Het merk Vermont

Walhalla met koeien

Via Bernie Sanders, een typisch lokaal product, kreeg het kleine Vermont dit jaar grote politieke invloed in de VS en daarbuiten. Wat bezielt de witte, wapenliefhebbende, proto-socialistische bewoners van Amerika’s progressiefste staat?

Medium gettyimages 485083252

‘Moose’ staat er op een van de eerste verkeersborden als je via de snelweg de Amerikaanse staat Vermont in zoeft. ‘Elanden’. Even later maakt een reusachtige bloedvlek over twee banen duidelijk dat het gevaar reëel is. Vermont, aangeklemd tegen de Canadese grens, heeft dan ook vooral natuur. Er wonen in de hele staat maar 626.000 mensen. Die wonen in grote meerderheid op het platteland, want steden zijn er nauwelijks. De grootste stad, Burlington, komt net boven de veertigduizend inwoners uit, en dat is een verre uitschieter. Er is in de hele VS maar één staat met nog minder verstedelijking.

Er zijn wel meer indicatoren die er normaal gesproken op zouden wijzen dat we hier met een ‘dieprode’, oftewel solide Republikeins stemmende staat te maken hebben. Vermont heeft de witste bevolking van de VS – minder dan één op de twintig inwoners valt in een andere categorie. En die inwoners houden innig van jagen en van hun wapens. Vermont is een van de weinige staten die nooit een vergunning of zelfs maar registratie hebben vereist voor een vuurwapen. Zelfs voor het dragen van een verborgen wapen is geen toestemming nodig.

Als je tegenover Donald Trumps zwarte visioenen van Amerika een ideaal tegenbeeld zou moeten scheppen, zou je uitkomen op zoiets als Vermont. Niet alleen wit, plattelands en pro-gun, maar ook kerkgaand, veel kleine zelfstandigen, een sterk gemeenschapsgevoel, vrijwel geen immigratie, bijna iedereen aan het werk. Maar de Republikeinen uit deze staat willen nog in geen tien kilometer van Donald Trump worden gesignaleerd. Want Vermont is veruit de progressiefste staat van de VS.

Toen Donald Trump hier in januari van dit jaar campagne wilde voeren, werd dat gezien als een openlijke provocatie. Normaliter laten uitgesproken conservatieve politici de staat opzichtig links liggen. George W. Bush kwam er tijdens zijn presidentschap nooit, terwijl hij elke andere staat bezocht.

Vermont stemt niet alleen links, de linkse aandriften van de staat maken de naam een begrip in Amerika. Je kunt geen progressief stokpaardje bedenken of Vermont heeft er een activistische wet voor. Het was de eerste staat die vrijwillig het homohuwelijk invoerde, illegale immigranten mogen er autorijden, er is verplichte voorschool, labels op producten moeten genetisch gemanipuleerde ingrediënten vermelden, ongeneeslijk zieken hebben recht op hulp bij zelfdoding.

Vermont is daarmee een buitenbeentje in de VS, en de inwoners van de staat zijn daar meer dan een beetje trots op. ‘Quirky’, eigenzinnig, noemen ze hun staat graag. Als er iets aan Vermont bijzonder is, zullen ze het zeker niet laten dat te vertellen. In de paar dagen dat ik ter plekke ben heb ik een dozijn maal gehoord dat Vermonts hoofdstad Montpelier (op z’n Yankees uitgesproken als ‘Mahnt-pielie-urrr’; een metropool van 7500 inwoners) de enige hoofdstad van een Amerikaanse staat is zonder een McDonald’s.

Dit is allemaal heel aardig, maar het lijkt op het oog niet meer dan charmante couleur locale van een onbeduidende uithoek van de VS. Vriend en vijand zeggen evenwel dat Vermont in vergelijking tot zijn omvang ‘outsized influence’ heeft op de cultuur en politiek van de VS – van Ben Jerry’s-ijs tot het fungeren als motor van progressief beleid. Dit jaar was dat duidelijker dan ooit met Bernie Sanders, de oud-burgemeester van Burlington, die met een typische Vermont-agenda 43 procent van de stemmen veroverde in de Democratische voorverkiezingen en nieuwe energie blies in de progressieve politiek van Alaska tot Japan. Een kleine berg aan commentaren voorspelde dat dit flinke gevolgen gaat hebben voor de Democratische Partij, het mogelijke presidentschap van Hillary Clinton, en de electorale politiek in de VS. Hoog tijd om poolshoogte te nemen in de piepkleine staat zelf. Waar komt die politieke cultuur van Vermont vandaan, en waar gaat die heen?

Een logische plek om een rondgang te beginnen lijkt de Chace Mill, een voormalige wolfabriek aan de watervallen van Winooski. Met zijn hoge witte zalen, gebutste houten vloeren en de geur van wol en hout is de oude fabriek een magneet voor hippe bedrijven en start-ups, van app-programmeurs tot design-fietsenmakers. Een eeuw geleden maakte de activistische fotograaf Lewis Hine hier foto’s van piepjonge kinderen die grote gevaarlijke machines bedienden.

Hier houdt de Vermont Progressive Party kantoor. Nou ja, ze deelt een kantoor met een onafhankelijke politicus die meedoet aan de verkiezingen van komende week. En het is tijdelijk, want de vpp leeft op een strak budget, opgebracht door kleine donoren. De partij heeft dan ook maar één betaald staflid, de rest zijn vrijwilligers. Maar dat beeld vertelt maar een deel van de waarheid. In feite is de Progressive Party de derde partij van de VS, na de Democraten en Republikeinen. Ook al opereert ze alleen in Vermont, ze heeft meer afgevaardigden op staatsniveau dan elke andere partij na de grote twee.

Het kantoor is een gezellige bende, volgepropt met borden, aanplakbiljetten en vlaggen met het partijlogo (een eland), een keukentje, bureaus en stapels papier. Aan de tafel schuiven Emma Mulvaney-Stanak aan, een vrolijke dertiger, vakbondsleider en ‘voorzitspersoon’ van de vpp, en dat enige staflid, de verlegen, goeiige Josh Miller. De sleutel tot de politieke cultuur van Vermont, menen ze, is de kleine schaal. ‘Je ziet vaak dat politici doorgaans heel marginaal beginnen, met een bepaald issue dat ze zelf en mensen om hen heen belangrijk vinden’, zegt Miller. ‘Denk aan huurverhogingen in hun wijk, het loon van de leraren op de dorpsschool of het opschonen van een rivier. Ze worden dan lokaal verkozen, wat altijd onbetaald is, en dat kleine issue groeit dan uit tot een agenda voor huurbescherming, minimumloon of het milieu.’

‘Bernie Sanders is precies zo gegroeid’, vertelt Mulvaney-Stanak. ‘In 1980 bouwde hij zijn campagne om burgemeester van Burlington te worden rond zijn verzet tegen de aanleg van een groot winkelcentrum. Hij werd verkozen met maar tien stemmen verschil. Sindsdien maakte hij een agenda rondom sociaal-economisch welzijn en bescherming van mensen tegen de macht van het geld. Eerst in Burlington, toen als senator voor de staat Vermont, en dit jaar nationaal. Hij doet op landelijk niveau precies wat hij op lokaal niveau heeft gedaan.’

Net zo’n idyllisch beeld van Vermonts politiek wordt geschetst door Mitzi Johnson, een van de rijzende sterren in de Democratische Partij van de staat. ‘Vermont is klein genoeg om intieme conversaties te hebben’, zegt ze tijdens de lunchpauze van een grote conferentie. Zoals bij wel meer politici kleeft er een kleurrijk verhaal aan haar, een open, jonge vrouw met dik, zwart halflang haar en grote zilveren sieraden. Na haar studie internationale ontwikkeling ging Johnson werken op een boerderij en als opzichter van een ploeg Jamaicanen in een appelboomgaard. Ze ging de lokale politiek in en verdiende ondertussen geld met gitaar- en pianoles, thuis gebrouwen cider en zelfbedrukte shawls. Ze stopte ermee om een nieuwe studie te doen aan Harvard, renoveerde een vervallen huis, ging bij de lokale reddingsdienst van de Hero-eilanden in Vermonts meer Lake Champlain en zette aan Harvard een instituut op voor betrokken leiderschap. Ze is afgevaardigde in het staatsparlement namens Noord- en Zuid-Hero.

‘Het staatsparlement is maar vier maanden per jaar in sessie’, zegt ze. ‘Voordat er snelwegen waren, bleven afgevaardigden die vier maanden samen in Montpelier. Er stonden toen voortdurend sociale activiteiten op de agenda, en die traditie is gebleven. De afgevaardigden gaan samen skiën, pokeren, bowlen. Dat helpt enorm als je vervolgens samen problemen moet oplossen. We besluiten regelmatig iets met consensus.’

‘De afgevaardigden gaan samen skiën, pokeren, bowlen. Dat helpt enorm als je daarna samen problemen moet oplossen’

Vermont heeft een traditie van vooruitlopen op de rest van de VS, stelt ze, zoals met het afschaffen van slavernij, of het instellen van het homohuwelijk. ‘In de rest van de VS wijten ze dat aan een radicale linkse ideologie die mensen hier aanhangen’, stelt ze. ‘Maar dat zien we hier helemaal niet zo. De progressiviteit van Vermont is niet ideologisch, maar pragmatisch. Je stelt wetten voor namens je achterban, van wie je de meesten persoonlijk kent. Wetten die in de rest van het land heel links worden gevonden, zien we hier als een kwestie van zorgen voor je buren en respect en ruimte geven voor hoe ze hun leven willen leiden. Daarom zijn veel wetten die vaak worden gezien als links, en linkse politici als Bernie Sanders, ook populair in conservatieve delen van de staat.’

Op de burelen van het weekblad Seven Days, het toonaangevende medium van Vermont, wordt maar ten dele meegegaan in dat mooie beeld. Seven Days, een dik pak papier bomvol artikelen, horecatips, recensies en advertenties, is veruit de grootste krant in de kleine staat. De oplage van 36.000 in Vermont zou vergelijkbaar zijn met een Nederlandse krant met een oplage van een miljoen. De redactieruimte is precies wat je je bij het onbezorgde, hippe blad voorstelt: een grote ruimte met overal posters en opgeprikte artikelen, rommelige bureaus, kletsende redacteuren, Come on Eileen op de radio.

Medium greetings from vermont  72846

Ik haal politiek redacteur Paul Heintz en zijn baas Pamela Polston, uitgever en hoofdredacteur van Seven Days, op voor een koffie om de hoek. Het café zit in een voormalig industrieel gebouw, met start-ups en een prikbord vol posters van yogalessen. Heintz wijst erop dat Bernie Sanders zichzelf een paar maal opnieuw moest uitvinden voor hij als politicus voet aan de grond kreeg. ‘Bernie kwam naar Vermont in de jaren zestig, samen met de hippies die het paradijs op het platteland wilden vinden’, zegt Heintz, een rossige dertiger met ringbaard, houthakkershemd, korte broek en slippers. Zijn voorouders, Duits uiteraard, kwamen al heel vroeg naar Vermont, moesten vertrekken door de schapencrisis rond 1830 (hier kennelijk een begrip) en keerden terug toen er industrie kwam.

‘Sanders kwam uit Brooklyn en was politiek radicaal geworden op de universiteit in Chicago’, vervolgt Heintz. ‘Dat er zoveel jonge linkse mensen verhuisden naar Vermont was een belangrijk moment in onze geschiedenis. Vermont veranderde van een geïsoleerde, naar binnen gekeerde landbouwstaat in wat het nu is. Sanders was in de jaren zeventig echt een randfiguur. Hij was geen hippie maar hij leefde een tijd in een commune. Hij was extreem, activistisch links.’

Sanders werd wat minder radicaal, terwijl Vermont juist veel linkser werd, stelt Heintz. De twee ontmoetten elkaar, en na vier termijnen als burgemeester toog Sanders naar Washington. Een aardig detail is dat Sanders, die nooit een probleem heeft gemaakt van wapens, zijn verkiezing toen won van een Democraat die een verbod op aanvalswapens wilde. ‘Sanders profiteert sterk van het beeld dat binnen en buiten Vermont bestaat van politici uit deze staat’, zegt Heintz. ‘Hij is links, maar hij is duidelijk geen limousine liberal, zo’n rijke, arrogante stadsprogressief die Amerikanen graag haten. Hij heeft het bijna alleen over sociaal-economische zaken, over banen, over het sluiten van de grenzen tegen import, dingen die gewone mensen aanspreken.’

Vermont kweekt betere politici, wordt wel gezegd. ‘Omdat Vermont zo klein is denken mensen hier dat hun stem er echt toe doet, ze voelen zich betrokken en spreken hun afgevaardigden direct aan. Het heersende beeld is dat daarom uit Vermont politici van hogere kwaliteit komen, authentieke mensen die namens het volk de waarheid durven te zeggen tegen de macht. Sanders is niet de enige die dat imago naar Washington heeft meegenomen. Eerder deed Patrick Leahy dat, de langst zittende senator van de VS, en Howard Dean, presidentskandidaat in 2004 en jarenlang voorzitter van de Democratische Partij.’

Toch gaapt er een aanzienlijk gat tussen Vermont en Washington. Heintz maakte dat zelf mee toen hij woordvoerder was van de Democratische afgevaardigde Peter Welch. ‘In Vermont vinden mensen het gewoon dat de overheid dingen probeert, die soms lukken en soms niet. Sabotage van elkaars plannen, zoals in Washington bestaat, kennen we hier niet’, zegt Heintz. ‘En ook klopt Mitzi Johnsons verhaal over de vriendelijke onderlinge relaties tussen politici. Welch kon maar moeilijk wennen aan de rigide partijdiscipline en de harde verhoudingen in Washington.’

Heintz onderschrijft daarom in grote lijnen de clichébeelden over de politieke cultuur van Vermont, maar tegelijk gelooft hij dat de staat en haar inwoners sterk worden geromantiseerd door New Yorkers en Bostonians die er komen skiën of wandelen en dan weer naar hun stad terug racen. ‘De kwaliteit van leven in Vermont is heel goed, als je die kunt betalen’, zegt hij. ‘Maar dat laatste is vaak wel een probleem. Als je een eind van Burlington vandaan rijdt, zie je op het platteland veel armoede, mensen in “mobiele” woningen. De golf van drugsverslavingen in de VS gaat niet aan ons voorbij. En er zijn wel degelijk politieke kwesties die de Vermonters uiteenrijten. Het wordt nu liever vergeten, maar toen er in 2000 legaal partnerschap werd ingesteld voor homoseksuele stellen zette dat de hele staat op scherp, het was echt buur tegen buur. Nu heb je hetzelfde in Rutland, de grootste stad van Zuid-Vermont, waar een groot centrum komt voor Syrische vluchtelingen. Het verdeelt Rutland tot op het bot.’

Op een uur rijden ten zuiden van Burlington, langs kleine dorpen met houten schuren, witte kerkjes, schietbanen en heel veel bos in schreeuwend rood en geel, wacht Jim Douglas. Deze goedlachse, of beter gezegd bijna compulsief grinnikende Republikein werd in 2002 en driemaal daarna verkozen tot gouverneur van Vermont. Inderdaad, zelfs Vermont kiest regelmatig Republikeinen in lokale ambten. Vermont koos zelfs een tijd uitsluitend voor Republikeinen. Het is de staat die de langste aaneengesloten periode voor één partij koos: van 1856 tot 1960 koos Vermont 28 maal voor Republikeinse presidentskandidaten, en nog langer voor Republikeinse gouverneurs. Dat sloeg daarna radicaal om. Nu staan hier al sinds dag één van de verkiezingscampagne Hillary Clintons winstkansen volgens de wedkantoren op honderd procent.

De Republikeinse Partij heeft nu een eenvoudig recept om verkiezingen in Vermont te winnen: ze schuift haar gematigdste en beminnelijkste mensen naar voren, die door eindeloos handenschudden en de lulligste sociale activiteiten hun partijhandicap proberen te overwinnen. En net als bij Democraten en Progressieven geldt: de Republikeinse agenda is hier in de eerste plaats sociaal-economisch, banen en ondernemers, en veel minder ideologisch en moreel.

‘Vermont was absoluut geen speciale staat, maar werd het door haar eigen reclamecampagne wel’

‘Volg de bordjes maar naar de mannenplee. Ze hebben me erachter gepropt. Haha’, had Jim Douglas me al gezegd. Na zijn gouverneurschap streek hij neer als executive in residence bij Middlebury College, een van de beste liberal arts-universiteiten van de VS. Niet goedkoop, met collegegeld van ruim zestigduizend dollar per jaar, maar wel een schitterende campus. Over Douglas’ vage baantje wordt graag gegniffeld, en de 65-jarige, bebrilde executive in residence wekt inderdaad niet de indruk keihard te werken. Hij zit ontspannen aan zijn lege bureau, met trofeeën om zich heen van zijn gouverneurschap: hockeypucks, foto’s met troepen in Afghanistan, een buste van Lincoln, een bordje met ‘The Buck Stops Here’.

Is het frustrerend om een Republikein te zijn in Vermont? vraag ik. Hij denkt even. ‘Ja. Haha. Altijd een uphill battle. De staat is nogal progressief. Ik maak altijd de grap: mijn hele achterban zit nu in Florida. Jammer genoeg is dat steeds vaker waar. Belastingen zijn hier hoog en mensen met geld zorgen dat ze op tijd weg zijn. Als je hier doodgaat, blijft er niets voor je kinderen over.’

Medium dscn0343

Hij maakt een paar verhulde beledigingen aan het adres van Bernie Sanders en legt dan het cultuurverschil uit binnen Vermont. ‘Je hebt eigenlijk Burlington en omgeving en de rest’, zegt hij. ‘Burlington groeit, iedereen wil daar zijn, je hebt woningnood en jonge mensen, er is interne migratie daar naartoe. Daar zijn ook de banen. ibm vestigde er eens een hoofdkantoor omdat de directeur zo graag in Vermont skiede. Maar die tijd is voorbij. We hebben een nieuwe immigratie-push nodig.’

Het is zo’n opmerking waarmee je direct Vermont-Republikeinen kunt onderscheiden van de Trumps en Cruz’s. En het is opmerkelijk, omdat de vorige immigratiegolf Vermont zoveel ‘linksmensen’ bracht. Douglas herkent het beeld dat Vermont in veel opzichten Trumps ideale Amerika zou zijn. Maar ja, die hippies. ‘Immigratie is het belangrijkste antwoord op de vraag waarom Vermont niet alleen wit en pro-wapens is, maar ook overwegend progressief’, zegt hij. ‘Het waren mensen die grappig genoeg aansloegen op een beeld dat Vermonts toerismebureau al sinds de jaren twintig aan de man probeerde te brengen, als onbedorven land. The Beckoning Country.’

Douglas leunt hierin niet alleen op zijn eigen inschatting, maar ook op de wetenschap. Vijf jaar geleden onderzocht Harvard-socioloog Jason Kaufman hoe het kan dat Vermont en zijn buurstaat New Hampshire politiek zo verschillend zijn. De twee staten zijn spiegelbeelden van elkaar (gedraaid en ondersteboven), hebben dezelfde bevolkingssamenstelling, hetzelfde opleidingsniveau en sociaal-economisch profiel, enzovoort. Maar ze stemmen niet alleen heel anders – New Hampshire is een swing state – ze zijn ook totaal anders als je kijkt naar ‘culturele indicatoren’. Birkenstock-winkels en veganistische restaurants: veel meer in Vermont. Harley-Davidson-dealers: meer in New Hampshire.

Het verschil, zo onderbouwde de studie van Kaufman, is alleen te verklaren door ‘idio-culturele migratie’ in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Oftewel: mensen die ergens naartoe verhuizen om culturele waarden en levensstijl. En waarom dachten die migranten dat ze een bepaalde cultuur in Vermont zouden vinden? Kaufmans antwoord: door reclame.

‘De politieke cultuur van Vermont is terug te leiden naar reclamecampagnes in de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de staat actief aan marketing begon te doen’, licht Kaufman zijn studie toe. ‘Het was een oerconservatieve staat van boeren en jagers, maar het toerismebureau van Vermont plaatste advertenties in kranten en bladen in New York en Boston die moesten uitstralen dat er iets schoons en pastoraals in Vermont hing. De staat zelf cultiveerde dat beeld, dat in New Hampshire wel eens spottend werd samengevat als een “walhalla met koeien”. Vermont wilde toeristen trekken en mensen die een buitenhuisje wilden.’

Na de Tweede Wereldoorlog richtte die marketing zich meer op mensen die het hectische stadsleven wilden ontvluchten. Dat beeld sloeg aan: zo kwam in 1954 de cultklassieker Living the Good Life uit, een roman over een opgejaagd echtpaar dat New York ontvlucht en in Vermont het goede leven vindt. Toen Oostkust-hippies in de jaren zestig het ‘terug-naar-het-land’-idee omarmden, kwam direct hun ideale bestemming in zicht: het lonkende, beboste, onbedorven paradijs met koeien. Toen de staatsregering van Vermont zag dat jonge professionals naar de staat kwamen voor dat beeld en het buitenleven voerde ze strenge bouwbeperkingen in, die nog meer milieu- en nostalgietypes aantrokken.

‘Door de mediaherhaling werd het marketingbeeld van Vermont een realiteit: een staat die zich actief richtte op het bewaren van een “oorspronkelijke” en milieubewuste levensstijl’, zegt Kaufman. ‘Vermont was absoluut geen speciale staat die anders was dan andere, maar werd het door haar eigen reclamecampagne wel. Burlington werd een magneet voor politieke radicalen, maar in dit geval waren dat vaak jonge professionals met een universiteitsdiploma op zak. Vermont kapitaliseerde op het culturele idee over Vermont dat het zelf gecultiveerd had.’

Het lijkt ongelooflijk dat een bepaald cultureel beeld – voortkomend uit reclame – zulke reële politieke effecten heeft. Maar dat is minder vreemd dan het lijkt, vindt Kaufman: ‘Mentale beelden worden nogal eens realiteit. Politiek bevindt zich in het imaginaire.’

Vermont is nog even nauwkeurig bezig met zijn imago als in de jaren twintig. ‘Vermont’ is zo’n sterk merk dat de staat scherp controleert of er geen merken zijn in de VS die zich er ten onrechte van bedienen. In Vermont gevestigde bedrijven, zoals Ben Jerry’s (beeldmerk: een pastorale weide met koeien), worden juist aangemoedigd dat te doen.

Bernie Sanders heeft optimaal van dat ‘merk’ geprofiteerd, denkt Bertram Johnson, politicoloog aan Middlebury College. ‘Voor een Amerikaans publiek is hij makkelijk te begrijpen’, zegt hij in zijn kantoor. ‘Hij is een progressieve oude man uit een progressieve staat waar mensen om elkaar geven, om hun omgeving en om de kwaliteit van leven. Een oude Vermonter die geen reden heeft om de waarheid te verdraaien. Sanders heeft bewust op dat culturele idee gekapitaliseerd.’

‘Ik kan me nog herinneren dat Sanders zijn kandidatuur aankondigde’, vervolgt Johnson. ‘Het was in mijn straat, dus ik liep erheen, luisterde naar hem en dacht: “Dat is leuk, maar dat gaat nergens heen.” Dat had ik flink mis. En ik denk niet dat het hierbij blijft. Ik zie het aan mijn studenten. Zoveel van hen wilden wel over politiek lezen maar er niet aan doen. Ze zijn massaal politiek actief geworden door Bernie. Ik denk dat dit kan uitgroeien tot een grassroots-beweging die grote invloed kan hebben in de VS, zoals religieus rechts in de jaren negentig, of de Tea Party tijdens Obama.’

Dat klinkt bekend, want bij de Progressive Party, in de oude wolfabriek aan de Winooski-rivier, werken ze daar al aan. ‘We krijgen elke dag verzoeken uit andere delen van het land om lokale progressieve partijen op te zetten’, zegt staflid Josh Miller. ‘We houden Skype-conferenties en we geven op elke manier hulp die we kunnen. Zo begon de Tea Party ook. We zijn begonnen met bouwen.’


Beeld: (1) Dorpje langs de river Vermont (Denis Tangney JR / Getty Images); (2) (Boston Public Library, Tichnor Brothers Collection); (3) Vermont Valley Community Farm. Vaste en tijdelijke medewerkers oogsten radijs (Vermont Valley Farm)