Opera: ‘Rodelinda’

Wanhopig jongetje

In Rodelinda zien we de gebeurtenissen door de verbijsterde ogen van het jonge zoontje Flavio, normaal een korte, zwijgende rol. Hier is hij steeds aanwezig op het toneel, ziet en hoort alles en probeert tevergeefs in te grijpen. Fenomenaal gespeeld.

© DNO 2020

In 1725 was componist Georg Friedrich Händel (1685-1759) op het toppunt van zijn roem, zijn Italiaanse opera’s hadden in Londen uitzinnig veel succes en hij haalde uit heel Europa belangrijke zangers en zangeressen naar zijn theater, voor wie hij natuurlijk ook weer de nodige opera’s moest schrijven. In het jaar 1724/25 waren dat er drie: Giulio Cesare, Tamerlano en Rodelinda. De laatste opera is een ingewikkeld verhaal van schijnbare en echte loyaliteit en van werkelijke en vermeende ontrouw.

Rodelinda is een sterke vrouw, haar man Bertarido, de koning van Lombardije is in de oorlog verjaagd en iedereen waant hem dood. Hertog Grimoaldo wil haar trouwen en zo koning worden. Hij dreigt zelfs haar zoontje Flavio te vermoorden. Dapper bluft Rodelinda en zegt hem dat hij dat dan maar eigenhandig en in haar bijzijn moet doen. Corneille schreef er een tragedie over waarop ook Händels opera teruggaat, een intens familieverhaal.

Je kunt de voorstelling die de Duitse regisseur Claus Guth er nu van maakt bij DNO (in coproductie met Madrid, Barcelona, Lyon en Frankfurt) op twee manieren bekijken. Als je van de buitenkant kijkt is het een aantrekkelijk maar rommelig schouwspel, waarbij Guth wordt geïnspireerd door uiteenlopende collega-regisseurs als Peter Sellars (die ook van stijve da capo aria’s levendige scènes maakt), Katie Mitchell (een decor van boven en naast elkaar geplaatste kamertjes) en vooral Simon McBurney. Net als hij gebruikt hij geprojecteerde teksten en tekeningen, die hier ter plekke lijken te worden gemaakt door Flavio, het jonge zoontje van Rodelinda en de verdwenen Bertarido.
Als je meer van binnen uit kijkt, blijkt dat we alles zien door de verbijsterde ogen van dat kleine jongetje, normaal een korte, zwijgende rol. Hier is hij steeds aanwezig op het toneel, ziet en hoort alles en probeert tevergeefs in te grijpen. Hij wordt fenomenaal gespeeld door de Colombiaanse acteur Fabián Augusto Gómez, klein van stuk, en heel herkenbaar als je zelf als klein jongetje wel eens je vader hebt verloren: razend, woedend, wanhopig, met de wildste fantasieën over die rare volwassenen, die we als karikaturen in zijn tekeningen zien en ook als vreemd uitgedoste wezens op het toneel.

Het decor is een monumentaal, wit landhuis dat kan draaien zodat we het van drie kanten kunnen zien, de kostuums zijn stijlvol eigentijds (vormgeving: Christian Schmidt). Soms zijn er fraaie projecties van bomen en struiken. Riccardo Minasi dirigeert het muziekensemble Concerto Köln zorgvuldig en genuanceerd. Middelpunt van de handeling is de krachtige sopraan Lucy Crowe als Rodelinda. Zij is in de rouw en voert op de trap toch een felle strijd met haar schoonzuster Eduige (Katarina Bradić). Ontroerend hoogtepunt is haar afscheidsduet met countertenor Bejun Mehta, die een treurige, eenzame Bertarido neerzet, die in het geheim uit ballingschap terugkeert. Bernard Richter is een levendige usurpator Grimoaldo. Ook de andere zangers zijn uitstekend.

Aan het einde komt alles schijnbaar goed, Bertarido wordt in ere hersteld en herenigd met Rodelinda. Maar als toeschouwer vraag je je af hoe de kleine Flavio de nachtmerries die hij heeft meegemaakt moet verwerken. De prachtige, achttiende-eeuwse opera van Händel is daarmee voor ons ijzingwekkend hedendaags geworden.


De Nationale Opera, Rodelinda, t/m 28 januari in Nationale Opera & Ballet, info: operaballet.nl