Walgelijke personages en perverse ploertenstreken

Een ‘smerig maar geniaal boek’ noemde Lenin het. Dostojevski’s roman die in het Nederlands tot nog toe bekend was als Boze geesten is opnieuw vertaald, ditmaal als Duivels. Waarin het nihilisme en de dood van God een gang naar waanzin, ontbinding en dood vormen.

FJODOR M. DOSTOJEVSKI
DUIVELS
Vertaald door Hans Boland
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 711 blz., € 49,95

Duivels heeft een glanzende, beschaafde, welgemanierde buitenkant en een groezelige, getroebleerde naar verrotting stinkende binnenkant. Het verhaal begint en eindigt met de geschiedenis van Stepan Verchovenski, een ‘vijftigjarige kleuter’ die ooit lector was aan de universiteit van Petersburg, waar hij om niet geheel duidelijke redenen ontslagen werd. De adellijke en steenrijke Varvara Stavrogina, weduwe van generaal Stavrogin, ontfermt zich over hem. Ze heeft een zoon, die Nikolai heet. Hij studeert in Petersburg. Verchovenski heeft ook een zoon, Pjotr, uit een huwelijk dat maar heel kort heeft geduurd. Hij kent het kind niet, want het werd direct na de geboorte in bewaring gegeven bij een ver familielid in de provincie.
De stadsbewoners (Duivels speelt zich af in een niet nader genoemde stad in de buurt van Petersburg) vragen zich, in de persoon van de ik-verteller, af waarom Stavrogina en Verchovenski niet met elkaar trouwen. Verchovenski ontvangt een jaargeld van haar, hij woont al twintig jaar in een vleugel van haar landgoed, hij vereert haar en zegt dat zij de liefde van zijn leven is. Zij van haar kant houdt van hem en bewondert zijn intellectuele capaciteiten, hoewel die bewondering iets aan kracht heeft ingeboet sinds er na Stepans briljante proefschrift over de opkomst en het staatkundig belang van het stadje Hanau tussen 1413 en 1428 en een handjevol lezingen over de Arabieren niets is terechtgekomen van de studie die hij al jarenlang aankondigt en die naar men zegt over het edelmoedige karakter van bepaalde ridderordes in een ver verleden gaat. Weerhouden trots en standsbewustzijn Varvara ervan om haar liefde te verklaren aan Stepan? Weerhoudt hetzelfde standsbesef Stepan ervan om haar zijn liefde te verklaren, of is het eerder Varvara’s onaantrekkelijke verschijning, lang, benig en een beetje geel als ze is?
Na een meelevende introductie in het wel en wee van de bewoners van de Spreeuwenheuvels, zoals het landgoed van Stavrogina heet, verschuift de aandacht naar de bewoners van de stad en daalt, via een kort oponthoud op ‘de sociëteit’, waar middenstanders en lagere ambtenaren samenkomen, af naar de buitenwijken. Daar komen we in het huis van Filippov terecht bij een paar vreemde kostgangers. Het zijn Kirillov, een ingenieur met een, zo te horen, Duitse achtergrond, Sjatov, een student en verre vriend van Kirillov en Lebjadkin, een voormalige kapitein in het leger, die achteraf helemaal geen kapitein blijkt te zijn geweest, en zijn zwakzinnige zuster Marja. Wie zijn deze figuren? Wat doen ze daar? Waarvan leven zij? Hun twijfelachtige achtergrond wordt stukje bij beetje onthuld, niet door de ik-verteller, want die is, als gestudeerd man en vertrouweling van Verchovenski, alleen betrokken bij de wederwaardigheden van de hogere klasse, maar door een alwetende verteller, die de lezer een blik gunt in de hoofden van deze getroebleerde geesten. De ironische ik-verteller verdwijnt. De alwetende verteller drukt ons, naarmate we dieper doordringen in de rottende kern van het verhaal, met onze neus op de smerige werkelijkheid.
Op zeker moment keren Nikolai Stavrogin en Pjotr Verchovenski terug in de stad. Zij stappen niet uit op de Spreeuwenheuvels, maar bij het huis van Filippov. Ze voeren intensieve gesprekken met de bewoners en via deze gesprekken krijgt de lezer inzicht in de gekwelde geesten van Kirillov en Sjatov en in de plannen die zij met Nikolai en Pjotr smeden. Waarom trekt Nikolai overigens op met Pjotr?
De band die hen bindt is een revolutionair complot. Kirillov en Sjatov zijn vooruitgestuurd door een internationale revolutionaire beweging die in Genève zetelt. Dostojevski denkt aan de communistische Internationale, in het bijzonder aan de anarchistische tak onder leiding van Bakoenin. Ze bereiden een anarchistische revolutie voor die door Pjotr en Nikolai in gang zal worden gezet.
De revolutionairen delen eigenlijk maar één overtuiging en dat is het nihilisme. Volgens Dostojevski vormt het nihilisme de grondslag van alle progressieve bewegingen die zich aan het eind van de negentiende eeuw in Rusland en daarbuiten roerden. Socialisten, liberalen, anarchisten, democraten, utopisten: Dostojevski gebruikt deze aanduidingen door elkaar heen, omdat hij ze beschouwt als één pot nihilistisch nat. Dat leidt tot schijnbaar tegenstrijdige karakteriseringen zoals ‘het allerroodste liberalisme’, die je pas begrijpt als je ziet dat al deze bewegingen volgens Dostojevski vormen van ontaarding zijn, die door het nihilisme zijn veroorzaakt.
Duivels is een pamflet tegen het nihilisme. Dostojevski rekent af met de plaag die geest en samenleving volgens hem verrot. Maar over wat voor nihilisme hebben we het? Dostojevski geeft geen eenduidig antwoord. Zijn personages zijn met heel verschillende, vaak tegenstrijdige vormen van nihilisme besmet. Besmet, want Dostojevski beschouwt nihilisme als een vorm van geestesziekte. De nihilisten die hij ten tonele voert, worden bijna allemaal waanzinnig. Nihilisme en waanzin zijn bij Dostojevski nagenoeg synoniem.
Kirillov, naast Nikolai Stavrogin de meest intrigerende figuur van het boek, fundeert zijn nihilisme op de dood van God. Zijn theorie luidt: ‘Als God niet bestaat ben ik God.’ Het is de redenering die Nietzsche tien jaar later voor zijn rekening zal nemen in het beroemde fragment over de dood van God. Kirillov meent, vreemd genoeg, dat de mens zich pas kan verheffen tot mens-god als hij zelfmoord pleegt. Deze redenering, die kenmerkend is voor Dostojevski’s opvatting van nihilisme als geestesziekte, zal niet door Nietzsche worden overgenomen.
Vervolgens is er Nikolai Stavrogin. Ook hij is nihilist in de zin dat hij het geloof aan God is kwijtgeraakt; ook hij raakt daardoor geestesziek. Hij gaat zich te buiten aan perverse ploertenstreken: hij verleidt een twaalfjarig meisje uit een volksbuurt en drijft haar tot zelfmoord. Zijn daad is zo weerzinwekkend dat de uitgever het betreffende hoofdstuk weigerde af te drukken. Het werd pas lang nadien in de roman teruggezet. Uiteindelijk pleegt Nikolai zelfmoord.
Dan is er Sjatov. Hij is aanvankelijk toegetreden tot de rangen van de nihilisten-socialisten, omdat ook hij zijn geloof is kwijtgeraakt, maar in de loop van de tijd heeft hij een ander soort van geloof teruggevonden. Het is het geloof in Rusland en in de god die zich in de Russische volksgeest openbaart. Door dit hervonden geloof verwijdert Sjatov zich van de nihilisten-kliek onder leiding van Pjotr Verchovenski. Pjotr insinueert bij de andere leden van de ‘cel’ van vijf dat Sjatov op het punt staat hen te verraden, waarop Sjatov wordt vermoord.
Pjotr, het meest walgelijke personage van de roman, misschien wel van de hele wereldliteratuur, hangt een vorm van nihilisme aan die uitsluitend berust op vernietiging. Met wat voor doel? Met het doel om op de ruïnes van de oude wereld een ‘nieuwe wereld’ te laten ontstaan. Een duidelijke voorstelling van deze nieuwe wereld heeft Pjotr niet. Vreemd genoeg rekent hij erop dat Nikolai na de vernietiging op zal staan om als een revolutionaire Jezus de overlevenden te redden.
Ten slotte is er de intrigerende Sjigaljov. Hij heeft als enige een samenhangende nihilistische ideologie, die haaks staat op de niet, of slecht geformuleerde ideologie van de andere min of meer socialistische nihilisten. Terwijl de laatsten gelijkheid nastreven van allen en de revolutie voor hen ten doel heeft het oude klassenverschil tussen aristocratie en volk uit de weg te ruimen, predikt Sjigaljov een nieuwe samenleving waarvan negentig procent uit slaven, tien procent uit een despotische elite zal bestaan.
In andere romans heeft Dostojevski ons al kennis laten maken met deze ideologie. Raskolnikov uit Misdaad en straf formuleert dezelfde ideeën als Sjigaljov en Ivan uit De gebroeders Karamazov doet dat ook. Het is de ideologie van de Uebermensch die zich verheft boven het slavenvolk, opnieuw een voorafschaduwing van een van Nietzsche’s centrale leerstellingen. Maar waar Nietzsche het nihilisme en de dood van God beschouwt als fasen van een emancipatie die uitmondt in de geboorte van de mens-god of Uebermensch, daar beschouwt Dostojevski hetzelfde traject als een gang naar waanzin, ontbinding en dood.
Twee romans markeren het ontstaan van het negentiende-eeuwse nihilisme: Duivels van Dostojevski en Vaders en zonen van Toergenjev. Dostojevski neemt de tien jaar eerder verschenen roman van Toergenjev (1862) op de korrel in zijn Duivels (geschreven in 1871-72). Op de korrel is te zacht gezegd. Dostojevski verkettert de roman. Toergenjev zelf voert hij ten tonele in de figuur van de romanschrijver Karamazinov. Hij spuugt al zijn gal over deze Karamazinov uit. Ik vermoed dat Dostojevski jaloers was op Toergenjev. Daar had hij alle reden toe, want Toergenjev was niet alleen de eerste die het nihilisme aan de orde had gesteld in Vaders en zonen en de eerste die het woord nihilisme überhaupt gebruikte, maar bovendien had hij laten zien dat de angry young men van zijn tijd het nihilisme gebruikten als wapen tegen hun vaders. In Duivels imiteert Dostojevski dit nihilisme als generatieconflict. Nikolai en Pjotr zijn uit op de vernietiging van de wereld van hun vaders, belichaamd in de persoon van Stepan Verchovenski, de vader van Pjotr en de leraar en vervangende vader van Nikolai.
Maar Dostojevski’s haat heeft een diepere grond. Hij verwijt Toergenjev dat het nihilisme van Basarov (de hoofdpersoon van Vaders en zonen) een romantische bevlieging is die elke diepgang mist. Daarin heeft Dostojevski wel een beetje gelijk, want Basarovs nihilisme wordt in Vaders en zonen ontmaskerd als pose. Volgens Dostojevski is het nihilisme het gevaarlijkste gif dat ooit de Russische geesten is binnengedrongen. Het heeft deze geesten aangetast, het geloof aan het wankelen gebracht en met dat geloof alle ethische en zelfs nationale waarden, want de natie vindt haar identiteit in het Russische volksgeloof. Hij haat Toergenjev omdat deze het gewaagd heeft daar luchtig over te doen.
Dostojevski’s roman is een antinihilistisch pamflet en een hartstochtelijk pleidooi voor alle waarden die volgens hem door het nihilisme in gevaar zijn gebracht: geloof, beschaving, geestelijke volksgezondheid, en vooral: geloof in de Russische natie. Dostojevski belijdt zijn slavofilie, hij verkettert alle westerse nieuwlichterij en keert terug tot het geloof van zijn vaderen. Dostojevski werd vanwege dit boek omarmd door de conservatieven. Hij werd redacteur van een reactionair tijdschrift.
Voorafgaand aan de roman plaatst Dostojevski een motto dat hij ontleent aan de Bijbel. Het gaat om de genezing van de man die ‘door boze geesten bezeten was’ (Lucas 8: 26-39). Jezus drijft de geesten, Legioen geheten, uit. Ze varen in een kudde zwijnen. De zwijnen stormen een helling af, storten zich in zee en verdrinken.
Dostojevski herhaalt het Bijbelcitaat aan het eind van zijn boek. Het is duidelijk dat hij het nihilisme beschouwt als een Legioen boze geesten die in zwijnen als Nikolai, Kirillov en Sjatov zijn gevaren en zichzelf en hun gastheer te gronde richten. Waarom heeft de vertaler het boek Duivels genoemd en niet Boze geesten of De bezetenen? Ik vind dat jammer omdat het verband tussen geestesziekte en nihilisme dat Dostojevski beoogde in zijn titel Besy verloren gaat. Jammer ook dat er aan dit prachtig uitgegeven boek geen namenlijst is toegevoegd waar de lezer de vele personages met hun achternamen, voornamen en verkleinnamen in terug kan vinden. Storende vlekjes op wat Lenin ‘een smerig maar geniaal boek’ noemde.