Wankele scheefheden

Een driehoekje is ook een vogeltje, een ronde vorm is een hoofd en andere silhouetten zijn gestalten met zwaaiende benen. Kijk maar naar het werk van Auke de Vries.

Een constructie waarin de samenstellende delen met een rechte hoek aan elkaar vastzitten zul je bij Auke de Vries niet gauw vinden. De grote, hoge sculpturen die we hier en daar zien staan (in Den Haag bijvoorbeeld) lijken te wiegen als slanke palmen – of ze houden zich overeind als figuren op onzekere stelten. Vanaf het moment dat ik het werk beter leerde kennen, was dat verbinden van wankele scheefheden de overwegende indruk die ik ervan had. Dat werd bevestigd toen ik een beeld uit 1987, Zonder titel, weer eens zag, waarin het hele syntactische programma van zijn kunst wordt samengevat, waarin we zien hoe hij zich losmaakt uit de rechthoekigheid van De Stijl. Voor anderen, als Donald Judd of Sol Lewitt, te midden van wier werk ik ook de vrijmoedige assemblages van Auke de Vries toen zag, was de rechte hoek gewoon de meest praktische manier om zonder gedoe twee segmenten met elkaar te verbinden. Daar was er ook maar één van. Bij scheve verbindingen moest je wikken en wegen hoe scheef ze dan moesten zijn en dan ging het weer over gevoelsmatige vormgeving terwijl men die romantiek juist wilde loslaten. Auke de Vries was dus een eigenwijze uitzondering met zijn zo schots en scheef in elkaar gezette assemblages.

Hij maakte ze omdat zulk geknutsel gewoon in zijn aard lag. De werken laten zien dat hij vooral een verteller is van beelden. Kijk eens hier, laat hij ons bij wijze van spreken zien, hier heb ik een verbogen stukje ijzerdraad. Als ik dat nu hier aan dit rare ijzeren plaatje vastmaak en dat laat rusten op dit kromme balkje dat hier toevallig net lag, dan – maar onder aan dat balkje, op de bodem, moet dit driehoekje worden vastgemaakt, anders valt het figuurtje om. Zo moeten we, denk ik, ook naar die dingen kijken, de vertelling volgen en stap voor stap ontcijferen. Een beeld als Zonder titel is slank en bevallig (een voorzichtig balanceren van bewegingen en schijnbewegingen) maar het zit ook wonderlijk gammel in elkaar.

Wat we zien is vreemd. Maar zou de vertelling van grillige vormen en fragmenten en ook tussenruimtes net zoals deze woorden rustig van links naar rechts kabbelen? Zo te zien bestaat het ding in grote lijnen uit tegen elkaar leunende groeperingen van vorm die tegelijkertijd elkaar ook overeind houden. Links is er die uit grijs plaatijzer gesneden vorm met, in de buigzame contour, een suggestieve beweeglijkheid. Dat komt eigenlijk door de ranke gestalte van die vorm. Van onderen, op de grond, is het ding smal. Dan beweegt de gestalte schuin naar rechts en naar boven waarbij hij geleidelijk breder en ronder wordt. Ik heb deze vorm altijd als een stilering van een menselijke figuur beschouwd. Het enige antropomorfe stuk in het ensemble eigenlijk. Een lenig been van een danser, bijvoorbeeld, dat ten opzichte van de ruimte verder in het beeld een kleine stap naar voren lijkt te doen. De figuur balanceert op de bodem tegen een metalen strip die, schuin naar boven lopend, aan de andere kant verbonden is met een geknotte metalen driehoek. Aan de bovenkant hangt hij tegen twee strips, gekreukeld en geknakt, die maar net vastzitten aan een rechthoekig raamwerk dat op een licht gekantelde metalen plank rust die aan de linkerhoek omhoog wordt gehouden door een strakke strip (met nog een parmantige, tweede pas opzij) die onderaan weer verbonden is met de afgesneden driehoek. Vanaf dat raamwerk steekt een smalle, metalen vorm schuin rechts naar voren die dan zelf ook weer, voor zich uit, een stuk vasthoudt dat in perspectief op een tafelblad lijkt en zelf op twee dunne, wankele poten staat waarvan de platte voeten achter- en vooruit steken.

Overigens lijkt het silhouet van die verbinding tussen raamwerk en schuin tafelblad in vorm ook op de staande figuur links. Het is er bijna een verkleinde versie van. Je ziet tussen de contouren van de twee fragmenten een mooi rijm. Ornamentale elementen zijn niet ongewoon in de sierlijke beeldtaal van Auke de Vries.

De zwaardere elementen houden elkaar stevig vast en worden overeind gehouden door sliertige, blikken lijnen die dwars door de sculptuur heen en weer bewegen. Ze maken ruimte voor vertellende handelingen: hoe, bijvoorbeeld, ter linkerzijde die stevige en slanke danser schuin naar rechts geleund staat om zo, samen met de afgeknotte driehoek (zijn makker), de groepering van de naar links leunende tafel­bladen (met het raamwerk) tegenwicht te geven. De horizontale lijnen die achter en voor elkaar langs bewegen, hoor ik de verteller, vormen een choreografisch raster, transparant als een spinnenweb, waarin de grotere vormen vrij op hun plaats kunnen hangen om te doen wat ze in de zin hebben. Omdat de verbeelding nooit stopt, begin ik verder nog te fantaseren dat die ranke figuur links (toch de protagonist in het spektakel) als dompteur optreedt die de andere figuren hun plaats wijst of van plaats laat veranderen – zoals het ook zomaar in vertellingen kan gebeuren dat poppen ’s nachts tot een geheim leven komen. Maar er zijn beelden, zoals van Brancusi of Judd, waarvan de gestalte zo uitgedacht en gesloten is dat ze als het ware onverbiddelijk en zwijgzaam worden. Deze kunst gaat een heel andere kant op want in zijn grillige stijl worden merkwaardigerwijs alle elementen en details, al zijn ze allemaal abstract, ook steeds figuratief. Een driehoekje is ook een vogeltje, een ronde vorm een hoofd en andere silhouetten, hebben we gezien, zijn gestalten met zwaaiende benen. Dat wil zeggen: kijk zelf maar verder.


PS Een overzicht van Auke de Vries is deze zomer te zien in Museum Belvedère in Heerenveen. De catalogus van het werk is verschenen bij NAi