Wakker

Ik lag wakker en ik dacht aan de column onlangs van Remco Campert over het wakker liggen.

Medium 17654 campert 20r. c2 a9 20paul 20levitton 20aeg 20voor 20bb 20en 20pers 20en 20buitenland 20tot 2012 6 2018

Die begint vredig, de schrijver wentelt zich in de stilte. Er gaat niets in hem om, hij lijkt zich in dat niets te willen verliezen.

Dan kraakt er iets in huis. De trap? Het is als een signaal dat hem wakker schudt uit zijn stilte. ‘Dat er niets in je omgaat is gevaarlijk’, staat er, ‘zak niet weg in onbetrokkenheid bij het leven.’

Het stukje mondt uit in een gedicht van Hans Vervoort over zijn jong gestorven vrouw. Het is een gedicht van Vervoort, maar Campert wil er iets mee zeggen. Dat schrijven ‘het beste afweermiddel tegen het ontslapen (is)’. Dat er nog dingen te doen zijn, waarna een typische Campert-opsomming volgt van belangrijke en onbelangrijke dingen die allemaal even belangrijk zijn.

Velen van ons die ’s nachts wakker liggen lezen de eerste regels van Camperts stukje denk ik met instemming en bewondering: wat een wijsheid zo in de stilte op te kunnen gaan, je over te geven aan het niets. Zelf worden we bestookt door de dingen van de dag. Angsten openbaren zich. Woede vlamt op. Een monoloog tegen een rivaal of een boze schoonmoeder ontspint zich, wonderlijk precies. Irreële voorstellingen passeren van dingen die nooit zullen worden gedaan of gezegd.

Ik dacht aan Campert. Achter de gordijnen werd het licht

Dan draait Campert alles om. Zelf was hij misleid, hij misleidde ook de lezer. Hij wil die vrede niet, hij wil echt wakker zijn, betrokken. Maar voor betrokkenheid, zegt hij eigenlijk, is een vorm nodig. De hoogste waakzaamheid vindt hij in het schrijven, de mal waarin de dingen samenkomen. Hij schrijft dus verder.

Ik dacht ook aan een gedicht dat ik jaren geleden zelf schreef na het overlijden van mijn jonge vrouw. Ik citeer een regel: ‘Zit je zo diep in mij, dat je in mij wakker ligt.’ Het is een gebruikelijk beeld waarmee ik de dood wilde bezweren, haar naar het leven wilde terugschrijven. Maar ik wilde ook iets anders. Zij ligt wakker, maar om met haar te kunnen praten moest ook ik wakker zijn. Het was een oproep aan mijzelf naar haar te blijven luisteren, heel scherp te luisteren naar haar wakker zijn. Dat heb ik gedaan en ik ben altijd zo veel mogelijk waakzaam gebleven, ook als ik niet meer aan haar dacht. Net als bij Campert een keuze voor de betrokkenheid in plaats van de vergetelheid.

Ik dacht aan de roman Conclaaf van Robert Harris waarin de nachtelijke stilte een grote rol speelt. Kardinaal en deken Lomelli heeft als taak voor te gaan bij het maken van een keuze van een nieuwe paus. Hij moet de 118 in het Vaticaan samengekomen kardinalen bewegen te luisteren naar de stem van binnen, de goddelijke ingeving die hen tot de juiste keuze leidt. Maar uiteraard is alles politiek: er zijn machtsblokken, persoonlijke ambities, machinaties – kardinalen zijn ook mensen. Ook voelt hij zich oud en worstelt hij met de vraag of hij zijn taak wel waardig is. Al geruime tijd lukt het hem niet te bidden, ‘de lijn met God is stil’. ’s Nachts ligt hij wakker en twijfelt: heeft hij te zeer de Kerk gediend en God te weinig? Is hij te zeer diplomaat geweest, te weinig betrokken priester? Het is een woekering van gedachten, elke nacht heviger naarmate de intriges het conclaaf sterker beheersen. Hij dwingt zichzelf stil te zijn, te lezen in belangrijke, heilige teksten, om zo niet zijn taak, maar zijn rol, zijn bestemming te vinden. Vermoeidheid bevangt hem, meer dan eens overweegt hij zijn taak neer te leggen. Ten slotte besluit hij te vertrouwen op het moment, op het genie, de ingeving op het moment dat het ertoe doet. Als hij moet preken om de 118 kardinalen de contouren van hun taak te schetsen in een steeds complexer en onveiliger wereld, besluit hij plotseling zijn papieren terzijde te leggen. Het is voorbereid toen hij wakker lag, dit moment van grote helderheid. Het komt als vanzelf. Zoals men zich stort in een vrije val, zo geeft hij zich over aan het verhaal, dat wat moet worden verteld. Los van de intriges, het lawaai, zegt hij wat gezegd moet worden. Het is niet iedereen welgevallig, maar het raakt als het kraken van de trap in de stilte. Het leeft wat hij zegt, zoals een huis leeft, als je je oren opent.

Ik dacht aan Campert en zijn besluit te blijven schrijven, te blijven zoeken naar de vorm om de dingen te zeggen, de lezer te misleiden, en de vrolijkheid die dat teweegbrengt. Achter de gordijnen werd het licht. Buiten zetten auto’s zich in beweging. Mijn kinderen stonden op om aan het werk te gaan. En ik dacht nu is het tijd om te gaan slapen. Als we er ontvankelijk voor zijn en we ze waakzaam voorbereiden, dan komen de ingevingen, dan komt de juiste vorm vanzelf.


Beeld: Remco Campert. (Paul Levitton)