Popmuziek: Steve Earle

Walmart in vlammen

Steve Earle had een kleine, maar mooie rol in de briljante tv-serie The Wire (van David Simon, in wiens Treme hij eveneens was te zien, nu als straatmuzikant). Hij speelde in The Wire een van de oudere leden van een groep afkickende verslaafden. De morsige ex-verslaafde, met lang grijs, dunnend haar, die het allemaal al had meegemaakt, die de hoogtepunten en de dieptepunten van zijn leven achter de rug had, en nu een beetje de hoeder van de kudde was geworden. De inmiddels wijze oude man, aan wiens gezicht je kon aflezen dat de wijsheid was verkregen door een opeenvolging van verkeerde beslissingen. Die dankbaar was voor iedere dag waarop hij überhaupt nog mocht wakker worden, en waarvan hij het einde haalde.

De rol was meer dan losjes gebaseerd op Earle’s leven, waarin de strijd tegen verslaving eveneens een belangrijke rol heeft gespeeld. En zijn personage had een beetje de toon die Steve Earle de muzikant tegenwoordig heeft. De verhalenverteller, die in het zeer uitgebreide dankwoord van zijn nieuwe album vertelt hoe hij vroeger door heel het land liftte, maar inmiddels al lang een ‘upscale gipsy’ is geworden, wiens reis­vervoer bestaat uit de first class-stoelen van een vliegtuig, of de cabine van een tourbus van driekwart miljoen dollar. Het dankwoord is gericht aan de mensen die dat leven mogelijk maken: zijn publiek. Er spreekt naast een oprechte dankbaarheid en een schijnbare behoefte aan zelfverantwoording een geloofwaardige ver­bazing uit: alsof Steve Earle nooit had verwacht dat hij beroemd zou worden, en zeker blíjven.

Zijn nieuwe album, The Low Highway, is (gedeeltelijk door Earle zelf) mooi warm maar ook wat gladjes geproduceerd. Het klinkt grotendeels vertrouwd, en dat is bij Earle tegelijk een compliment: alsof een oude vriend weer langskomt om wat verhalen te vertellen. Zijn twee vrouwelijke en drie mannelijke begeleiders – met een knipoog The Dukes (and Duchesses) genoemd – spelen samen met Earle zo ongeveer ieder instrument waarvan je blues, roots, bluegrass en country tot een bont geheel kunt smeden. En Earle vertelt over zijn reizen, over lange autowegen, langs verlaten fabrieken met kapotgegooide ramen, de onvermijdelijke Greyhound, de pompstations, en New Orleans, de stad die werd gebouwd op een dag waarop de ‘good lord wasn’t playing honey’. Het land waardoor Earle reist, is er geen van neon, latte en Prius, maar van stof, diesel en pick-up-trucks. Kerouac komt langs, en Woodie Guthrie ook. En Earle kruipt opnieuw in de huid van zijn personages. Van een zwerver, waarvoor Earle ook lager en knauwender gaat zingen. Het is een van de mooiste nummers, dat Invisible. De clip bevestigt nog eens Earle’s punt: we zien het leven jachtig voorbij trekken aan mannen met een gelaat vol droefenis die uit vuilnisbakken eten. Wanneer hij de onderkant van zijn land bezingt, wordt de tekstschrijver Earle grimmig. In het titelnummer staan de massa’s in de rij voor gaarkeukens, en ronduit desperaat is de hoofdpersoon van Burnin’ It Down: ‘I’m thinkin’ bout burning the Walmart down’. Op zijn website is een filmpje te zien waarin Earle uitlegt waarom hij de protestbeweging tegen de Walmart-keten ondersteunt. Want de personages van Earle, die staan zelden ver van hemzelf af.


Steve Earle The Dukes ( Duchesses), The Low Highway, label: New-West Records, Steve Earle speelt 26 mei in Paradiso, Amsterdam, en 28 mei in de Effenaar, Eindhoven