Walter Oettinger

De huidige tijd is er een waarin het bovengemiddeld vaak over verveling gaat. Ik heb me altijd wat vreemd tot het begrip verhouden, in die zin dat ik het nog nooit écht heb ervaren en daarom direct verbazing voel wanneer men erover spreekt. Verbazing is de grootste vijand van verveling, en wie aanleg heeft voor het eerste is in principe gevrijwaard van het tweede. Toch heb ik één keer op de rand van de verveling gestaan, en wel omdat ik dagenlang zat opgesloten in een kelder.

Het gebeurde kort nadat ik voor het eerst op vakantie was gegaan zonder mijn ouders, en vergeten was dat zoiets geld kost. Achteraf had ik behoorlijk wat schulden, en kwam ik een advocaat tegen die me vertelde ‘altijd wel wat klusjes te hebben’. Die klusjes vonden plaats in zijn kelder in Amsterdam Oud-Zuid, waar meerdere papierversnipperaars stonden.

Eigenlijk kreeg ik heel weinig uitleg. Het enige wat ik kreeg, waren stapels papieren. Die stapels werden steeds hoger, want vrijwel alle versnipperaars bleken stuk en de advocaat kwam almaar terug met nieuwe documenten. Bovendien was er nog een meisje in de kelder, en moesten we telkens wachten tot de ander klaar was met versnipperen.

De enige momenten dat we buiten kwamen, vonden plaats wanneer we de snippers in de papierbak moesten gooien. Na een dag of twee nam mijn verbazing de overhand en heb ik, gebogen achter de papierbak, de snippers weer naast elkaar gelegd en geprobeerd te lezen wat ik zojuist vernietigd had. Op die straathoek achter het Concertgebouw ontdekte ik dat het meisje en ik inmiddels tientallen stukken uit de Zaak-Oettinger hadden doen verdwijnen.

Walter Oettinger was een joodse man die in 1943 onderdook bij ene Louis van Gasteren, die hem vijf dagen later de schedel insloeg. Volgens Van Gasteren was dit een verzetsdaad, omdat Oettinger gedreigd zou hebben om hem te verraden. Louis van Gasteren werd later een bekend filmmaker, en heeft de rest van zijn leven geprocedeerd tegen mensen die beweerden dat het een simpele roofmoord was, die niets met verzet te maken had.

De resterende dagen in de kelder bracht ik door met een wat merkwaardig gevoel. Ik moest veel aan Walter Oettinger denken. Op het internet las ik dat hij op zijn zeventiende was getroffen door verlamming, wat de toch al twijfelachtige aanname dat hij met verraad zou hebben gedreigd nog minder waarschijnlijk maakte.

Primo Levi schreef in zijn roman Is dit een mens het volgende: ‘Iedereen ontdekt vroeg of minder vroeg in zijn leven dat het volmaakte geluk onbereikbaar is, maar weinigen staan stil bij de tegenovergestelde gedachte: dat hetzelfde geldt voor het volmaakte ongeluk.’ Walter Oettinger, op zijn laatste onderduikadres aangekomen nadat naaste familieleden een einde aan hun leven hadden gemaakt, lijkt vrij dicht in de buurt te zijn gekomen van het volmaakte ongeluk.

Mijn grootvader Hans overleefde als enige van zijn gezin de oorlog, en pleegde kort na zijn pensioen zelfmoord. Daar werd weinig over gesproken in onze familie, net zomin overigens als over alle Lakmakers die na de oorlog niet terugkeerden. De simpele verklaring daarvoor luidt dat je beter zwijgt wanneer het dingen betreft die je zelf allerminst begrijpt.

De minder simpele verklaring houdt verband met iets wat Primo Levi in zijn boek eveneens beschrijft: dat de mens niets wat oneindig is verdraagt. En dat het de dagelijkse beslommeringen zijn die ongeluk fragmenteren en daarmee draaglijk maken. Deze geschiedenissen daarentegen raken aan een oneindig ongeluk, en misschien is dat de voornaamste reden dat we erover zwijgen: het is een weigering om naar die oneindigheid te kijken.

Op een vreemde en absoluut onvergelijkbare manier worden we nu alsnog met het eindeloze geconfronteerd, aangezien al het dagelijkse wegvalt. De reactie daarop is meestal tweeledig, en komt neer op verbazing of verveling. Wie zich maar lang genoeg verveelt, wordt lusteloos. En wie zich maar lang genoeg verbaast, raakt zo nu en dan verbijsterd: over volmaakt ongeluk, vernietigd door een papierversnipperaar.