Wanderer kann man nicht werden

Wil je naar de natuur kijken of sta je er middenin? Dat dilemma is de kern van A Room with a View (1985), de E.M. Forster-verfilming van James Ivory. De jonge, rijke Lucy Honeychurch moet kiezen tussen twee mannen: intellectueel Cecil Vyse die van klassieke muziek en poëzie houdt, of George Emerson de romantische avonturier die in olijfbomen klimt en dan dronken van natuurgeluk ‘Beauty! Truth!’ roept en eruit kukelt. Gaat ze voor de schoonheid van de beschouwing of die van de ervaring?

De film zit vol zintuiglijke scènes in de natuur. Waar elke andere regisseur geknipt zou hebben neemt Ivory alle tijd. We zien Lucy in haar lange rokken door zomerse velden wandelen en George in het bosrijke Engelse platteland. Hier is het landschap alwetend. Telkens blijken deze tochten door vochtig gras en struikgewas een aankondiging van een plottwist, en zo word je als kijker ook verliefd op de oprechte ‘natuurmens’ George. Terwijl de romance zich ontvouwt droom ik van een eigen huisje in het bos met uitzicht op zo’n romantisch vennetje. De zoveelste huurverhoging dreigt ons de stad uit te duwen en een architect vertelde me ooit dat als je een huis bouwt je altijd met de ramen moet beginnen. Zodra het uitzicht vastligt, bouw je de muren er omheen. Een goed geplaatst venster zou zelfs het meest achenebbisj appartementje kunnen opknappen, maar wie zelf een huis bouwt kiest waarschijnlijk voor iets beters.

Andersom kan uitzicht ook teleurstellen. ‘This is not at all what we were led to expect,’ zucht Maggie Smith zoals alleen zij dat kan, in de openingsscène van A Room with a View. Ze heeft net de luiken geopend van de pensionkamer die uitkijkt op een Italiaans steegje. Als chaperonne is de tuttige Charlotte Bartlett met haar nichtje Lucy meegereisd naar Florence. Het is begin twintigste eeuw, toerisme is iets voor de welgestelde klasse en de twee vrouwen kijken gedesillusioneerd naar buiten. Hen was úitzicht beloofd. Wat is een verblijf in Florence zonder zicht op de Arno? Uiteindelijk ruilen ze van kamers met twee andere gasten, de Emersons, vader en zoon, en natuurlijk is dat het begin van de romance tussen Lucy en George.

Natuurlijk is Lucy’s keuze voor een kamer met uitzicht groter dan hij in eerste instantie lijkt. De kamer staat voor afstandelijkheid en de sociale conventies van aristocratisch Engeland, terwijl de natuur het losbreken daarvan en de vrijheid die dat met zich meebrengt symboliseert. George wil niet door een venster naar buiten kijken, hij wil in het moment leven en daarin opgaan. We zien hoe hij in de stortregen naar huis wandelt en daar zelfs een beetje van lijkt te genieten, later in de film gaat hij met twee anderen naaktzwemmen in een vennetje. Het lijkt wel of alle Wanderlust in zijn personage is samengebald, alsof hij zo is weggelopen uit een van de schilderijen in de Alte Nationalgalerie in Berlijn, waar deze week de tentoonstelling Wanderlust opende.

Sinds de oproep van Rousseau om terug te keren naar de natuur hebben beeldend kunstenaars en schrijvers het romantische thema van de wandelaar in de natuur onderzocht. De expositie in Berlijn brengt werk van de vroege negentiende eeuw tot de moderne klassieken samen, maar het posterbeeld is natuurlijk van Caspar David Friedrich: de wandelaar die vanaf een bergtop over een nevelzee uitkijkt. Man en natuur. Grillig en romantisch. We treffen hem op zijn hoogtepunt. Met alleen een wandelstok heeft hij deze berg beklommen. Wandern is niet zomaar wandelen, het is op avontuur gaan, dwalen zonder doel om jezelf en de wereld beter te begrijpen. Alsof de makers van de expositie tegelijkertijd wilden waarschuwen voor zoveel romantiek is er een onheilspellende teaser gemaakt waarin we als in een helikopter door geanimeerde versies van enkele topstukken vliegen. Onder dramatische muziek, en met veel geluidseffecten van onweer en gure wind verschijnen de woorden van Henry David Thoreau die in het Duits nog wat strenger en zelfgenoegzamer klinken: ‘Wanderer kann man nicht werden, man wird als Wanderer geboren.’

Opeens krijg ik medelijden met die arme, stijve Cecil Vyse met zijn gouden brilletje zonder pootjes. In zijn opgeklopte intellectualisme is hij verliefd geworden op een uitzicht, op het idee van een vrouw. Hij geniet zo de Wanderlust-schilderijen en -poëzie dat hij denkt dat hij ermee samenvalt. ‘I somehow think you feel more at home with me in a room,’ zegt hij tegen Lucy wanneer ze een wandeling naar het romantische vennetje hebben gemaakt, ‘never in the real country, like this.’ ‘You are right, when I do think of you, it is always in a room,’ antwoordt zij opgewekt, terwijl ze met haar stoffen parapluutje op een boomstronk aan de oever balanceert.

Het is makkelijk om op een George verliefd te worden en te verlangen naar een huisje in het bos. Ik zag mezelf al met een enorme lijst slepen, op zoek naar de perfecte plek. Maar wie houd ik voor de gek; dat is evengoed kiezen voor een uitzicht? Misschien kunnen we tegenwoordig ook niet anders. Blootgesteld aan eeuwen van Wanderlust, zijn we zo gewend geraakt aan het romantische beeld van de natuur in een kader dat we haar niet meer zonder kunnen zien.