‘wanneer begint een mens smaak te krijgen?’

ALS GEEN ANDER verstaat Nicolaas Matsier de kunst om het alledaagse, om allerlei schijnbaar onbeduidende voorwerpen, routineuze gebaren en betekenisloze gebeurtenissen los te weken uit rituele gewoonten en er de glans van iets bijzonders aan te geven. Schijnbaar moeiteloos roept zijn orfische pen ongeziene werelden op - ongezien ook in de betekenis van onaanzienlijk. En even fascinerend weet hij ook de dingen die op het punt van verdwijnen staan, en soms zelfs al vergeten lijken, tot in details weer in herinnering te brengen. Met hoeveel aandacht, nieuwsgierigheid en liefde hij een verleden kan oproepen of reconstrueren, liet Gesloten huis al zien, de roman die twee jaar geleden met een record aantal nominaties is overladen en terecht twee prijzen won. Het puinruimen dat hij daarin beschrijft in verband met de verkoop van het ouderlijk huis, heeft hem ruimschoots de gelegenheid gegeven om zijn talent voor het aanwezig maken van het gewone te etaleren.

Het is een talent dat hij deelt met de schilders van stillevens uit de zeventiende eeuw. Met zijn bewondering voor iemand als Van Hoogstraten, die hij prijst ‘om de flonkering waarmee hij doodgewoonheid wist te bekleden’, plaatst hij zich bewust in hun traditie.
VOOR MATSIER is een 'onbewaakt ogenblik’ ondenkbaar, hij is er zelf teveel de geschiedschrijver van, zo laat zijn nieuwe publikatie Dicht bij huis zien. Wat vertrouwd is, maakt hij met zijn speelse geest in een oogwenk vreemd, ongerijmd, raadselachtig, of het nu het gebruik van de fietsbel is, de zakdoek, elleboogstukken, het eigen humeur of de lus om een jas aan op te hangen.
Wat inmiddels in de vergetelheid is geraakt, zoals de loper waarmee vroeger heel wat deuren konden worden geopend, het houten verlengstuk aan de wc-deur dat in de Jordaan 'barbiertje’ werd genoemd, de mode van de Coupe César uit de tijd van het existentialisme, de nouvelle vague, en het verkeersexamen van weleer, daar maakt hij ons met een paar sierlijke formuleringen weer vertrouwd mee.
Hij probeert van de kleinste kleinigheden de betekenis, bestaansgrond of geschiedenis te achterhalen. Daarbij gaat zijn belangstelling uit naar diverse onderwerpen, zoals de komma in een zin en het zwellen en ontluiken van een bloemknop - dat hem verleidt tot een ode op de zogenaamde 'tussentijd’ de periode tussen nog niet bestaan en vergaan). Maar ook de cultuur geschiedenis van de baar, of zijn moeders boodschappenverhalen, die een oervorm van het vertellen vertegenwoordigen, weten de belangstelling van Matsier te wekken.
De belangrijkste eigenschap van Matsier is zijn beschikbaarheid, zijn vermogen om over zichzelf te schrijven als een tandartspatiënt - 'een en al zintuig, gevoel, gehoor, neus en oog’ te kunnen zijn. Duizenden vragen buitelen hem door zijn hoofd, aanloopjes tot gedachten, opzetjes voor geschiedenissen en theorieën die op de lezer moeten worden overdragen. Een beetje opvoeder zijn, daar is hij helemaal niet vies van: 'Hoe oud is de minuut eigenlijk?’ 'Welp, kabouter en verkenner, waar zijn ze gebleven?’ 'Wanneer begint een mens smaak te krijgen?’ Simpele vragen zonder eenduidige antwoorden, waar integendeel een verbijsterende complexiteit achter schuilgaat.
DICHT BIJ HUIS, de titel verraadt verwantschap met de roman Gesloten huis. Maakt dat het boek een vervolg op zijn voorganger? Nee, want het gaat hier niet om een roman met kop en staart, maar eerder om een bundeling mini-essays, voor het grootste deel stukken die tussen 1978 en 1996 in nogal wisselende frequentie zijn verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad. Het zijn meer columns, maar zo noemt hij ze uitdrukkelijk niet. Mogelijk omdat Matsier niet zoveel op heeft met het irritant gelijkhebberige en betweterige toontje dat nogal eens aan dit genre kleeft. Daarvoor zit er te veel relativering en ironie in zijn eigen stijl, te veel geest en zelfspot.
Matsier is in deze stukken ongemeen geestig. Er valt heel wat te lachen.Toch sluiten beide boeken op elkaar aan. Het is zelfs heel goed mogelijk om de bundel, waarin het autobiografische element opnieuw prominent aanwezig is, te lezen als een roman. Een roman waarin de zoon, na afscheid genomen te hebben van zijn ouders, nu zelf de ouderrol vervult. Hij is vader van twee dochters en geniet van het leven in harmonie met zijn gezin. Hij oefent zich alvast in de kunst van het verliezen, wat hij een voorbereiding noemt op de kunst van het heengaan. De bundel is als een roman waarin de cohesie nu eens niet tot stand komt dank zij de rode draad in het verhaal, maar voortkomt uit het observerende vermogen van de hoofdrolspeler - een huisman en schrijver.
IN DE TITEL worden Matsiers werkzaamheden vrij ondubbelzinnig samengevat. In de bundel staat iemand centraal die zich stevig met het huishouden bemoeit: hij doet boodschappen, kookt, verzorgt vrouw, kinderen en katten en ruimt de boel in huis op.
Het huis staat aan de rand van de Jordaan, en dat is geheel in overeenstemming met het interessegebied van de ik-verteller: het marginale. 'Ik houd van de rand’, bekent hij al op de eerste pagina in een verhaal over de buurt. Het huis is zijn uitkijkpost. Van daaruit bekijkt hij de buurtactiviteiten, bijvoorbeeld als er kermis is.
Al doende verliest hij zich in bijzonderheden, doet ontdekkin gen, komt op ideeën, betrapt zichzelf op zonderling gedrag en doet daar aanstekelijk verslag van. Zo geeft hij een hem volkomen onbekende Algerijn voor een nacht onderdak, fietst zich lens achter een straatrover aan, omdat hij de kreet 'Houdt de dief!’ heeft gehoord, laat zijn dochtertje per abuis aan haar lot over, en beschrijft de problemen die kunnen ontstaan uit het aannemen van een pseudoniem.
Hij bedenkt dat 'een sleutelbloem van het vroegere wonen’ een mooi onderwerp voor een vanitas-stilleven zou zijn, en krijgt na een bezoek aan Groningen het idee voor een cultuurgeschiedenis van de groet. 'Daar kun je plotseling behoefte aan hebben. Een definitieve studie van de groetgrens en de gelukte groet, groetfrequentie en groetverplichting. Groet en stad. Groet en identiteit. Wanneer groet men, wie en waarom?Waar wel en waar niet? Is de groet een recht, een plicht, een geschenk? En niet te vergeten: de groet in historisch perspectief.’
VERDER DAN aanzetten tot dit soort geschiedenissen komt het uiteraard niet. Of hij ze zou willen en kunnen schrijven, is ook maar de vraag. Zijn denken is vooral flaneren, het kent richting noch doel en al zeker niet de drijfveer om iets uitputtend te behandelen of definitief vast te leggen. Niet voor niets koestert Matsier bewondering voor iemand als Henri-Frédéric Amiel, een Geneefse hoogleraar in esthetica en filosofie die ruim dertig jaar lang een journal intime bijhield. In twaalf delen, elk duizend tot veertienhonderd pagina’s dik, schreef hij zijn leven. Terwijl de handen jeuken om het te vertalen, is er daarnaast de 'melancholie om het niet geleefde leven’.
Jaloerser dan op deze prestatie toont hij zich op zijn kat Foti, waarvan hij vermoedt dat ze gelukkiger is dan de gelukkigste kunstenaar: 'Altijd in het voorportaal van de kunst, doorlopend in het genot van aanschouwing en idee. De poezen, zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt hun hemelse Vader hen.’
Al is Dicht bij huis feitelijk een bundeling van strooigoed, het boek is desondanks hecht qua samenhang. Het is het werk van een opmerkelijk colorist, van iemand met een vloeiende, transparante stijl, die trefzeker formuleert, voortdurend appelleert aan ons vermogen om mee te denken, en een grootmeester is in het uitspelen van het non-heroïsche motief.