Wanhoopspsalm

Op het omslag staat het schilderij Autoportret van Jean Rustin. Het is een nogal confronterend portret: de schilder is staand afgebeeld, bloot van top tot teen. In een naïef aandoende stijl heeft Rustin zichzelf weergegeven in al zijn schaamteloze naaktheid: hij is onaantrekkelijk, met smalle schouders, een lelijk hangend buikje boven een moedeloos geslacht.

Het is een schilderij waar je tegelijkertijd van wilt weglopen en steeds weer door wordt aangetrokken. Het kale hoofd van de man trekt je blik telkens weer terug naar datzelfde punt: het gezicht, met de veel te grote oren, de scheve mond, de rare, omhooggedrukte neus, en die ogen. Die doen het ’m, de ogen. Ze kijken priemend het schilderij uit, zowel melancholiek als hoogmoedig, eenzaam als vertederend. Naakter kan een mens niet zijn dan Jean Rustin op dit Autoportret.
Een beter omslag had de uitgever niet kunnen kiezen voor Bericht uit Klein Konstantinopel, het zevende boek van J.M.H. Berckmans. Net zomin als de schilder op de cover verhult de schrijver in het boek iets. Hij confronteert de lezer met zijn persoonlijkheid, zijn naakte leven. Als de man op het omslag een naam zou moeten krijgen, zou dat alleen ‘Pafke’ kunnen zijn, naar de hoofdpersoon en halve ik-figuur. Pafke is meer dan het alter ego van de schrijver, het is zijn schaduw, het is hemzelf. Pafke en de verteller vloeien in elkaar over, tot op het niveau van de zin: 'Misschien waren het de walg en de afschuw, de eenzaamheid en de rancune, die van mij Pafke gemaakt hebben wat ik Pafke uiteindelijk geworden ben. Prediker van deze grauwe tijd, apostel van deze onomkeerbare eenzaamheid. Haveloze zot, Mahatma Gandhi, naakt en kaal, annex brilletje, annex flaporen.’
Net als in Berckmans’ eerdere boeken gaat het ook in Bericht uit Klein Konstantinopel in de eerste plaats om stijl. Thematisch blijft alles bij het oude: alle verhalen zijn grimmige verslagen van het leven in een apocalyptische tijd - het Hier en Nu van Pafke. Klein Konstantinopel is Antwerpen, waar Pafke ronddwaalt, in het hart van de Grauwzone.
Pafke bezingt zijn leven, elke vervloekte minuut ervan, in prachtig, typisch Berckmans-proza. Wat hij doet (heen en weer naar de hulpkas, met Harold op de vlucht, slapen, dromen, drinken, in het café zitten) is van minder belang dan de manier waarop het allemaal wordt beschreven. Bericht uit Klein Konstantinopel is een Hooglied van de eenzaamheid, een eindeloze blues op religieuze grondslag, een bijtend getoonzette wanhoopspsalm, een litanie op het ritme van Doem doem doem Dodeskaden. Elke zin heeft ritme en melodie, zodat het boek moeiteloos kan worden voorgezongen. Berckmans schrijft proza dat rijmt, dat dreunt en kreunt, en doorgalmt tot in de verste hoeken van des lezers hoofd, zoals hier, naakt en puur: 'Maar nee, ach nee, doem doem doem Dodeskaden, het zijn slechts woorden in de wind van een klein schraal mannetje dat het goed voor heeft met de mensheid, de mensheid wil verlossen, maar niet kan, niet kan, omdat hij alleen is, niemand naar hem wil luisteren, iedereen denkt dat hij besodemieterd is, doem doem doem Dodeskaden zijn woorden die voor eeuwig verloren zijn gegaan, niets van het voorgaande is waar, alles is een fiktie, een utopie, een droom van slechts nog een handjevol opstandelingen. Die heel, heel binnenkort, ook gehangen zullen worden, en zwiepen.
Pafke en Bieke aan de eerste touwen, nog vers en niet gebruikt.’