Met Tim Krabbé zit je meteen op het puntje van je stoel © Merlijn Doomernik / ANP

Hoofdstuk 1, titel Paradise: oude vergeten filmer, hij heet Mal, wint in Las Vegas bij een gokmachine 250.000 dollar. Vlak bij hem scoort een ‘grijze vrouw’ 12.000 dollar. Ze maken kennis, zij is 73, hij wat ouder. Ze komen allebei uit Nederland. Alweer toeval. Ze gaan Las Vegas in, vertellen elkaar in het kort hun levensgeschiedenis. De man rouwt over de dood van Maxine, zijn vrouw, de grijze vrouw is haar grootste liefde, een Nederlandse schrijver, Giel Labij, altijd net misgelopen. Ze belanden op een plein met feestgangers waar een schutter het vuur opent. Ze sterven.

Wat een larmoyant begin! Toeval, geluk, verloren liefde, rouw, dood, alles bij elkaar niet meer dan 53 pagina’s. Maar dan wel larmoyant omdat ik het in mijn woorden samenvatte, niet in die van Krabbé. Met hem zit je meteen op het puntje van je stoel, ik was bereid al mijn ongeloof achter me te laten. Zijn mannelijke personages zijn nooit helden, ook niet in deze roman, daar begint zijn schrijfkunst mee, ze missen iets, ze kijken cynisch naar de wereld, al laten ze daar tegenover anderen weinig van merken. Vrouwen zijn bij Krabbé wezens in de verte die je in casino’s of in treinen ontmoet en die je in bed moet zien te krijgen. Niet te veel tegen ze zeggen en daarna snel wegwezen. Ondoorgrondelijk blijven.

Mannen zijn bij hem van het onaangename mens-vrezende soort, ze zien vrouwen als wezens van een verre planeet die vaak wel leuke jurken dragen. Mannen zijn bij hem, niet eens in het allerdiepst van hun gedachten, ongegeneerd politiek incorrect. Kortom, nare romanfiguren, maar wel fijn om een tijdje mee op te trekken, aan warme romanfiguren heb je als lezer nu eenmaal niks. Bij Krabbé verlangen ze naar iets. Opvulling van leegte. Zuiverheid. De ultieme liefde. Daar draait het ook nu weer om in dit zwijgzame boek. Gered willen worden, maar waarvan?

Niet te veel tegen vrouwen zeggen en daarna wegwezen

‘Mal liep maar wat, denkend aan Maxine, af en toe bijna botsend tegen iemand die niet Maxine was.’ Zulke zinnen maken bij Krabbé de dienst uit: het woord ‘rouw’ ontbreekt en toch is dit rouwen in optima forma. De sterfscène op het plein in Las Vegas is ongehoord fraai: ‘Stel dat hij nu doodging, dan was dat papiertje het laatste wat hij had gezien. Hij moest het bij zich stoppen als aandenken, maar hij kon er niet bij (…).’

Na dit eerste hoofdstuk zwiept de camera ineens naar schrijver Giel Labij en we krijgen in sneltreinvaart zijn leven voorgeschoteld en ook zijn steeds maar niet helemaal van de grond komende verhouding met Lorette, die we al eerder als ‘de grijze vrouw’ zijn tegengekomen. Hoe ze elkaar ontmoetten: in de trein naar Gouda, hoe ze daar op het station, zonder dat ze elkaar eerder hadden gezien, uit de trein stapten, een hotel opzochten, het bed in doken en daarna snel hun eigen weg gingen. Hoe ze elkaar door de jaren heen terugzagen, hun partners bedrogen, keer op keer, hoe ze zelfs af en toe ‘gelukkig’ waren, als dat tenminste het juiste woord is voor een dergelijke tot niets leidende en op niets uitlopende relatie. Het is in ieder geval geen Krabbé-woord. Hij benoemt geluk niet (dan liever de lucht in) – geluk, ongeluk, wantrouwen en verlorenheid zijn bij hem beschrijvingen van een kamer of wanhopige kussen in een terminal op een vliegveld.

In die Giel Labij kun je delen van Krabbé’s leven terugvinden: de schrijver die ooit een paar succesboeken schreef en daar nu nog op teert. Hij koketteert er niet mee, hij laat Labij er zowel vrolijk als cynisch over zijn. Ook het literaire leven komt voorbij, er valt op dit gebied veel te glimlachen, met als hoogtepunt de grote verwachtingen die Labij heeft rond de Amerikaanse vertaling van een boek. ‘Twee van de drie interviewers die zouden komen verschenen ook werkelijk (…).’ Alweer zo’n ingehouden grap. Een van die twee stelde ‘een van Giels favoriete vragen: ‘Waarom schrijft u?’ Waarop Labij na enig peinzen zijn eigen glazen maar weer eens stevig ingooit: ‘Om de wereld te redden van de onvolmaaktheid waaraan zij zou lijden als mijn boeken er niet waren.’ Flauw, maar toch…

Labij is een onaangenaam mens, het is ook in deze roman niet de bedoeling dat we van hem gaan houden. Weg met Kees de Jongen, dat is Krabbé’s mantra. Labij heeft narcistische trekjes, toont weinig compassie met de medemens en ziet vrouwen als veroverbare entiteiten. Hij probeert tevergeefs aan leegte te ontkomen en maakt van Lorette zijn onvervangbare Grote en Onbereikbare Geliefde. Over Romantiek gesproken.

Labij is schrijver, waarnemer van de wereld, die niet in staat is vast te houden wat hij nooit echt heeft bezeten. En is daar woedend over. Dit is in de grond een sentimentele roman. Ja, daar gaat Lorette, nu voor het laatst, op een lopende band op een vliegveld, weer verdwijnt ze en in Hoofdstuk 1 sterft ze, zonder dat Labij er weet van heeft. Deze roman formuleert een schrijfprogramma dat je tegenwoordig niet vaak meer tegenkomt. Zwijgzaamheid en verlangen. Woede en vergetelheid. Met een schrijver die grossiert in laconiek en krachtig schrijven, boosaardig en grimlachend, scherp en doeltreffend, met zichzelf steeds op het hakblok. Altijd op zoek naar de treffende woorden. ‘In de liefde bestaat schoonheid niet. Dan is de ander alleen maar de ander.’ 