de familie Soeharto. De natuurlijke hulpbronnen van Atjeh, West-Papoea, Sulawesi en andere regio’s werden leeggezogen. De lokale bevolking had het nakijken, maar kon dankzij de opkomst van de tv intussen wel zien hoe Jakarta werd omgetoverd in een wereldstad met wolkenkrabbers. Dat gebeurde van hún geld en bodemrijkdommen. Het binnenlands protest hiertegen werd met geweld onderdrukt. Dat kon omdat Soeharto net als Saddam Hoessein een keurkorps binnen het leger formeerde dat meedeelde in die nieuwe welvaart. En het toch al lauwe protest van westerse kant verstomde na de val van Saigon in 1975 omdat de angst voor het communisme toen pas goed toesloeg. Daardoor kon Indonesië ongestraft Oost-Timor binnenvallen en er moordpartijen aanrichten. Ook Atjeh werd een soort militair oefenterrein waar soldaten over de ruggen van de plaatselijke bevolking carrière konden maken. Daar zijn tot 1998 een kleine tienduizend mensen omgekomen.
De Amerikanen hadden wel kritiek op Soeharto omdat hij in eigen land zo tekeerging, maar uiteindelijk kon hij in Amerikaanse ogen niets fout doen vanwege het geopolitieke belang van de archipel. Indonesië ligt als een dam tussen het vasteland en Australië. Het is een keten van eilanden die de Indische Oceaan en de Stille Oceaan beheerst. Je kunt niet met nucleaire onderzeeërs van de ene in de andere oceaan komen zonder Indonesië te passeren.»
«


Toen Soeharto door de Aziatische economische crisis niet meer de middelen had om zijn regime overeind te houden, trad hij vrijwillig terug. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat het een door hemzelf geënsceneerde manoeuvre was; hij installeerde zijn vazallen Habibie en Wiranto in de veronderstelling dat zij hem uit de wind zouden houden en beschermen tegen vervolging. Maar generaal Wiranto verslikte zich in Oost-Timor en Habibie bleek te zeer verwesterst. Habibie nam de verkiezingen van 1999 serieus en stond toe dat ze vrij waren. Die verkiezingen leverden geen duidelijke winnaar op maar een dead-lock tussen Habibie en Megawati. Als het Megawati was geworden, zouden de islamieten dat nooit aanvaard hebben. Andersom zouden de aanhangers van Megawati nooit hebben aanvaard dat het Habibie werd. Dat was hoe dan ook uitgelopen op een burgeroorlog.
In die situatie biedt de figuur van Wahid nu uitkomst. Toen hij als tussenpersoon naar voren werd geschoven — een kiai (islamitische godsdienstleraar) afkomstig uit de islamitische partij NU, maar ook een bewezen democraat — ging er een zucht van verlichting door Indonesië en de rest van de wereld: godzijdank komt er geen burgeroorlog.»
Dat wil nog niet zeggen dat de ontluikende democratie nu gered is. Door de hoogopgelopen conflicten in de regio’s is de angst voor het uiteenvallen van de Republiek nog steeds zeer groot. En dat is fnuikend voor de democratische beweging, zegt Schulte Nordholt: «Men denkt nog heel sterk in termen van nationale eenheid, volgens het stramien van de Nieuwe Orde. Als ze voor de keuze worden gesteld tussen staatkundige eenheid en democratie, zullen de meeste Indonesiërs nog altijd kiezen voor eenheid. Ze kiezen voor een sterke man of beweging die de eenheid vooropstelt. En er kan geen noemenswaardige democratische beweging ontstaan zolang de mensen democratie gelijkstellen aan anarchie. Ze zeggen: wat kopen we voor die wanorde? Democratie staat gelijk aan zwak gezag, aan regionale afsplitsingen, de willekeur van rampokkers, niet-uitgekeerde salarissen en andere rampspoed. Men ziet wel het belang van mensenrechten en politieke vrijheden, maar toch vooral het gevaar van anarchie. Dat was onder Soeharto al zo. De oppositie was weliswaar fel gekant tegen de man en zijn corrupte praktijken, maar niet tegen de staatkundige eenheid als hoogste gebod. Zelfs Amien Rais, de zogenaamde grote leider van de reformasi die de wereld toesprak via CNN, koos op 21 mei 1998, de dag van Soeharto’s aftreden, ogenblikkelijk partij voor de nieuwe sterke man Habibie.»
«


De tegenkrachten waarmee Wahid nu te maken heeft, bestaan ruwweg uit twee groepen. Ten eerste zijn er de ideologen van Soeharto’s voormalige Nieuwe Orde. Zij hebben zich nu meestergemaakt van de pdi-p, de partij van vice-president Megawati Soekarnopoetri. Megawati heeft geen eigen visie. De nationaal-fascisten in haar entourage fluisteren haar in dat zij de erfenis van haar vader moet veiligstellen: de eenheidsstaat Indonesië. Vandaar dat zij pleit voor hard ingrijpen in Atjeh en Papoea. Wahid weet dat het de opstandelingen in die gebieden gaat om gerechtigheid, niet om afscheiding. Daarom pleit hij voor onderhandeling en verzoening. Maar hij speelt hoog spel, want de grondwet staat niet toe dat die gebieden zich daadwerkelijk afscheiden.
Megawati en de ideologen rond haar hopen dat Wahid het zover laat komen, want dan begaat hij een constitutionele fout en kunnen ze hem afzetten. Zij worden ook ondersteund door de profiteurs van het vorige regime, zoals Tommy Soeharto, ex-minister Ginanjar en anderen. Zij beschikken over miljarden dollars en gebruiken dat voor het financieren van destabilisatiepogingen, zoals die negen bomexplosies in Indonesische steden met Kerstmis.
De tweede belangrijke tegenkracht is de politieke islam. Die bestaat uit elementen van de ICMI en volgelingen van de voorzitter van het Volkscongres, Amien Rais. De laatste heeft zijn democratisch masker laten vallen op 7 januari vorig jaar toen hij tijdens een grote demonstratie opriep tot een heilige oorlog, een jihad. Maar deze mensen moeten eerst langs Wahid, want onder hem zal Indonesië nooit een islamitische staat worden. En Wahid is voorzitter van de organisatie van de kiai’s, de NU. Hij is hún president, en zolang hij aan hun materiële verlangens tegemoetkomt, zullen ze hem steunen en krijgt niemand hem weg uit zijn paleis. Vandaar dat er nu gigantisch uit de staatskas wordt geroofd door de kiai’s. Wahid heeft gedreigd dat hij gebruik zal maken van hun macht.
Half januari komt er een grote anti-Wahid-demonstratie in Jakarta. Als Wahid zijn achterban oproept, komen die demonstranten straks tegenover tienduizend Madoerese vechtersbazen uit Oost-Java te staan. Als het zover komt dat hij dat laatste machtsmiddel gebruikt, komt er alsnog een burgeroorlog. Alleen al het dreigen ermee is een dramatisch gebaar. En het zou een nederlaag zijn, want als Wahid op die manier in het zadel moet blijven, wat is dan het verschil met Soeharto? Dan verliest hij zijn legitimiteit en geloofwaardigheid. En hij is oprecht voor verzoening en onderhandelingen. Hij balanceert momenteel op het randje. Dan komt ook de Javaanse visie op macht om de hoek kijken. Die berust op een gedachte van purificatie, de gedachte dat je door de hel moet om de hemel te bereiken. Dat uit de gewelddadige, chaotische draaikolk van de gebeurtenissen een rechtvaardige koning voortkomt. Als hij aan de Javaanse boerenbevolking duidelijk kan maken dat hij zo’n koning is, in islamitische termen een wali, dan is hij onkwetsbaar. Dat onttrekt zich natuurlijk aan elke rationele politieke analyse, maar het leeft.»

Het zit Schulte Nordholt buitengewoon dwars dat de Nederlandse overheid in deze explosieve situatie zo weinig initiatief neemt. Niet dat de voormalige kolonisator op eigen houtje iets kan of moet ondernemen, daar is Nederland te zwak voor. Dit standpunt kwam hem op dreigende taal uit Molukse hoek te staan, maar Schulte Nordholt vindt de ophef daarover overtrokken. «Dat komt uiteindelijk door een fout van een VPRO-journalist die mij op tv ‹adviseur› van minister De Grave noemde. Ik heb een uur met De Grave gesproken voordat hij naar Indonesië afreisde, maar dat stempelt mij natuurlijk nog niet tot adviseur. De Molukse activist Reawarum heeft dat opgepikt als ‹militair adviseur› en tegen kamerlid Eimert van Middelkoop (gpv) gezegd dat het slecht voor mijn gezondheid zou zijn als ik een van zijn manschappen tegenkwam, aangezien ik de Molukse belangen tegenwerkte. Van Middelkoop heeft daarvan gemaakt dat ik op een Molukse dodenlijst zou staan en dat neem ik hem zeer kwalijk.
Ik begrijp Reawarums wanhoop, al onderschrijf ik niet zijn oproep tot wanhoopsdaden. Hij heeft zes familieleden verloren door de gewelddadigheden, en hij is niet de enige. Maar Nederland kan niet zelfstandig optreden. Het is buitengewoon goedkoop van iemand als Jacques Wallage om vanuit de provincie iets te roepen, daar bereiken we niets mee.
Ook niet met de ondoordachte initiatieven van minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking. Haar programma om decentralisatie en good governance in de regio’s te bevorderen, is geënt op westerse omstandigheden. Hier hebben we checks and balances in de vorm van ombudsmannen, wettelijke procedures en controle door de pers, maar daar niet. Daar komt het neer op het creëren van nieuwe warlords die de controle krijgen over de mijnen en andere rijkdommen in de buitengebieden. Minister Van Aartsen toont helemaal geen visie. Nederland zou op Europees terrein en in het kader van de VN moeten opereren. Zonder internationale lobby kun je geen succes boeken, zeker niet met interventie-eisen.
Hanja Mai-Weggen (cda) heeft het goede voorbeeld gegeven door in het Europees parlement een heel goede motie door te drukken waarin wordt geëist dat de regering-Wahid de rechtszaken tegen de profiteurs en misdadigers van het vorige regime doorzet. Door te eisen dat de democratische beweging wordt gerespecteerd en ondersteund met transparante berichtgeving en de publicatie van corruptieonderzoeken, kun je de chaos bestrijden en proberen de terugkeer van een autoritair regime onder een sterke man te voorkomen. Niet door iets te roepen vanuit een Nederlandse provinciehoofdstad.»