Willem II and all that

Wandelen met een dandy

Koningin Beatrix liet weten dat zij ‘ontstemd’ was over de manier waarop de historici Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra haar negentiende-eeuwse voorouders hebben geportretteerd. Beatrix heeft een punt. Dit is geschiedenis in de beste traditie van RTL Boulevard.

Door de openstelling van Paleis Soestdijk heeft de geïnteresseerde Nederlander de mogelijkheid een onderbelicht deel van zijn geschiedenis beter te leren kennen. Het Paleis is in 1815 door het Nederlandse volk geschonken aan de prins van Oranje, held van Waterloo, de latere koning Willem II, en in het paleis is veel te zien van zijn militaire carrière, zijn dagelijkse leven en zijn opvattingen. Willem en zijn vrouw Anna Paulowna kregen vijf kinderen, van wie er één in het geboortejaar overleed. Willem spande zich in om zijn kinderen een vrije opvoeding te geven. In de tuinen bij het paleis liet hij modelboerderijtjes bouwen voor zijn dochtertje Sophie en zijn zoon Willem – die zich er later, toen hij koning was, graag op liet voorstaan dat hij had leren melken. Ook op andere gebieden had Willem II bepaald vooruitstrevende ideeën, die hem meer dan eens in botsing brachten met zijn behoudende vader, de koning. In 1818 schreef hij een lange verhandeling, Essai sur le siècle, dans lequel je vis, waarin hij de autocratische regeerders van Europa opriep sterk rekening te houden met de veranderde geest van de tijd, om nieuwe revoluties te voorkomen. Willem II was niet zomaar iemand; door zijn optreden bij Waterloo en zijn huwelijk met Anna Paulowna was hij lid geworden van de echte Europese elite, en zijn naam werd tijdens zijn leven in verband gebracht met de Franse, de Belgische en de Poolse troon. Willem II was terecht nerveus over nieuwe revoluties: in 1830 viel het Franse koningshuis en scheidde België zich van Nederland af, in 1848 wankelden opnieuw overal in Europa de tronen. Er was de Oranjes na hun lange ballingschap veel aan gelegen hun Nederlandse troon te behouden. Hoe de nieuwe constitutionele monarchie moest worden ingevuld, wist eigenlijk niemand. Kortom, deze Willem leefde in een wisselvallig tijdperk, waarin om veel politieke stuurmanskunst werd gevraagd en waarin oude vormen en gedachten snel aan de moderniteit moesten worden aangepast.

Van een afstand bezien hebben Willem II, zijn vader en zijn zoon het er heel redelijk afgebracht. Zij waren bij tijd en wijle koppig en kortzichtig, maar ze bleken intelligent genoeg om op tijd de bakens te verzetten. In 1848 was Willem II zo verstandig om de ingrijpende liberalisering van het land onder Thorbecke te accepteren, en zelfs openlijk te steunen. Daarmee behield hij zijn troon en opende hij de deur voor krachtige economische ontwikkelingen.

De auteurs van Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren hebben echter weinig oog voor die politieke en staatsrechtelijke aspecten. Zij karakteriseren Willem II vooral als een tweeslachtige figuur: ‘Hij hield van vrijheid én van hiërarchie, van soberheid én van pracht en praal (…), hij was gevoelig maar hardvochtig, welwillend maar heerszuchtig (…). Hij gaf persoonlijk geld aan duizenden behoeftigen, maar liet hongeropstanden bloedig neerslaan.’ Daarmee beschrijven zij in feite de spagaat waarin de moderne constitutionele monarch zich ook vandaag bevindt – klem tussen persoonlijke, misschien best vrijzinnige ideeën, en de harde plichten van het ambt – maar zij betrekken die tegenstelling op zijn karakter, niet op zijn positie.

Dat is een merkwaardig oppervlakkige benadering, en het pakt slecht uit. De twee historici hadden toegang tot het Koninklijk Huisarchief, maar tot nieuwe vondsten heeft dat nauwelijks geleid. Zij kozen kennelijk met opzet voor die bronnen die in een geur van roddel en achterklap zijn geschreven, met weglating van andere. Geen spoor, bijvoorbeeld, van Willems Essai. Bovendien hanteren zij een badinerende, bijna sarcastische toon, alsof hun onderwerpen geen historische figuren zijn maar van de werkelijkheid losgezongen celebrities, en daardoor staat hun boek dichter bij Albert Verlinde en Peter van der Vorst dan bij Jan Bank, Hans Bornewasser en Niek van Sas, de historici die kennelijk hun zegen aan het project gaven.

Pijnlijk blijkt die oppervlakkigheid uit de bewijsvoering voor de vermeende homoseksualiteit van Willem II. Er is au fond maar één document, een memo van minister Van Maanen, dat rept van chantage van de prins vanwege ‘schandelijke en onnatuurlijke lusten’. Twee mannen werden gearresteerd en verbannen naar de koloniën; behalve die twee waren er maar vier mensen van de toedracht op de hoogte. Niettemin spreken de auteurs over ‘geruchten over homoseksuele activiteiten’ en vervolgens over ‘het schandaal omtrent diens homoseksuele activiteiten’. Maar was er echt een schandaal en, belangrijker, waren die activiteiten er ook echt? Dat ‘lusten’ in negentiende-eeuwse context werkelijk van alles kunnen betekenen, dat Willem II behalve zijn vijf kinderen nog een handvol bastaards verwekte, dat Anna Paulowna volkomen idolaat van haar man was, dat het enkele feit dat iemand wordt gechanteerd nog niet betekent dat die chantage ook op werkelijkheid gebaseerd is, daaraan gaan Hermans en Hooghiemstra gemakzuchtig voorbij. Als ‘steunbewijs’ voeren zij aan dat de prins een hechte relatie had met een Tilburgse pastoor, dat hij geen maîtresse had en dat de Russische gezant in Brussel schrijft dat de prins wel eens met een ‘dandy’ arm in arm in het park wandelde. En o ja, de prins schijnt snel gehuild te hebben. Het is een redenering die binnen de journalistiek niet door de beugel had gekund.

Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra, Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren: Ooggetuigen van de koningen van Nederland, 1813-1890, Bert Bakker, € 18,95