Wankelmoedige held

Nu de bloeddoorlopen verhalen over klassieke vechtersbazen - Odysseus, Hector en Achilles, Aeneas en de zijnen, Arthur en zijn ridders - allemaal weer voor kinderen verkrijgbaar zijn, werd het tijd voor een held van eigen bodem. Wij hebben Michiel de Ruyter, Van Speyk en Kenau Simonsdochter Hasselaar, maar geen schrijvers die hen een werkelijk heldhaftige en klassieke allure hebben weten mee te geven. Gelukkig zijn Gysbreght van Aemstel en Joost van den Vondel er nog. Meer dan driehonderd jaar hebben de gegoede Amsterdammers op 1 januari braaf in de schouwburg gezeten, maar de afgelopen decennia kwam de klad in wat toneelcriticus Jac Heijer ooit zo mooi typeerde als ‘een sonoor klinkende plechtigheid op afgemeten versvoeten’.

Toch maakt bewerker Edward van de Vendel zijn keuze voor de Heer van Aemstel helemaal waar. Gijsbrecht is een held, zij het een wankelmoedige, maar dat maakt hem sympathiek en passend in een tijd waarin God en geboortegrond als ‘opdrachtgevers’ minder invoelbaar zijn dan ten tijde van Heemskerk, Vianen en Van Egmond. Hij is omgeven door sterke figuren als zijn dappere broer Arend, de nonnen en de oude Gozewijn, die van geen wijken weten voor de verraderlijke vijand, en niet te vergeten Badeloch, die vecht voor het behoud van haar liefde. Haar beruchte zinnetje 'Ick zou voor eenen man wel bey mijn kinders geven’ liet de bewerker haar (ter wille van het jeugdige publiek?) inslikken.
Van de Vendel handhaaft de verhaallijn in vijf bedrijven en laat als bij Vondel de gruwelijke slachtpartijen achteraf meeslepend vertellen door wie wist te overleven. Afgezien van de slotregels 'Vaer wel, mijn Aemsterland, verwacht een andren heer’ is in de vorm weinig Vondel terug te vinden. De reien 'Waer werd oprechter trouw dan tusschen man en vrouw ter weereld oit gevonden?’ of 'O Kerstnacht schooner dan de daegen’ zijn verdwenen, evenals de alexandrijnen. Het verhaal wordt verteld in geserreerd proza dat hier en daar bijna ongemerkt indikt tot een soort poëzie. Van de Vendel schrijft helder en beeldend en is vindingrijk in het combineren van archaïsche taalelementen - 'ik heb uw goedertieren aandacht niet verdiend’ - met hedendaagse: 'Floris sloeg voortdurend verse ridders.’
De belangrijkste ingreep is dat Gijsbrecht geen toneel meer is. We worden bij de hand genomen door een alwetende verteller die ons laat kijken naar een veertiende-eeuwse man die worstelt met zijn macht en het verlies ervan. Toch heb ik het drama van Gijsbrecht nog niet eerder zo duidelijk ervaren als hier. De enige afbreuk is de toegevoegde en totaal overbodige scène waarin Gijsbrechts zoon zich afvraagt of hij ook een held zal worden.
Voor het échte theater zorgt Hanneke van der Hoeven. Zij omkadert de tekst met breed uitwaaierende taferelen vol actie en beweging. Daar wordt gestreden, geleefd en geliefd. Mooi zijn ze niet, die pikzwart getekende figuren: scheef, onhandig en afgesneden, als in het leven zelf. En met zijn kale spitse kop en wapperend marionettelijf is Van der Hoevens Gijsbrecht vanaf pagina één de zichtbare ontkenning van zijn ter discussie staande heldenstatus.