Désanne van Brederode, Mensen met een hobby

Wandtegeltjesproza

Désanne van Brederode

Mensen met een hobby

Uitg. Querido, 404 blz., ƒ45,-

Wie tegenwoordig een roman schrijft waarin grote woorden als waarheid en authenticiteit, verlangen en naastenliefde worden gebruikt op een duidelijk niet-ironische wijze wordt minder hard uitgelachen, of minder pathetisch gevonden dan een paar jaar, of zelfs maanden, terug. Hij of zij wordt misschien zelfs «vooruitstrevend» genoemd. Er is geen enkele reden om romans die zich proberen los te maken van het «ouderwetse» postmoderne regime niet met enthousiasme te begroeten, maar van sommige boeken is toch te hopen dat ze, in godsnaam, nog «gewoon ironisch» bedoeld zijn.

De vierhonderd pagina’s dikke (tweede) roman van Désanne van Brederode, Mensen met een hobby, is zo’n boek dat bol en vol staat van de opgeblazen woorden, en waarvan je je ongemakkelijk afvraagt of het allemaal een parodie is of werkelijk serieus bedoeld.

Het grootste gedeelte van de roman be staat uit de eindeloos uitwaaierende gedachten van het bijna dertigjarige «meisje» Lilly dat haar geld verdient met het invullen van tekstballonnen bij een stripje in een tienerblad. Doordat ook de meest onbetekenende idee tjes en associaties zijn opgeschreven, zit de lezer, op zijn beurt, opgesloten in het gedachtewolkje dat voortdurend aan Lilly’s mond kleeft. Een claustrofobisch gevoel.

Lilly zit voornamelijk thuis te peinzen en te piekeren over «hoe haar leven vorm te geven», en zo oprecht mogelijk de wereld tegemoet te kunnen treden. Sinds ze van de buurman een boekje over de onbekende filosoof Thorwald Hammerson heeft gekregen, probeert ze bijna dwangmatig het gedachtegoed van deze filosoof te koppelen aan haar eigen opvattingen en ervaringen.

Voor aanvang van elk hoofdstuk wordt de lezer op een paar ronkende zinnen van deze zogenaamde filosoof getrakteerd. Deze lezer kreeg daar snel genoeg van. Spreuken als: «Wie zichzelf kan troosten, troost en bemint de wereld», of: «Kunst is de moeder die ons een tweede maal baart», of: «Zoek de naas ten die je passen, want daar alleen past de liefde ook» horen thuis op een wandtegeltje boven de haard, en dat iemand, Lilly, ze seri eus neemt is op z’n minst ongeloofwaardig.

De dood van haar moeder (en de twee miskramen die Lilly heeft gehad) hebben het haar onmogelijk gemaakt om zeker te durven zijn van haar plaats in de wereld, om nog een positie in te nemen. Zowel geschiedenis als toekomst moeten opnieuw, vanuit een nieuw nulpunt, gecreëerd worden. Ze koppelt zich los van het dagelijks leven en het gezelschap van anderen wordt steeds onverdraaglijker voor Lilly. De enige met wie ze zich nog enigszins verbonden voelt, afgezien van Thorwald Hammerson, is haar grote liefde Tom, een fotograaf. Als hij voor zijn werk verplicht moet borrelen met andere «kunstenaars» loert Lilly naar hun roodgeroddelde gezichten; ze verafschuwt hun onoprechtheid, en het gemak waarmee men (ook Tom) zich bedient van hapklare meningen, zonder werkelijk door te denken waarop die zijn gebaseerd — «zo makkelijk mocht nadenken niet zijn»; denken kan voor haar geen hobby zijn voor «erbij». Maar Lilly’s afschuw is ook een beetje afgunst: zij is zelf maar niet in staat om deel te nemen aan «het leven» dat ze in gedachten voorbereidt.

De passages over leurende en zeurende schrijvers lijken soms gebaseerd op niet-fictieve ervaringen, maar dit boek als sleutelroman lezen, biedt geen boeiende leeservaring. De verwijzingen zijn flauw en kinderachtig.

Mensen met een hobby kan ook niet op een andere manier boeien. Het blijft onduidelijk of Van Brederode hier een volwassen filosofisch kunstwerk heeft willen construeren of dat ze juist elke poging tot het schrijven van een volwassen filosofisch kunstwerk belachelijk maakt. Wellicht is dit laatste het geval en hebben we hier zelfs te maken met zelfspot, alleen: om dit duidelijk te maken heeft ze het zich wel heel gemakkelijk gemaakt. We moeten Thorwald Hammersons filosofie misschien niet serieus nemen — nee, we moeten ook Lilly niet serieus nemen, want, zoals Lilly zelf al toegeeft: «Ik denk alleen in clichés», of: «Voor schrijven ben ik niet in de wieg gelegd» (na weer een vreemde metaforenbrij) — maar met die woorden wordt elke gedachte, elk beeld, al bij voorbaat onschadelijk gemaakt. Als dit het thema van de roman moet zijn: jonge, overbewuste vrouw ontdekt dat alles wat ze ziet en hoort, en ook denkt, tweedehands is, dan gaan de kaken van de lezer in de gaapstand staan. Deze thematiek is inmiddels zo uitgekauwd dat het lezen van de (lange, lange) tekst op die manier behoorlijk taai wordt. Het is als roepen dat je niet kunt autorijden, om dit te bewijzen in een auto stappen, tegen een boom knallen en dan huilend roepen dat je toch had gezegd dat je niet kon autorijden — ga dan niet achter het stuur zitten!

Dat deze tweede roman een «grote stap vooruit» zou zijn vergeleken bij Van Brederodes eerste roman, Ave verum corpus (1994), zoals NRC Handelsblad opmerkte, is jammer genoeg niet waar. Mensen met een hobby mist de frisheid, de scherpte, het tempo en de passie van dat debuut. Deze tweede roman lijkt een verzamelalbum van probeersels, (ongecorrigeerde) gedachten en ideeën — zelfs met fouten («Toch ben ik nooit vegetariër geworden, bedacht Lilly» (p.211); «En dat terwijl ze toch lang vegetarisch was geweest» (p.400)) die pas gaan storen als plot, personages en stijl geen compensatie kunnen bieden.