DE TOEKOMST VAN HET NEOLIBERALISME

Wakker worden in Singapore

Werkelijk historische ontwikkelingen gaan niet met vakantie. Dus laaide de kredietcrisis deze zomer op en mislukten de internationale handelsbesprekingen. Nieuwe illustraties van een neoliberalisme op zijn retour – maar wat komt ervoor in de plaats?

‘DE VERHOUDINGEN in de wereld zijn voorgoed veranderd’, constateerde staatssecretaris Heemskerk (Economische Zaken, PVDA) tijdens de onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie in Genève. Zodanig dat vorige week opnieuw geen akkoord werd bereikt over verdere liberalisering van de wereldhandel. Europa, de Verenigde Staten en de nieuwe economische machten willen allemaal hun producten exporteren. Maar niemand is bereid de eigen markt volledig open te gooien.
Het vrijemarktkapitalisme liep de afgelopen maand meer deukjes op. De Amerikaanse staat maakte een record-begrotingstekort bekend: 482 miljard dollar. Ze moest bovendien een reeks banken overeind houden die in de problemen waren gekomen door de kredietcrisis. Een verontwaardigde Republikeinse senator zei even te hebben gedacht dat hij ‘wakker was geworden in Frankrijk’. En Frankrijk, dat moge duidelijk zijn, is een communistische volksrepubliek.
Ondertussen nemen staatsfondsen uit onder meer China, Rusland en het Midden-Oosten steeds grotere belangen in westerse banken en andere bedrijven. Hun kapitaal omvat – de schattingen lopen sterk uiteen, afhankelijk van de definitie van wat een staatsfonds is – een duizendtal miljarden dollars, en zal in 2012 volgens sommige deskundigen verviervoudigd zijn. De mondiale trend is duidelijk: terwijl de markt in de hoek zit waar de klappen vallen, wint de staat aan economische invloed.
Is daarmee het einde van het neoliberale tijdperk in zicht? Zo’n conclusie moet niet lichtzinnig getrokken worden. De huidige discussie staat al bol van de grote woorden: het ‘staatskapitalisme’ heet in opkomst, anderen spreken van ‘nationaal kapitalisme’ of zelfs ‘marktsocialisme’. Wie spreekt over de toekomst van het neoliberalisme moet eerst duidelijk maken wat daaronder wordt verstaan. Heel beknopt: het overhevelen van controle over de economie van de overheid naar de private sector. Vaak samengevat als de ‘Washington Consensus’ wordt het neoliberalisme in verband gebracht met het streven naar een kleine overheid, fiscale discipline en belastingverlagingen, privatisering en deregulering en liberalisering van de wereldhandel.
In zo’n poging het neoliberalisme nader te omschrijven schuilt ook een probleem. Er bestaat geen zuiver neoliberalisme, betoogde de sociaal-geograaf David Harvey in zijn boek A Brief History of Neoliberalism. Tussen de theorie zoals gepropageerd door denkers als Milton Friedman en Friedrich Hayek en het reëel bestaande neoliberalisme gaapt een reusachtig gat. Het idee dat neoliberalisme hand in hand gaat met vrijheid was vanaf het begin een mythe; dat toont de dictatuur van Pinochet. Maar politici die het neoliberalisme beleden, bleken ook niet vies van forse begrotingstekorten, stimulering van de economie door de overheid en het met belastinggeld redden van bedrijven in nood, zoals het Amerikaanse hedgefonds LCTM in 1998. Uiteindelijk, aldus Harvey, was het neoliberalisme altijd pragmatisch. Het richtte zich vooral op het bevorderen van een gunstig ondernemingsklimaat.
Die nuchtere kanttekening bevat veel waarheid. Maar ze rekt de definitie van neoliberalisme wel ver op. Wanneer is dan sprake van het einde van het neoliberalisme? Wat is überhaupt nog het verschil tussen neoliberalisme en kapitalisme?
Gezien de huidige situatie is de conclusie onontkoombaar dat er meer aan de hand is. Zelfs door het neoliberale Mekka, de VS, worden de principes van de Washington Consensus stuk voor stuk met voeten getreden. De bijbehorende instituties, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, zijn politiek én financieel nagenoeg failliet en moeten reorganiseren. Weinig politici durven zich nog openlijk met de vrije markt te afficheren. Het woord ‘globalisering’ zou president Bush volgens een van zijn medewerkers ‘zich ongemakkelijk doen voelen’; hij gebruikt het zelden in zijn speeches. In Frankrijk is Sarkozy de sterke man – en Sarkozy houdt van veel staat.

De opkomende economische machten zijn evenmin goede reclame voor het neoliberalisme. China wordt aangevoerd door de Partij, het Indiase beleid is altijd sterk beïnvloed door de communisten, in Rusland nemen staatsbedrijven als Gazprom een centrale positie in en Brazilië wordt geregeerd door Lula’s sociaal-democratie. Die ontwikkeling is al langer gaande. Niet voor niets vroeg de econoom James K. Galbraith, zoon van, zich af of de jaren negentig in plaats van op een gouden tijd voor het kapitalisme niet eerder neerkwamen op ‘een gouden tijdperk van hervormd socialisme op twee plaatsen (China en India) – naast een periode van rampen voor de landen die de door The Economist gepropageerde recepten opvolgden’.
Dat gaat verder dan vals spelende neoliberalen die zich niet aan hun eigen regels houden. Het neoliberalisme heeft afgedaan als model voor economische modernisering. In Irak en Afghanistan is dat dagelijks zichtbaar. Het westerse, neoliberale state building is een ‘exogeen proces’. Er wordt een leger opgericht dat op z’n best sterk genoeg is om de eigen bevolking onder de duim te houden, niet om zich tegen buitenlandse machten te verdedigen. De bureaucratie heeft nauwelijks controle over belangrijke zaken als sociale projecten en infrastructuur, die het domein zijn van westerse ngo’s. Bedrijven van buitenaf controleren de economie en de grondstoffenvoorraden. Bovendien mag het buitenlands beleid niet botsen met dat van Amerika. Zo worden bewust kreupele staten gecreëerd.
Het cruciale verschil met een decennium geleden is dat zich nu een alternatief aandient. Overal in Afrika bouwt China bruggen, wegen, vliegvelden en dammen. Onder de ‘Beijing Consensus’ hoeven landen geen verantwoording af te leggen voor mensenrechtenschendingen. Orde en economische ontwikkeling staan voorop. Geen wonder dat uitgerekend de conservatieve denker Samuel Huntington veertig jaar geleden al opmerkte dat de werkelijke uitdaging van communistische bewegingen er niet in lag dat ze staten omverwerpen, ‘maar dat ze zo goed zijn in het maken van overheden’. Wat hij vervolgens schreef over het communisme kan net zo goed van toepassing zijn op de Chinese aanpak, al bemoeit die zich nog niet direct met state building: ‘Ze mogen dan geen vrijheid brengen, ze zorgen wel voor autoriteit; zij creëren wel degelijk regeringen die kunnen regeren. (…) Te midden van de sociale conflicten en het geweld die moderniserende landen teisteren, voorzien zij in een zekere mate van politieke orde.’ Die orde wordt op sommige plaatsen ook geboden door islamistische bewegingen. Het bijbehorende economische succesverhaal is desondanks het exclusieve eigendom van de nieuwe Aziatische mogendheden.
Terwijl de westerse moderniseringsmethode faalt, wint de Chinese weg aan populariteit. Daarmee is de neoliberale dominantie niet voorbij. Maar deze politiek wordt door grote delen van de mensheid niet langer gezien als in het algemeen belang, zoals de Italiaanse marxist Gramsci hegemonie definieerde. Wat we op dit moment zien, is dan ook het afbrokkelen van de neoliberale hegemonie.

De vraag is wat hiervoor in de plaats komt. Hoe ziet het oprukkende Chinese model eruit, en in hoeverre onderscheidt het zich van het westerse neoliberalisme? Daarover gaat het laatste boek van Giovanni Arrighi, politiek econoom en professor in de sociologie aan Johns Hopkins University. In zijn eerdere The Long Twentieth Century beschreef hij de geschiedenis van het kapitalisme als een opeenvolging van hegemoniale staten, die steeds groter en machtiger zijn geworden én stuk voor stuk een cruciale verbetering in de organisatiewijze van het kapitalisme hebben doorgevoerd. Het begon met de stadstaat Genua, die enkel de Spaanse en Portugese expansiedrift financierde. De kleine protonationale staat Holland stond daarentegen in de zeventiende eeuw militair op eigen benen en beheerde haar eigen handelsnetwerken. Het multinationale Britse rijk verzorgde vervolgens ook de productie en industrie zelf. Het werd de werkplaats van de wereld. De VS ten slotte, een heel continent, heeft in de twintigste eeuw zelfs de afzetmarkt geïnternaliseerd. Ook dat tijdperk loopt volgens Arrighi op zijn einde. Net als zijn voorgangers heeft Amerika inmiddels een ‘signaalcrisis’ achter de rug (Vietnam) en is de ‘terminale crisis’ met het Iraakse moeras aangebroken. Het neoconservatieve Project for the New American Century was een alles-of-niets-poging de neergang te keren. Die poging is mislukt.
De ware winnaar van de war on terror, aldus Arrighi, heet China. Maar wat kan dat land als mogelijke hegemoon van de 21ste eeuw zowel kwantitatief als kwalitatief nog toevoegen aan het Amerikaanse kapitalisme? Arrighi duikt voor het antwoord opnieuw in de economische geschiedenis. In Adam Smith in Beijing gaat hij op zoek naar de oorzaken van de great divergence, het fenomeen dat China in een paar eeuwen tijd van de grootste economie ter wereld veranderde in het armste land, en Europa een omgekeerde beweging maakte.
Europa kampte traditioneel met een tekort aan arbeidskrachten, maar beschikte (mede door het kolonialisme) over relatief veel kapitaal. Als gevolg daarvan ontwikkelde de Europese economie zich langs een arbeidsextensief pad, waarbij technologische innovatie en energieverbruik centraal stonden. Dat verklaart waarom hier de industriële revolutie plaatsvond: arbeidsbesparende ontwikkelingen leverden veel op. In Oost-Azië was de situatie omgekeerd. Er waren meer dan genoeg arbeidskrachten, maar relatief weinig kapitaal en grondstoffen. Volgens sommige academici leidde dat tussen de zestiende en de achttiende eeuw in plaats van tot een industrial revolution tot een arbeidsintensieve ‘industrious revolution’. Die kenmerkte zich door een forse bevolkingsgroei, kleinschalige productie, een zuinige omgang met het beschikbare kapitaal en de energie, en het gezin en de dorpsgemeenschap als economische eenheden. Tot in de negentiende eeuw had dit succes. De economische voorsprong van China en Japan op de westerse landen groeide. Daarna ging het snel bergafwaarts, mede door de Europese militaire superioriteit.
Desondanks zijn in de naoorlogse opkomst van eerst Japan en later China de sporen van de industrious revolution herkenbaar. Het flexibele ‘toyotisme’ heeft het Amerikaanse ‘fordisme’ opgevolgd als productiemethode. Kleinschaligheid, flexibiliteit en informele relaties met toeleveranciers en afnemers staan hierin centraal. China dankt zijn succes volgens Arrighi dan ook niet aan het klakkeloos overnemen van westerse neoliberale recepten. Het zijn evenmin de goedkope arbeidskrachten als zodanig die het land interessant maken voor westerse investeerders. Arrighi benadrukt de kwaliteiten van de Chinese arbeiders: scholing, gezondheid en zelfredzaamheid. Zij zijn daardoor vaak goedkoper dan dure, energie verslindende machines en managers. In een tijd van toenemende grondstoffenschaarste is dat een belangrijk voordeel, al lijkt China daar vooralsnog weinig gebruik van te maken.
Mede door haar bijzondere historische ontwikkeling onderscheidt China zich volgens Arrighi duidelijk van het door Amerika gepropageerde model van kapitalisme. De Chinese weg is gericht op geleidelijke hervormingen. Kapitalistische belangen zijn ondergeschikt aan vitale nationale kwesties. Een omvangrijke overheid investeert ondertussen veel geld in onderwijs en probeert de situatie op het platteland te verbeteren. Arrighi stelt de publiek beheerde, vooral in de jaren tachtig en negentig succesvolle ‘Township and Village Enterprises’ tot voorbeeld.

Met de Amerikaanse hegemonie in het wereldsysteem die afbrokkelt en China in opkomst zijn er drie scenario’s denkbaar voor de toekomst van het neoliberalisme. Het eerste spreekt het minst tot de verbeelding: oude wijn in nieuwe zakken. China is gewoon een nieuwe neoliberale macht, meent de eerder genoemde Harvey. Wat op dit moment in de wereld plaatsheeft, is hooguit de vervanging van neoliberalisme-light door neoliberalisme met een bite. En zelfs dat is weinig nieuws onder de zon, want autoritaire neigingen had die ideologie altijd al. De omvangrijkere staatsbemoeienis in opkomende economieën is bovendien iets van alle tijden. Denk aan Duitsland vanaf 1871. Alleen de sterkste economie kan zich immers een laissez faire-houding veroorloven.
Deze visie heeft iets onbevredigends. Zoals gezegd: de definitie van neoliberalisme wordt opgerekt zodat alle nieuwe ontwikkelingen er binnen passen. Voorspellen dat het neoliberalisme nog wel een tijdje dominant blijft, is dan een koud kunstje. Arrighi heeft een heel ander toekomstbeeld. De betekenis van de opkomst van China kan volgens hem niet onderschat worden. Het Chinese ontwikkelingspad voldoet volgens hem op veel punten aan Adam Smith’s ideale economie zoals opgetekend in zijn meesterwerk The Wealth of Nations. Dat stemt Arrighi optimistisch, want Smith is niet de keiharde kapitalist waarvoor hij tegenwoordig wordt aangezien. Arrighi gaat nog verder. ‘Het is niet te laat voor sociale actie in het hedendaagse China om de ontwikkeling in een niet-kapitalistische richting te sturen’, schrijft hij. Hij wijst op de jaarlijks tienduizenden wilde stakingen, rellen en andere voorbeelden van sociale onrust in China.
Op z’n best kun je dit optimisme beschouwen als een extra bewijs voor de kracht van het Chinese model: het begint fellow travellers te produceren. Waar Arrighi honderden pagina’s lang originele gedachten weet te staven met historische en economische argumenten vliegt hij hier uit de bocht. Waarom zou het Chinese model, als dat zich onderscheidt van het neoliberalisme, een wending ten goede betekenen?
Er is ook een derde, zwarter scenario denkbaar. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog schreef James Burnham The Managerial Revolution. Het kapitalisme, betoogde Burnham, was sinds de Eerste Wereldoorlog op zijn retour. De massawerkloosheid en het onvermogen de crisis van de jaren dertig te boven te komen, waren hier bewijs voor. Daar kwam bij dat de kapitalistische ideologieën hun aantrekkingskracht op de massa’s verloren hadden. Het waren volgens Burnham de managers, de hoogopgeleide organisatoren en coördinatoren van het productieproces, die het stokje van de bourgeoisie overnamen. Of het nou in Rusland onder Stalin, Hitler-Duitsland of de Verenigde Staten van de New Deal was: overal won de staat aan invloed ten koste van de vrije markt. En met de staat kwam de nieuwe klasse van de managers steviger in het zadel, door haar cruciale positie in het productieproces en invloed op de verdeling van de vruchten daarvan.
Burnhams denkfout is duidelijk: hij onderschatte de veerkracht van de westerse democratieën en verwarde de nieuwe, bureaucratische fase van het keynesiaanse kapitalisme met een nieuw systeem. Maar zo’n nieuwe fase, waarin de staat en de managers een grotere rol spelen, behoort ook nu wel degelijk tot de mogelijkheden. Als neoliberalisme neerkomt op het overhevelen van controle over de economie van de overheid naar de markt is op dit moment eerder een omgekeerd proces gaande.
Grote historische veranderingen kunnen vreemde dingen doen met mensen. In zijn tijd begon de hevig verontruste Burnham, die pas enkele jaren daarvoor had gebroken met Trotski, de door Stalin verbannen Russische revolutionair, ideologisch te schuiven. Het zou hem uiteindelijk een onderscheiding opleveren door president Reagan. Maar net als toen is ook nu nostalgie over het voorbijgaande neoliberalisme niet op zijn plaats. Heilsverwachtingen koesteren van de nieuwe macht, zoals Arrighi lijkt te doen, is dat evenmin. Wat als de opvolger van het neoliberalisme, à la Singapore, de ongelijkheid van het kapitalisme verenigt met de onvrijheid en het moralisme van een alomtegenwoordige staat?