Van oude en nieuwe dijken

Wakers, dromers en slapers

5 november 2014 - Nederland is geen vaststaand feit, het is een beslissing. En de dijk is daarvan de belichaming: bolwerk van traditie én bakermat van vernieuwing.

Medium dijk4

In Zeeland, ergens in de Zak van Zuid-Beveland, staat langs de kant van een kleine kronkelweg een reusachtige schilderijlijst. De bedoeling is dat je anders naar het landschap gaat kijken doordat er een kader omheen staat – en het werkt. Wat zie je op dat ‘schilderij’? Dijken en polders, lange rijen populieren, schapen, een meidoornhaag, in de verte een kerktoren. Receptuur voor het lage land. Dijken zijn ook poëzie in een land dat zijn ontstaan eraan te danken heeft en dat ze namen geeft als waker, dromer en slaper.

De Zak is een mooie plek om stil te staan bij aard en wezen van dat oer-Hollandse fenomeen, de dijk. Hier zie je de kaarten van eeuwen geleden nog helemaal terug in het landschap van nu: kleine polders die als schubben tegen elkaar aan zijn gelegd. Het landschap is ontstaan door de fysieke inspanning van mensen die met schoppen en kruiwagens in de weer zijn geweest om het water buiten te houden en land eronder vandaan te voorschijn te halen. Ik besef eens te meer dat Nederland geen vaststaand feit is, het is een beslissing. De dijk is daarvan de belichaming: bolwerk van traditie én bakermat van vernieuwing.

Voor de Nederlander zijn dijken volkomen vanzelfsprekend – totdat ze moeten worden verzwaard of doorbreken, en dan zijn we boos. Zoals in Wilnis, het Zuid-Hollandse plaatsje waar in een zomernacht in 2003 plotseling een stuk van een uitgedroogde veendijk verschoof.

Elf jaar na dato loop ik langs de vaart in Wilnis en schiet ik mensen aan om naar hun herinneringen te vragen. ‘Midden in de nacht liep het water de achterliggende woonwijk in’, zegt een van de hondenuitlaters. ‘Dat gaf een hoop troep, maar de echte problemen ontstonden pas een paar dagen later aan de overkant van de vaart.’ Want, vult haar buurvrouw aan, ‘toen het water uit de vaart weg was, zagen mensen hun hele tuin wegglijden en kwamen de funderingen van de huizen bloot te staan.’ De ‘ramp’ heeft de gemeenschap óók goed gedaan, vindt de cafébaas: ‘Mensen gingen met elkaar praten en elkaar helpen.’ De gemeente heeft langs de vaart een kunstwerk neergezet in de vorm van een bank, met daarin verwerkt uitspraken van kinderen over die nacht. ‘Gauw naar m’n moeder’, bijvoorbeeld, en: ‘Hoe vinden we ons huis terug’, maar ook: ‘Iedereen praatte met iedereen.’

In de lange geschiedenis van dijkdoorbraken in Nederland was die bij Wilnis zeker niet de grootste – maar de nasleep ervan toont aan hoe ontregelend zelfs een kleine ramp kan zijn. In feite zijn we beter voorbereid op een grote ramp, want daarvoor is het Nationaal Rampenfonds. Een Wilnis zit tussen servet en tafellaken: toch nog twaalf miljoen euro schade en juridisch getouwtrek over wie dat moet betalen, de gemeente of het waterschap, dat elf jaar heeft geduurd. (Het werd het waterschap.)

Met tijdig onderhoud was de doorbraak bij Wilnis te voorkomen geweest, vindt een man die direct aan de vaart woont. ‘Iedereen hier weet dat dit al een zwakke plek was, het was er altijd nat. Maar het waterschap en de gemeente deden er niks aan. Nu zijn er én damwanden, én sensoren in de dijk, én komen er mannen zelf schouwen. De autoriteiten hebben eerst ondergereageerd en daarna overgereageerd.’

Medium dijk3

Eind 2011 stuurde de toenmalige staatssecretaris Joop Atsma van Verkeer en Waterstaat een brief aan de Tweede Kamer over de toestand van de dijken. Ik was om twee redenen stomverbaasd daarover. In de eerste plaats omdat liefst een derde van de dijken niet aan de eigen veiligheidsnormen van het rijk bleek te voldoen. Het gros daarvan ligt in het rivierengebied – juist daar waar in 1993 en 1995 grote overstromingen dreigden, waarvoor honderdduizenden mensen geëvacueerd zijn. En in de tweede plaats omdat het bericht bijna geen verontwaardiging teweegbracht; de kranten vonden het nieuws niet meer waard dan een kort bericht op pagina 2. Bovendien gaat de wettelijk verplichte toetsing van de dijken niet meer om de vijf jaar plaatsvinden, maar om de twaalf jaar. Terwijl het aantal mensen dat in West-Nederland achter de dijken woont en de economische waarde die daar wordt gegenereerd sinds de Tweede Wereldoorlog enorm zijn gegroeid.

We vertrouwen onze oude vrienden innig, maar ook oude vriendschappen moet je onderhouden.

Ondertussen zijn er nog nooit zo veel vernieuwende ideeën geweest voor de dijken. Eigenlijk staat het hele denken over wat een dijk is en wat die moet doen op z’n kop. Ze gaan lager en/of breder worden in plaats van hoger, en ze gaan verscheidene functies tegelijkertijd vervullen. De tijd dat een dijk in alle rust een logge hoop aarde mocht liggen zijn, is echt voorbij – ook de dijk wordt dynamisch.

De nieuwe rollen van de dijk zijn onderdeel van het veranderende denken over de verhouding tussen land en water. Eeuwenlang heeft Nederland zichzelf beschermd door het water met dijken en pompen buiten te houden. De techniek heeft een hoge vlucht genomen en Nederland maakt goede sier met vondsten als sluizen die zoet en zout scheiden en keringen van een weergaloze elegantie zoals de Maeslant bij Rotterdam, die alleen sluit als het nodig is. Het nieuwste snufje is het plaatsen van sensoren in een dijk, die tijdig waarschuwen als die van binnenin te droog of te nat wordt – een pacemaker voor de dijk.

Tot verbazing en ongeloof van sommigen vinden anderen dat het langs de rivieren veiliger is om een dijk te verlagen dan om die te verhogen. De rivieren zijn om wille van een efficiënte scheepvaart zo ingesnoerd dat het stijgende water nergens naartoe kan – behalve over de randen heen. Rijkswaterstaat heeft een aantal agrarische gebieden aangewezen waar de dijken verlaagd gaan worden. Dan kan het hoge water wegstromen en houden de steden stroomafwaarts droge voeten.

Op veel gebieden wantrouwen we de overheid, maar wat de waterveiligheid betreft kennelijk niet

Een daarvan is de Noordwaard, een polder bij Werkendam, waar sommige bewoners hebben moeten verhuizen omdat het water eraan komt. Voor mijn boek Zoet Zout: Water en de Nederlanders sprak ik boer Jan Kant en zijn vrouw Riet. Ze hoeven niet te verhuizen, maar boer Kant kan er met z’n pet niet bij. ‘Ik heb bij de watersnood van 1953 hier aan mijn nagels aan de dakrand gehangen!’ zegt hij. ‘En nu willen ze mij wijsmaken dat het veiliger is om de dijk te verlagen?’

Medium dijk2

Een paar kilometer verderop in diezelfde Noordwaard is nog een andere dijkinnovatie gaande. Daar ligt een cluster woningen, bedrijven en cultureel erfgoed (een fort) waarvoor de dijk juist versterkt moest worden. Dat gebeurt door hem een heel lang, flauw hellend talud te geven, met daarop een tachtig meter brede strook wilgenbos. De biomassa van de wilgen moet net als dat lange talud een dempende werking hebben op stormgolven. Een wilgenbos dat officieel wordt erkend als onderdeel van een primaire waterkering: een primeur in dijkenland.

De eerzame taak van het water buiten houden is niet meer genoeg. Langs de kust worden dijken ontworpen waarin je ook kunt parkeren, zoals bij Katwijk en Noordwijk. In Scheveningen is de zeedijk herontworpen onder een nieuwe strandboulevard die het vissersdorp weer terug aan zee heeft gebracht. Rotterdam heeft de parkdijk bedacht, en het bureau De Urbanisten heeft langs de Maas superbrede dijken getekend waar het verkeer doorheen kan, of waar een Olympisch zwembad in kan.

De tweede Deltacommissie onder leiding van Cees Veerman (waar ik zelf lid van was) bepleitte in haar eindrapport de bouw van deze lage maar brede ‘deltadijken’, naar Japans voorbeeld, omdat ze zo breed zijn dat ze nooit zullen doorbreken en omdat ze bouwgrond toevoegen in plaats van wegnemen. Het multifunctionele is niet alleen aan nieuwe dijken voorbehouden: ook de Afsluitdijk gaat in de toekomst niet alleen nog zoet en zout scheiden, zoals hij al sinds 1932 doet, maar gaat daarbij ook energie opwekken.

Wat kan een dijk nog meer zijn dan een controleerbare, uitbreidbare waterkering? En kan de dijkverzwaring die eraan komt beter dan op de traditionele, lees: monotone manier? Dat vroeg landschapsarchitect Steven Delva zich af, en hij geeft het antwoord in zijn onderzoek ‘Rijkere dijken’. Enkele ideeën: een holle dijk die tevens als waterbushalte en natuurbezoekerscentrum dient; een energiedijk waar het water doorheen stroomt en die duurzame energie produceert; een dijk met daarin ruimte om te wonen, werken en slapen; een bevaarbare dijk bij Uitdam langs het IJsselmeer. Nieuwe typologieën, schrijft hij, voor dijken die ‘de erfgoedwaarde van de lange scherpe lijnen in het landschap weten te waarderen en te versterken’.

Dijken worden minder autonoom in het verdedigen van Nederland. Ze worden onderdeel van een nieuwe aanpak met de weinig tot de verbeelding sprekende naam meerlaagsveiligheid. Het idee is dat de veiligheid in de toekomst langs verschillende wegen (lagen) wordt bereikt: eerst de verdediging door de dijken, dan door verstandiger bouwen daarachter, en tot slot door het invoeren van evacuatieplannen.

Zou het zo kunnen zijn dat de dijken het ondergeschoven kindje worden nu we in de ban zijn van het nieuwe denken over dijken? Dat we te weinig oog hebben voor het oude systeem en het onderhoud daarvan? Het nieuwste speelgoed is immers altijd leuker dan het oude. Onderhoud is nooit sexy, en al helemaal niet als de politieke prioriteiten – en daarmee meestal ook de budgetten uitgaan naar een nieuwe en andere benadering.

Als je in het buitenland verbazing wilt oogsten over Nederlands verhouding tot het water moet je vertellen dat we 1) geen vluchtkoffer achter de voordeur klaar hebben staan; 2) hier en daar dijken verlagen; 3) het onderhoud aan liefst een derde van de dijken laten versloffen; 4) geen verzekering kennen tegen overstromingen, en 5) geen evacuatieplannen hebben. Zo diep gaat ons vertrouwen in het eeuwenoude systeem, en in de autoriteiten die dat onderhouden. Op veel gebieden wantrouwen we de overheid, maar wat de waterveiligheid betreft kennelijk niet. Die is misschien de laatste collectieve inspanning van onze samenleving die nog onomstreden overeind blijft – al is het moeilijk te zien of het hier om vertrouwen gaat of pure onwetendheid. Het is een luxe om niet in angst voor het water te hoeven leven, maar van de weeromstuit is het wel heel ver van ons af komen te liggen. Misschien zijn we té goed van vertrouwen.


Dijken in de Deltabeslissingen

Op Prinsjesdag heeft Deltacommissaris Wim Kuijken de vijf ‘Deltabeslissingen’ aan de Tweede Kamer gestuurd waar hij al sinds zijn benoeming in 2009 aan werkt. In de Deltabeslissing Waterveiligheid worden nieuwe normen afgesproken over de hoogte en breedte van de dijken. Waar grote groepen slachtoffers kunnen vallen of grote schade kan ontstaan door overstromingen, geldt een hoger beschermingsniveau. ‘Iedereen krijgt dezelfde basisveiligheid’, zei minister Melanie Schultz bij de presentatie van de Deltabeslissingen. ‘De jaarlijkse kans om te overlijden door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000. Dat is dus een kans van 0,001 procent.’

We moeten ook anders, ‘adaptief’ bouwen: iedereen moet hoog genoeg wonen om veilig te blijven bij een overstroming. Het rijk zorgt ervoor dat vitale nationale functies – de energievoorziening, telecom en ICT, de drinkwatervoorziening – uiterlijk in 2050 beter bestand zijn tegen overstromingen.


Dit is een voorpublicatie uit Dijken van Nederland van Eric-Jan Pleijster, Cees van der Veeken (Lola Landscape Architects) met bijdragen van Tracy Metz, Eric Luiten, Henk Ovink e.a., verschijnt november 2014, € 49,50, u kunt al voorbestellen

De publicatie kwam tot stand met medewerking van Yttje Feddes en van de verzamelaars van ‘dijkverhalen’ Marije Tilstra, Maaike Bos en Michael van Buuren


Beeld: Van boven naar beneden: rivierdijk boven Hardinxveld; Opperduit; IJsseldijk Deventer (Eric-Jan Pleijster / uit het besproken boek).