Grond onder de voeten

Wandelen als tegengif

Boek na boek versplintert Robert Macfarlane het idee van de natuurschrijver als eenzame misantroop. In Benedenwereld daalt hij af van de bergtoppen naar de grond onder onze voeten.

Robert Macfarlane op de Knud Rasmussengletsjer, Oost-Groenland © Helen Spenceley

Schotland, 1985. In het huis van zijn grootouders, gebouwd op een leistenen heuvel in de Cairngorms, volgt de negenjarige Robert Macfarlane op een grote landkaart de routes die hij met zijn opa in het Schotse berggebied heeft bewandeld. Zijn grootvader, voormalig diplomaat en bergbeklimmer, reisde zijn leven lang de wereld rond om te klimmen. Hij zou uitgroeien tot een van de grootste inspiratiebronnen voor Macfarlane, drie decennia later een van de belangrijkste reis- en natuurschrijvers van zijn generatie. Over zijn opa schrijft Macfarlane in Landmarks (2015), zijn vierde en enige nog niet in het Nederlands vertaalde boek: ‘Het was hij en zijn Cairngormwereld die mij als kind liet kennismaken met de betovering van de hoogte.’

Met die betovering begint zijn schrijverschap. Van zijn met prijzen overladen debuut Mountains of the Mind (2003), via de essayistische wandelboeken The Wild Places (2007) en The Old Ways (2012) en Landmarks tot zijn recent verschenen vijfde boek Benedenwereld: Reizen in de diepe tijd. Het is een oeuvre – waartoe ook de kleinere essays Holloway en The Gifts of Reading en het met illustrator Jackie Morris gemaakte kinderboek The Lost Words behoren – dat ontsproot uit een fascinatie voor steile wanden en bergtoppen. In Benedenwereld schrijft Macfarlane: ‘Iets wat ooit is ontstaan uit de behoefte om een persoonlijk mysterie te ontrafelen – waarom hield ik als jongeman zoveel van bergen dat ik soms zelfs bereid was om voor ze te sterven? – heeft zich ontwikkeld tot een diepgravend cartografieproject dat zich uitstrekt over vijf boeken en pakweg tweeduizend pagina’s.’

En dat project is noodzakelijk, volgens Macfarlane zelf. Hij constateert dat de natuur de laatste twintig jaar een steeds prominentere rol in de boekenwereld is gaan spelen, terwijl de natuurlijke wereld in de verdrukking zit. Midden in de verwoesting van het Antropoceen komt de mens volgens Macfarlane tot het besef dat de natuur meer is dan biomassa, meer dan energie. De natuur kan ook een bron van plezier zijn. Van troost zelfs.

Macfarlane wordt op 15 augustus 1976 geboren in het Engelse dorpje Halam in Nottinghamshire, een graafschap in het midden van Engeland. Na de middelbare school studeert hij tussen 1994 en 1997 Engels in Cambridge, om na twee jaar Oxford en een jaar lesgeven in China naar Cambridge terug te keren voor een promotieonderzoek. De stap naar Engels suburbia, en een leven aan de rand van de beroemde universiteitsstad, verbaast hem zelf. ‘Cambridge is, onmiskenbaar, een vreemde plek om te wonen voor iemand die van bergen houdt’, schrijft hij in Landmarks. ‘Ik woon in een graafschap dat zo vlak is (zoals de grap gaat) dat je het kunt faxen; een graafschap zo plat (zoals een oudere grap gaat) dat je op een stoel kunt gaan staan en Norfolk in kunt kijken.’

In 2003, precies vijftig jaar nadat Edmund Hillary als eerste de top van de Mount Everest bereikt, debuteert Macfarlane als natuur- en reisschrijver met Mountains of the Mind: A History of a Fascination. In dat boek verweeft de dan 26-jarige schrijver op een heel eigen en beheerste manier natuurhistorie, literatuur en kunst met de observaties die hij tijdens zijn vele klimtochten heeft opgedaan. Het boek baart opzien omdat het geen reguliere bergliteratuur betreft. Recensenten constateren dat de jonge schrijver ‘brutaal’ een nieuwe route op de inmiddels platgetreden bergwand inslaat. Mountains of the Mind is dan ook een cultuurgeschiedenis van de berg. Bergen zijn, zo stelt Macfarlane, niet alleen fysieke structuren die je kunt beklimmen: ze zijn ook producten van de menselijke waarneming en veranderen in ons hoofd van afgelegen, duistere plekken, tot locaties van spirituele rijkdom en rust. ‘Hun bestaan’, schrijft hij, ‘is door de eeuwen heen door ons verbeeld.’

Macfarlane’s ‘brutaliteit’ slaat in Engeland in als een bom. Voor Mountains of the Mind krijgt hij in 2003 meteen de Guardian First Book Award, ten koste van onder andere debuutboeken van Monica Ali (Brick Lane) en de roman Vernon God Little waarvoor schrijver DBC Pierre in datzelfde jaar de Man Booker Prize krijgt, een van ’s werelds grootste literatuurprijzen. De debuutprijs stelt Macfarlane in staat om voor een groot publiek de erbarmelijke staat van het natuurschrijven aan te kaarten. Het genre is, zo stelt hij eind 2003 in een essay in The Guardian, sinds 1930 in het slop geraakt. ‘Het resultaat van aanhoudende vijandigheid heeft ervoor gezorgd dat natuurschrijven in Groot-Brittannië met uitsterven wordt bedreigd.’

Macfarlane zegt zich over deze teloorgang te verbazen. Met Charles Darwin, Alfred Russel Wallace, W.H. Auden en Vita Sackville-West is het genre in vooroorlogs Groot-Brittannië nog oververtegenwoordigd. Na de jaren veertig zijn natuurschrijvers volgens Macfarlane op één hand te tellen. ‘Natuurschrijven wordt gezien als de hobby van modderige laarzen dragende dagboekschrijvers’, schrijft hij, terwijl Amerikaanse natuurschrijvers als Annie Dillard en Barry Lopez in hun land als popsterren worden gezien en alle grote literatuurprijzen krijgen. Dillard ontving in 1975 de Pulitzer Prize voor Pilgrim at Tinker Creek, Lopez de National Book Award for Nonfiction voor zijn in 1986 verschenen Arctic Dreams.

Macfarlane verlangt in Benedenwereld ‘naar een taal die de bezieling van de wereld erkent en bevordert’

Nu ontkent Macfarlane niet dat er goede redenen zijn voor die vermeende ondergang van het Britse natuurschrijven. Bekend is dat het Britse natuurschrijven rond 1940 besmet raakt door de opkomst van het fascisme in Duitsland. Natuurschrijver Henry Williamson, auteur van de bestseller Tarka the Otter (1927), was een uitgesproken fan van de Hitlerjugend en tussen 1930 en 1950 en lid van de Britse Unie van Fascisten. Het genre kreeg, door Williamson, een fascistische bijsmaak. Maar dat het genre relevantie heeft verloren omdat de Britse natuur niet meer zou bestaan – een volgens Macfarlane veelgehoorde constatering – noemt hij vals. Groot-Brittannië bezit nog genoeg natuur en wildernis. En dat stemt hem in 2003 hoopvol. Een heropleving van het genre is volgens de schrijver dan ook in aantocht.

Vijftien jaar later is het natuurschrijven inderdaad terug. Enkele jaren geleden constateerde The New York Times al dat het Britse natuurhistorische schrijven weer in opkomst was, met kritisch en commercieel succes voor schrijvers als Robert Macfarlane.

Het succes is te merken. Zowel uitgevers als schrijvers zoeken tegenwoordig driftig naar een steunbetuiging van Macfarlane. Het is om die reden inmiddels praktisch onmogelijk om een natuurboek te vinden zonder een Macfarlane- blurb. Zelfs zijn ‘moeilijke’ Twitter-rubriek Word of the Day – een natuurwoord plus definitie – is succesvol op een medium dat vooral gedijt bij gevatheid en aftroeverij. De tweets worden steevast duizenden keren geretweet en geliked. De opgewekte, serene invloed van de ego-loze Macfarlane is overal voelbaar. Hij is een passieve, niet opdringerige influencer.

Zijn grote ambitie is het natuurvocabulaire van zijn lezers te vergroten, in de hoop dat daarmee ook ons begrip van de natuurlijke wereld groeit. In het boek dat onlangs van zijn hand verscheen, Benedenwereld, daalt hij van de bergtoppen uit zijn debuut en de daaropvolgende wandelpaden af naar de grond onder onze voeten. Het brengt hem naar de schimmelnetwerken onder een Londens bos, een ondergronds meer in de Sloveense Alpen en de ‘onzichtbare stad’ onder Parijs. Macfarlane beschrijft die werelden in detail en geeft zijn lezers daarmee het gereedschap die werelden ook te ervaren. Hij verlangt, schrijft hij in Benedenwereld, ‘naar een taal die de bezieling van de wereld erkent en bevordert’. Even verder: ‘Woorden scheppen werelden – en taal is een van de grote geologische krachten van het Antropoceen.’

Macfarlane schrijft als het ware om te helpen. En terloops brengt hij, met die uitgestrekte hand, ook vergeten schrijvers weer voor het voetlicht. Klassieke Britse natuurboeken als Edward Thomas’ The South Country (1906), J.A. Bakers The Peregrine (1967) en Nan Shepherds The Living Mountain (1977) vinden dankzij hem een nieuw publiek. Het maakt van Macfarlane een opvallend sociale schrijver. Boek na boek gooit hij het idee overboord van de natuurschrijver als eenzame misantroop.

Veel van die mensen zijn dan ook zijn voorbeelden. Er zijn weinig reis- en natuurschrijvers die zo rijkelijk strooien met hun inspirational teachers. Zo liet Lopez’ Arctic Dreams hem zien ‘hoe ik moest schrijven’. In Landmarks schrijft hij: ‘De combinatie van natuurwetenschap, antropologie, cultuurgeschiedenis, filosofie, reportage en lyrische observatie bewees dat non-fictie net zo experimenteel in vorm en prachtig in taalgebruik kon zijn als welke roman dan ook.’ ‘Arctic Dreams’, concludeert Macfarlane, ‘veranderde de koers van mijn leven.’

Nan Shepherd, die in haar The Living Mountain Macfarlane’s geliefde Cairngorms vereeuwigde, veranderde de manier waarop hij naar bergen keek. J.A. Baker, een postbeambte die met The Peregrine een ode schreef aan de slechtvalk, veranderde zijn blik op kusten en luchten. Zijn ‘dierbare vriend’ Roger Deakin inspireerde Macfarlane tot het schrijven van zijn essay Holloway en is sinds zijn overlijden in 2006 in al het werk van Macfarlane terug te vinden.

Wandelen is voor hem een sociale daad, het tegengif voor de moderne individualiteit en het hermetisch afgesloten persoonsvervoer. In 2014 zegt hij: ‘Te voet reizen betekent dat je de wereld zonder schild tegemoet treedt. Er is geen beschermend glas of staal tussen jou en het weer, of tussen wie of wat je tegenkomt. Al wandelend op een pad, ontmoet je mensen, praat je met ze. Dat zie ik in een auto niet zo snel gebeuren.’