Walk of Infame

Vóór de grote dopingonthulling heb ik Lance Armstrong altijd een wat vlak personage gevonden. De belichaming van dat robuuste, nogal lompe optimisme dat de Amerikaanse fictie zo eigen is. Held overwint ziekte, onrecht of ander noodlot, en komt zegevierend uit de strijd. Hij verandert van een slachtoffer in een winnaar. Je zou dat het Hollywood-model van een personage kunnen noemen.

Volgens Aristoteles is zo’n personage niet bruikbaar in drama’s, hooguit in de komedies. Als een goed mens na ongeluk ineens geluk bereikt, wekt dat namelijk geen vrees en medeleven op. We vinden het gewoon een rechtvaardige gang van zaken. Ook een slecht individu dat van ongeluk naar geluk gaat, is onbruikbaar. Holleeder die ineens celebratie-status bereikt, columns mag schrijven en talkshows mag opluisteren. Dat vinden we niet grappig, niet tragisch, en alleen maar weerzinwekkend en onrechtvaardig.

Ook van slechteriken die van geluk naar ongeluk overgaan valt weinig te bakken. Dat zouden we alleen maar terecht vinden. We zouden van buitenaf naar ze kijken en constateren: ziezo, dat is hun verdiende loon. Ga maar na. Wat voor drama kun je schrijven met Hitler, Saddam of Dutroux in de hoofdrol? Je zult opnieuw weerzin kunnen opwekken, en misschien ook vrees, maar geen medeleven. De identificatie waardoor je het drama zelf meebeleeft, als iets wat ook jou had kunnen overkomen, blijft uit.

Wat je nodig hebt, is een personage dat niet door en door slecht of goed is, en dat ondanks zijn goede intenties zijn geluk in ongeluk ziet omslaan. Aristoteles zegt het in zijn Poetica als volgt: ‘De ideale tragedie speelt zich daarom af rond mensen die het midden tussen deze uitersten houden. Ze mogen niet buitengewoon deugdzaam of buitengewoon rechtvaardig zijn, en als ze met tegenspoed geconfronteerd worden, moet dat niet een gevolg van laf gedrag of slechtheid zijn, maar voortkomen uit een “dwaling”, die begaan is door personen van hoog aanzien en in voorspoedige omstandigheden, zoals Oedipus en Thyestes.’

Misschien is dit het Europese model voor personage-ontwikkeling. In de Europese literatuurgeschiedenis wemelt het van de figuren die door zo’n onbewuste misstap of weeffout in hun karakter ten val komen. De Europese literatuur is een pad vol voetsporen van verliezers, van Oedipus naar Don Quichot, en van Raskolnikov naar Emma Bovary en Dorian Gray, van Frits van Egters naar de mannen uit Elementaire deeltjes en Platform. Dit pad is de zwarte tegenhanger van de Walk of Fame in Hollywood. De Walk of Infame.

Deze zomer vergeleek publiciste Elaine Blair in The New York Review of Books de Amerikaanse _loser-_personages met die van Europeaan Houellebecq. Amerikaanse losers, stelde ze, blijven vaak nog iets romantisch hebben. Of het nu bij David Foster Wallace, Jonathan Franzen of Philip Roth is, er zit iets heroïsch in het mislukken van hun personages.

Dat zal ongetwijfeld door het verschil in temperamenten en levensopvattingen aan weerszijden van de Oceaan komen, maar er ligt volgens mij ook een technisch verschil onder: is een personage gevormd naar antiek Grieks of Amerikaans recept? Kiezen we voor de Amerikaanse droom of het Europese fatalisme (dat zichzelf uiteraard tot realisme uitroept)?

Europa is het continent van de catastrofe. Daarom is het ook een aanval als Romney roept dat de Verenigde Staten onder Obama meer op Europa zullen gaan lijken, en dat Obama-aanhangers diep in hun hart ‘Europeanen’ zijn. Een bijna even groot verwijt als ‘atheïsten’.

Lance Armstrong was een Amerikaans personage op het bij uitstek Europese toneel van de Tour de France. Ondanks alle triomfen bleef hij een eendimensionaal flat character. Pas nu de beerput van doping opengaat, wordt hij round, en blijkt hij wonderbaarlijk goed te voldoen aan de profielschets die Aristoteles maakte voor de tragische held.

Niet buitengewoon goed of slecht. Een persoon van hoog aanzien komt ten val door een ‘dwaling’, die niet zozeer uit lafheid is begaan als wel uit overmoed, hybris. Zoals Daedalus de goden naar de kroon dacht te kunnen steken door vleugels te maken, zo dacht hij ook de natuurlijke beperkingen te kunnen overwinnen met toverdrank. Zoals Pygmalion wel even dacht dat hij een menselijk lichaam kon namaken, beter nog dan de goden dit hadden gedaan, en niet van echt te onderscheiden. Ars latet arte sua. De kunst verborg haar eigen kunstigheid.

Armstrongs dopinggeheim was een kunstwerk waarvan de kunstmatigheid kunstig uit het zicht is gehouden. Tot voor kort was ik totaal niet geïnteresseerd in het levensverhaal van Lance Armstrong, maar nu zou ik best eens zijn memoires willen lezen.

Als motto zou hij, als hij tegen die tijd rijp is voor zulke tragische Europese zelfspot, een citaat uit Nootebooms Een lied van schijn en wezen kunnen nemen, waarin een personage opmerkt: ‘Winnen is niets, mijn jongen, winnen laat geen sporen na, dat is bevrediging. Verliezen is leven.’