Televisie

WALTER VAN DER KOOI

Hemeltergend

Televisie: EO Live

EO’s Tijs van den Brink gaat Live op visite. Zijn eerste bezoek, vlak voor de verkiezingen, gold Marco Pastors. Tijs stond op de stoep van de «lieu de memoire», waarin de krijtstreeppoliticus woont (huize Fortuyn), belde aan en sprak: «…benieuwd of er iemand thuis is». Tot dat moment had ik de man met de weerbarstige antipresentatorkop serieus genomen als evangelisch wonderkind: een goed voorbereid, scherpzinnig en ad rem interviewer van de generatie die het Woord als leidraad heeft, maar dat niet meteen als huis-aan-huis-evangelisant samen met zijn Voet tussen de deur steekt. Helaas, met deze binnenkomer duvelde hij van zijn voetstuk. Alsof Pastors niet maanden tevoren dit electoraal buitenkansje in zijn agenda had geschreven, alsof Tijs c.s. niet uit en te na het pand hadden verkend om vast te stellen waar precies gefilmd zou worden. Alsof die zaterdagavond, na de reclame, niet «actie» was geroepen, waarop Tijs zich naar de huisdeur repte waarachter Pastors met ongeduld zat of liep te wachten. En dan had ik nog niet eens het microfoontje in Pastors’ revers opgemerkt waar De wereld draait door op wees.

Tijs’ tweede bezoek gold het echtpaar Durlacher-De Winter. Dit keer leek het of de De Wintertjes inderdaad hun afspraak waren vergeten. Volop leven binnen, maar de deur bleef lang dicht en ging pas open dankzij een Onbekende Nederlandse. Niet de gedienstige, bleek, maar een vriendin die, toen Jessica eindelijk van boven kwam en de honneurs overnam («Goh, zijn jullie er al?»), in een belendende ruimte spontaan en niet onverdienstelijk maar wel erg mal uitbarstte in An die Musik. Ze bleek te oefenen voor haar optreden bij de presentatie van een boekenweeknovelle van Jessica en zo hing alles met alles samen. Af en toe hoorden we de heer des huizes iets van boven roepen (alsof hij niet wist dat het al begonnen was), waarop zijn gade uitlegde dat hij niet kon kiezen uit twee stropdassen terwijl zij vond dat hij er helemaal geen moest dragen (maar mooi zelf wel geheel op oorlogssterkte voor «op televisie»).

Tijs, in protestants-christelijk colbert (sportief, modern en hemeltergend), was op visite maar tegelijk de baas: de meegebrachte champagne moest worden geschonken, de inrichting doorgenomen evenals het schrijverschap en de vraag wie er kookte. Het zoontje moest begroet («Leuk dat je er bent», zegt de gast hondsbrutaal tegen het kind dat daar woont), waarop blijkt dat Moos met mama mee is geweest naar Westerbork, waar ze voor research moest zijn. Tijs: «Wat vond je daarvan?» Moos: «Wel leuk.» Waarop papa Leon in gemaakt en ongemakkelijk lachen uitbarst en blijft echoën: «Wel leuk», wat voor Moos (die een normaal kinderantwoord gaf op een belachelijke vraag) nogal pijnlijk is.

Tijs: «Zijn jullie gevoelig voor recensies?» Nogal. «Onbegrijpelijk: hebben jullie zo een prachthuis bij elkaar geschreven, wat kan een slechte recensie dan schelen?» Het wereldbeeld van Tijs blijkt nog platter dan je al begon te vermoeden. Toen verscheen Afshan Elian nog als mystery guest, maar van dat viergesprek heb ik niets onthouden, plaatsvervangend uitgeput door deze bespottelijke visite en dit krampachtige amateurtoneel.

Dan is het al weer tijd voor afscheid, maar Tijs kan zijn jas niet vinden. Dus loopt hij onbedekt de vrieskou in met de woorden: «Die jas haal ik zo wel even.» Aftiteling op de seconde. Niks mooiers dan live televisie.