Landinzicht #6: Docent en onderzoeker Ron Methorst

Waken voor het zielige-boer-verhaal

De komende maanden onderzoeken journalisten Hidde Boersma en Janno Lanjouw hoe de Nederlandse landbouw de stap probeert te zetten naar een milieuvriendelijkere toekomst. Deze week: een gesprek met Ron Methorst, docent en onderzoeker Omgevingsgericht Ondernemen aan de Aeres Hogeschool in Dronten.

‘Wist je dat er ossenpaden in Denemarken zijn die zo heten omdat Amsterdam zoveel vee nodig had?’, zegt Ron Methorst, docent en onderzoeker Omgevingsgericht Ondernemen aan de Aeres Hogeschool in Dronten, de grootste hogere landbouwschool van het land. ‘Daarover liep in de vijftiende en zestiende eeuw vee vanaf het Deense platteland naar Amsterdam, toen een van de belangrijkste steden van West-Europa, om in de stad geslacht te worden. Een kilometer of vijfhonderd waar de ossen zo’n vijf weken over deden.’ Methorst gebruikt de anekdote om aan te geven hoe ver de invloed van de stad toen al reikte op het platteland. ‘Het was niet de kwaliteit van de bodem die bepaalde wat er op een stuk grond gebeurde, maar de afstand tot de stad: dichtbij was er melkveehouderij, want melk raakte snel overstuur. Dan de tuinderij en daarachter het graan, want dat is makkelijker transporteerbaar, en vervolgens ver weg het slachtvee, want dat kon zelf lopen.’

Ik bezoek Methorst om met hem te praten over de groeiende animositeit tussen stad en platteland, en hoe de boer daarmee omgaat, een onderwerp waar Methorst in Dronten veel college over geeft, en wat een belangrijke aanleiding vormde voor deze blogserie. Volgens Methorst is het een vrij recent fenomeen dat de stad zich zo actief bemoeit met het platteland, en eisen stelt aan hoe boeren moeten boeren. ‘Die ossenpaden laten zien dat inrichting van het platteland altijd al voor een belangrijk deel werd bepaald door de stad, omdat daar de afzetmarkt was. Maar tot voor kort bemoeiden de stedelingen zich niet met de bedrijfsvoering.’ Dat was niet omdat er toen geen ecologische problemen waren op het platteland, die waren er zeker wel. Zo is de heide, die we nu prachtig vinden, het gevolg van overbegrazing en uitputting van de natuur door schapen in de Middeleeuwen. Dat leverde flinke erosie en zandverstuivingen op. ‘Maar blijkbaar vond men dat vroeger geen probleem, of had er geen weet van.’

Een belangrijk kantelpunt in de dynamiek tussen stad en land was de globalisering in de tweede helft van de twintigste eeuw, en dan vooral het beleid dat als reactie daarop werd ingezet: het als Europa zelfvoorzienend willen zijn op het gebied van voedsel. Dat had drastische veranderingen in het landschap tot gevolg. ‘Een mooi voorbeeld is het bijna per ongeluk ontstaan van de grote varkenshouderij in Nederland, een van de meest bekritiseerde sectoren van dit moment.’ Dat begon allemaal bij Sicco Mansholt, de eerste minister van Landbouw na de Tweede Wereldoorlog, die erop stond dat Europa zelfvoorzienend werd op het gebied van graan. ‘Hij had mensen zien sterven van de honger, en besefte dat graan aan de basis lag van voedselzekerheid’, zegt Methorst. ‘Nederlandse graanboeren konden toentertijd echter met geen mogelijkheid concurreren met de efficiënte Amerikanen, die het voor de helft van de prijs aanboden op de wereldmarkt. Om de import hiervan aan banden te leggen, stelde Mansholt importtarieven in voor buitenlands graan.’

De internationale gemeenschap was echter niet blij met dit soort ingrijpen in de markt, en in de onderhandelingen tussen Mansholt en de Wereldhandelsorganisatie werd besloten dat graanvervangers, zoals soja, niet onder de importregels vielen. ‘Hierdoor ontstond de mogelijkheid om heel goedkoop zeer voedzame gewassen te importeren via de haven van Rotterdam,’ zegt Methorst. ‘Brabantse boeren, die het traditioneel zwaar hadden op arme zandgronden, wisten hier wel raad mee. Zij besloten de graanvervangers te voeren aan hun varkens, en konden daardoor groeien en groeien, zonder dat ze meer land nodig hadden om die varkens te voeren. De producten konden ze kwijt aan de sterk groeiende economie van Duitsland. Zonder dit zogenaamde gat van Rotterdam was de varkenshouderij hier nooit zo groot geworden. Het heeft veel arme gebieden in Nederland echt uit de armoede getrokken.’

Maar door de almaar groeiende varkens- en later de pluimveehouderij ontstond er wel een nieuw fenomeen: een teveel aan mest. ‘In het begin was het niet zo’n probleem, boeren strooiden het over de arme zandgronden, die zo eindelijk vruchtbaarder werden. Maar op een gegeven moment, ergens in de jaren zeventig, veranderde mest van welkome aanvulling tot probleem: boeren reden de winter door met de trekker over het land, om alles maar kwijt te raken.’ Langzaam maar zeker kwamen de negatieve effecten aan het licht: de slootjes begonnen wel heel groen te worden. Door de extra voedingsstoffen namen snelgroeiende algen het ecosysteem over, die al het andere leven verstikte. ‘In Bretagne, waar de veehouderij zich ook snel uitbreidde, kwam er al snel weerstand van oestervissers. Die kregen last van de algengroei in het kustwater. In Nederland werd er echter lang een beetje weggekeken, ook door politici, want wie had er nu echt last van? En had de economie er niet veel baat bij?’

‘In die tijd was de landbouwlobby enorm sterk. Er werd gesproken van het “groene front”, een kongsi van ambtenaren met een achtergrond in de agrarische sector, Kamerleden die met een been nog op de boerderij stonden, en boerenorganisaties als de LTO die het beleid in de gewenste richting wisten te drukken.’ Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot het eerste Paarse Kabinet in 1994 kwam de minister van Landbouw altijd van CDA-huize, en die was boeren traditioneel goedgezind. ‘Als er dan regels waren, dan werd daar creatief mee omgegaan, zonder dat er echt op gecontroleerd werd. Beleidsondermijnend gedrag was de norm.’

Zo kon de groeiende onvrede over de verslechtering van het milieu en de veranderingen in het landschap lang onder het oppervlak worden gehouden. Maar sinds de jaren negentig, onder invloed van milieuorganisaties en wetenschappelijk onderzoek dat de teruggang liet zien van het milieu en de biodiversiteit, werd de weerstand steeds breder en aanweziger.

En zo kwamen stad en platteland tegenover elkaar te staan.

‘Dat de strijd nu zo hard is, komt deels door de opgebouwde frustratie van de milieubeweging, die daardoor voor de confrontatie koos’, zegt Methorst. ‘Maar ook de onthechting speelde een rol: waar een generatie geleden iedereen nog wel een familielid had die boer is of was geweest, staan de huidige stedelingen ver weg van het boerenleven en van voedselproductie. Die spanning levert wederzijds onredelijke eisen of verwachtingen op, en leidt tot veel onbegrip tussen de beide partijen.’

‘Het valt op dit moment voor boeren ook echt niet mee om aan de verwachtingen te voldoen’, zegt Methorst. ‘De veranderingen gaan snel en de economische consequenties zijn groot.’ Toch wil hij waken voor het zielige-boer-verhaal. ‘Er zijn echt boeren die door goed ondernemerschap ook nu nog een boterham verdienen’, zegt hij. Er is bovendien vaak meer mogelijk dan boeren denken. ‘Net als de meeste mensen, gaan boeren het liefst door op de manier zoals ze gewend zijn. Ze lopen daarom ook net als alle mensen te weer tegen elke verandering die de overheid hun oplegt’, zegt Methorst. ‘Toen begin deze eeuw de legbatterijen werden verboden, fulmineerden boeren: moeten we nu alle kippen door elkaar laten lopen, die gaan elkaar onherroepelijk helemaal kapot pikken. In het begin hadden ze daarin ook gelijk, maar door aanpassingen als het fokken van vriendelijkere kippen en het introduceren van een meer gevarieerde stalinrichting zodat de kippen zich vermaakten, zijn de scharrelkippen nu gezonder dan toen. De overheid mag af en toe best een stevige uitdaging neerleggen, daar wordt de sector vaak beter van.’

Niettemin vraagt Methorst zich wel af of het landschap zo in te richten is dat de stad tevreden is. ‘We kunnen niet zonder industriële productie. Duitsland verbruikt dagelijks veertig miljoen eieren. Elke dag weer. En daarna Londen ook nog een zeven miljoen, elke dag weer en ook in het weekend. Wie gaat dat produceren? Dat redden we niet met kleine boerderijtjes’, zegt hij. ‘Het gaat er even niet om wat ik zelf mooi vind, maar voor die hoeveelheden gaan we wellicht toch toegroeien naar voedselproductie in zogenaamde agroparken, hypermoderne fabrieksterreinen dicht bij de stad waar alle functies van het voedselsysteem zijn geclusterd. Die productie kent dan hoge milieu en dierwelzijnseisen. Daarnaast hoop ik dat er zoveel mogelijk boerderijen blijven en wellicht bijkomen die zorgen voor de maatschappelijke meerwaarde in landschap en natuur. En met producten verbonden met de cultuur van de regio. Dat zijn ook de plekken waar we dan heel gericht de band weer versterken van de burger met onze voedselproductie, waardoor de animositeit tussen stedelingen en boeren vermindert.’