De nieuwe investeerders hebben weinig geleerd

Wall Street revisited

Met Wall Street maakte Oliver Stone dé film over de snelle beursjongens van de jaren tachtig; met Liar’s Poker schreef Michael Lewis daar hét boek over. Nu, twintig jaar later, keren ze allebei terug.

HET KAN BIJNA niet anders dan dat verraad van kinderen van hun vaders het hoofdthema is van Wall Street: Money Never Sleeps, Oliver Stone’s vervolg op zijn cultknaller Wall Street uit 1987. Veelbetekenend wijst multimiljardair Bretton James (Josh Brolin) de jonge beursspeculant Jake Moore (Shia LaBeouf) op een schilderij in zijn kantoor; het is het ‘zwarte schilderij’ van Goya, waarop een gedrochtelijke Saturnus zijn zoon met huid en haar verslindt. James zegt het stoer. Veertien van Goya’s vijftien zwarte doeken hangen in Madrid, het ontbrekende deel is van hem. De ironie dat hij dit vertelt terwijl hij aanbiedt om Jake’s geestelijk vader te worden, een mentor in de zakenwereld, ontgaat hem.
In Wall Street 2 heeft Jake te veel vaders. Zijn geliefde mentor Louis Zabel (Frank Langella) pleegde zelfmoord nadat James hem tot faillissement dreef. En er is Gordon Gekko (Michael Douglas, in reprise in zijn Oscarwinnende rol), legendarisch beurshandelaar, 'Master of the Universe’, koning van de oneliners, 'I don’t create, I own’, ex-bajesklant nadat hij een straf uitzat voor fraude, en bovendien de vervreemde vader van Jake’s verloofde. Om de ene vader trouw te blijven, moet Jake de andere verraden.
Generaties die geen oog voor elkaar hebben lijken een dubbele bodem van Stone, want precies het 'roofkapitalisme’ dat de financiële zeepbel veroorzaakte, kwam voort uit bankiers die uitblonken door zich nergens zorgen te maken om de lange termijn, om de generatie die na hen kwam. Op de weinige momenten dat Stone echt de kredietcrisis behandelt, een scène waarin CEO’s van falende banken in noodoverleg met de overheid zitten, vliegt het begrip moral hazard door de lucht: als de staat jullie nu subsidieert, hoe weten we dan dat de mensen na jullie niet ook de fout in gaan? Wat als de nieuwe generatie niet leert van de fouten van de vorige?
Net als het eerste deel is Wall Street 2 een verrukking om naar te kijken, de rijkdom en dynamiek van New York zie je in elke scène terug, speels gefilmd met skylines die veranderen in beursgrafiekjes en omvallende dominostenen. Alle acteurs lijken zin te hebben in hun rol, Michael Douglas voorop (en Charlie Sheen, de held van deel één, in een overdreven kleffe cameo). Dat deel twee het niet haalt bij het origineel ligt vooral in de plot, dat niet zo zeer dient om een portret te geven van het wereldje, waar deel één zo in uitblonk, maar om een liefdesverhaal te vertellen tussen Jake en Winnie Gekko (Carey Mulligan). Winnie wil niets met haar vader te maken hebben, terwijl Jake na Gekko gezien te hebben op zijn boektour totaal van hem onder de indruk is. Die scène is een echo van Gekko’s legendarische 'Greed is good’-speech, uit deel één. Nu spreekt Gekko, schmierend en flirterig voor een groep studenten. 'Jullie zijn de NINJA-generatie: No Income, No Job, No Assets.’
Of hij daar een oplossing voor heeft? Ja hoor. 'Drie woorden: Buy… This… Book!’
Was het maar zo simpel. De afgelopen dertig jaar hebben de investeringsbanken de kunst geslepen van het creëren en verkopen van financiële producten met een toenemende vaagheid; redelijk eenvoudige afgeleiden van geld - aandelen, obligaties - zijn geëvolueerd naar een modernisme van geld, met een trend naar het abstracte. Van Cézanne naar Jackson Pollock. Dat abstracte van nu valt nog eens op als je kijkt naar hoe makkelijk het financiële spel dat de spanningsboog in de eerste Wall Street vormt, voor de leek te volgen is. Beetje handel met voorkennis, makkelijk zat. Het resultaat daarvan is dat Stone de tijd heeft zijn personages uit te diepen, om de vader-zoon-relatie van Bud Fox (Charlie Sheen) met zijn working class-vader (Martin Sheen) tegenover de tutor-leerling-band van Bud en Gekko te zetten. En ook Gekko is meer dan het vraatzuchtige kapitalistische monster zoals hij de cultuurgeschiedenis is ingegaan - juist achter dat bloedhongerige jagen naar meer geld schuilt een romantische kant.
Stone spiegelt Gekko in twee schilderijen. Als Bud Fox voor het eerst in het strandhuis van Gekko is, kijkt hij verbaasd naar een modernistisch schilderij, een chaos van felle spetters verf en geometrische lijntjes. Ik dacht dat Gordon overal verstand van had, zegt Bud tegen een meisje, maar als ik dit zo zie… Het meisje corrigeert hem: van dit schilderij kun je een appartement aan de East Side kopen. Niemand heeft zoveel verstand van kunstverzamelen als Gordon. De scène daarna belt Gekko Fox wakker. Gekko staat op het strand, in een badjas, met zijn uit de kluiten gewassen mobiele telefoon in zijn hand. Ah Buddy, zegt-ie, de zon komt op, het licht gaat aan. Geen schilder die de zonsopgang zo mooi kan vangen als-ie in het echt is. Ik wou dat je hier was, makker.
Stone filmt Gekko van grote afstand, een kleine man tegenover een eindeloze oceaan, de zon schijnt mottig roze en oranje door de zeelucht - het is sprekend een schilderij van de vroeg-impressionistische J.M.W. Turner. Dat Turner de scène daarop bij naam wordt genoemd is geen toeval. In die twee schilderijen treft Stone de uitersten van Gekko: aan de ene kant is hij de romantische held van Turner, alleen, uitgeleverd aan de elementen; aan de andere kant is zijn habitat de chaos van het abstracte schilderij, iemand die orde ziet in het schijnbaar onoverzichtelijke.
Het onoverzichtelijke blijft in Wall Street 2 redelijk buiten beschouwing. Uiteindelijk draait de plot om wat acties vanaf buitenlandse rekeningen waar wel of niet mee gesjoemeld wordt - de echt abstracte geldconstructies die Wall Street in 2008 naar de afgrond brachten blijven buiten beschouwing. Dat wilde Oliver Stone de kijker niet aandoen.

MICHAEL LEWIS doet dat wel, in zijn non-fictieboek The Big Short: Inside the Doomsday Machine. Zoals Stone het imago van de beurscultuur ving in film, deed Michael Lewis dat in literatuur, met zijn boek Liar’s Poker (1989), over zijn ervaringen bij de investeringsbank Salomon Brothers, waar hij als pas afgestudeerde (in kunstgeschiedenis!) ineens met andermans miljoenen mocht goochelen. In proza dat aan de literaire non-fictie van Tom Wolfe deed denken zette Lewis zijn oud-collega’s neer: hun maniertjes, hun exploderende ego’s, en hoewel Lewis dacht een portret te schrijven om de waanzin van die wereld te laten zien, liepen miljoenen studenten met Liar’s Poker weg als een hoe-word-ik-investment banker.
The Big Short is niet zo zeer een reconstructie van de kredietcrisis, maar meer een serie aan elkaar gekoppelde portretten van de mensen die ’m zagen aankomen. Het zijn personages die lijken te zijn weggelopen uit een roman. Om te beginnen is er dr. Michael Burry, een neuroloog met het Asperger-syndroom die zijn patiënten vooral vies vindt en in zijn vrije tijd blogt over de aandelenkoers. Burry raakt geobsedeerd door het gemak waarmee hypotheken worden verstrekt. Met het geld dat hij krijgt nadat zijn vader sterft aan een misdiagnose, start hij in 2004 een bedrijfje dat als eerste speculeert op het failliet gaan van de hypotheekverstrekkers. Burry, die zijn investeerders letterlijk niet in de ogen durft te kijken, heeft eind 2007 720 miljoen winst gemaakt.
En er is het verhaal van Steve Eisman, een onaangepast figuur die als kleine joodse jongen naar tora-studie ging om tegenstrijdigheden in de tekst te ontdekken. Hij begon als 'stringente Republikein’ en eindigde als 'de eerste socialist op Wall Street’ (en heeft een lichte obsessie met de overeenkomsten tussen zijn leven en dat van Peter Parker, oftewel Spiderman). Eisman is het type dat 'aanzienlijk meer geïnteresseerd was in wat zich in zijn hoofd afspeelde, dan wat er voor zijn neus gebeurde’. Als hij tijdens een golfpartij op een chique club verschijnt moeten ondergeschikten hem duidelijk maken dat hij ongepast gekleed is. Eisman loopt naar het clubhuis, koopt een capuchontrui en speelt vervolgens achttien holes lang vals.
Eisman was een van de eersten die de Amerikaanse huizenmarkt en de slechtste-van-het-slechtste-hypotheken in kaart bracht en een systeem bedacht om aan die onbetaalde leningen geld te verdienen. Maar nadat zijn vrouw in haar slaap hun pasgeboren zoon verstikt, speelt Eismans morele kant op. Lewis beschrijft het prachtig, een hoofdstuk waardig aan Hunter Thompson, als zevenduizend investment bankers samenkomen op een congres in Las Vegas: voor het eerst ontdekt Eisman dat het geld dat hij verdient ten koste gaat van het aandelenpakket van iemand anders op datzelfde congres. Maar nog erger: het interesseert niemand. Het geld is niet van hen maar van hun anonieme klanten.
Lewis is redelijk expliciet in zijn moraal. Hij legt uit dat hij Liar’s Poker ooit schreef in de veronderstelling, eind jaren tachtig, dat de Wall Street-cultuur niet zo door kon gaan. En vaak dacht hij gelijk te krijgen; na Stone’s film en andere soortgelijke boeken (Barbarians at the Gate van John Helyar en de roman The Bonfire of the Vanities van Tom Wolfe) leek er een anti-Wall Street-sentiment op te spelen in New York, Rudi Giuliani baseerde zijn burgemeesterscampagne deels op het aanpakken van 'Wall Street excess’. De teugels werden aangetrokken, maar oppervlakkig. Obsceen taalgebruik werd verboden en een bankier die in een stripclub gesignaleerd werd, was direct zijn baan kwijt. Maar alleen de oppervlakte veranderde, zegt Lewis, de wezenlijke kern niet. De aanwending van geld werd steeds riskanter en ondoorgrondelijker.
In The Big Short gaat hij daar consciëntieus mee om: hij zet de spelers neer en zoomt in op hun menselijke problemen in plaats van de glamour van hun snelle geld. In het slothoofdstuk zoekt Lewis John Gutfreund op, die ooit op de cover van Time Magazine stond als 'King of Wall Street’, zijn oude hyper-agressieve, geldgraaiende CEO bij Salomon Brothers en zo ongeveer de hoofdpersoon van Liar’s Poker. De twee lunchen en praten beschaafd met elkaar. Maar het is niet eind goed, al goed. 'Your… fucking… book’, perst Gutfreund er ineens uit. Laten we het over één ding eens zijn, zegt hij, jouw boek maakte jouw carrière, en verpestte de mijne. Lewis slikt de aanklacht en laat in het midden wat de carrière van Gutfreund allemaal verpestte.
Stone, een filmmaker uit de arbeidersklasse met een onverbloemde socialistische inslag, zegt in een making of-documentaire van de eerste Wall Street dat hij met het egomane karakter van Gekko wilde laten zien hoe gevaarlijk ongeremd kapitalisme was. Hij zei geschrokken te zijn hoe populair het personage Gekko uiteindelijk bleek te zijn. Gek genoeg is daar in Wall Street: Money Never Sleeps weinig van te merken. Gekko is een superster, alles om hem heen schreeuwt naar glamour, ook als hij zijn dochter en schoonzoon erin naait, maar een superster die uiteindelijk zoetsappig inbindt als hij de echo van zijn ongeboren kleinzoon ziet. Echt afstand neemt Stone niet. De beurs is een slangenkuil, maar eentje die glimt als goud. Ook Stone wil illusies verkopen.

Wall Street: Money Never Sleeps draait vanaf 23 september in de bioscoop. Van Wall Street is een nieuwe dvd uitgebracht, met verwijderde scènes en een documentaire over de culturele betekenis van de film. Michael Lewis, The Big Short: Inside the Doomsday Machine, Allen Lane, 266 blz., € 25,95