Profiel: Touria Meliani

‘Wanneer zijn we verleerd met elkaar te dansen?’

Voor Touria Meliani, wethouder van Amsterdam met onder andere kunst en cultuur in haar omvangrijke portefeuille, houden de stedelijke beslommeringen niet op bij de Ring. ‘Wát nou randen van de stad?’

‘Ik heb altijd gedacht dat ik dingen moest achterlaten om vooruit te komen. Dat is niet zo. Je moet juist alles meesleuren’

Toen Touria Meliani (49) net in Amsterdam woonde, bezocht ze de film Les silences du palais van de befaamde Tunesische regisseuse Moufida Tlatli in filmhuis Cinecenter achter het Leidseplein. Het was 1994. Vettige straatstenen plakten onder haar schoenen. Het was de tijd van Club Roxy, waarin alles mocht en nog meer kon. Krakers bezaten grote delen van het centrum. Op straat kon het nog donker zijn, zonder kunstig uitgelichte gebouwen. Wijken als de Pijp of de Baarsjes waren even volks als veelkleurig.

‘De film speelde zich af in een door Frankrijk gekolonialiseerd Tunesië en ging over een rijk gezin dat in de bovenste vertrekken van een herenhuis woonde’, herinnert ze zich. ‘Op de benedenverdieping waren de bedienden gehuisvest. Het was die onderwereld die mijn hart stal. De bey, de heer des huizes, had een affaire met een van de bediendes bij wie hij een dochter verwekte. Iedereen wist ervan, maar niemand sprak erover. Toen het meisje begon te menstrueren nam de zorg toe. Net als haar moeder was ze niet langer veilig voor gretige mannenhanden. Ze zong echter als een nachtegaal en in een poging het huis te ontvluchten werd ze artiest op de soirées van de Tunesische elite.

Daar zat ik voor in de bioscoop, midden in die onaangeharkte stad die de veiligheid van de anonimiteit gaf en me tegelijkertijd een gevoel van welkom gaf. Ik huilde van begin tot eind. Alles kwam samen: het gevoel van alleen zijn, na zoveel strijd loskomen van mijn achtergrond, eindelijk wonen in mijn droomstad, alles mogen laten gaan en dat op de klanken van de Egyptische diva Oum Kalthoum die mijn moeder tijdens het koken draaide. Toen ik na de film naar buiten liep was Amsterdam geen grote stad meer, maar een klein, veilig thuis. Er lagen verdwaalde vuilniszakken op straat, een peuk hier, kauwgom daar. Het hoorde er allemaal bij. Net zoals in die film de benedenwereld die alles droeg en de bovenwereld van pracht en praal nooit ver uit elkaar lagen.’

Ze vervolgt met een verdwaalde glimlach: ‘Die dag was een van de weinige momenten dat ik echt één was met mijzelf. Ik kwam tien keer thuis.’

Zou eenzelfde Touria van toen nu, zoveel jaar later, hier nog steeds zo kunnen thuiskomen? vraag ik.

Er volgt een korte stilte: ‘Ze zou niet eens een woning vinden.’

Meliani was zes jaar toen ze met haar moeder, broer en vier zussen vanuit het Noord-Marokkaanse, Arabisch-joodse dorpje Debdoub in Winterswijk belandde. Haar vader, die daar toen al als gastarbeider werkzaam was, keerde twee jaar later terug naar Marokko. Moeder bleef met zes kinderen achter. ‘Mijn moeder ging meteen werken en nam Nederlandse les. Ze wist niet eens van het bestaan van een uitkering af. We waren een van de eerste Marokkaanse gezinnen in Winterswijk. Mijn moeder was de enige vrouw in de lokale gemeenschap die gescheiden was, werkte, fietste. Dat laatste had ze direct bij aankomst van mijn vader geleerd. Ze is in haar werkende leven slechts anderhalf jaar werkloos geweest. Dat vond ze zo erg dat ze stampvoetend naar het uitzendbureau vertrok. “Ik wil nu een baan!” zei ze terwijl ze met de vuist op tafel sloeg. Dat heb ik meegekregen. Zo ben ik ook.’

Nu is Meliani wethouder met de omvangrijke portefeuille kunst en cultuur, monumenten en archeologie, gemeentelijk vastgoed, personeel en organisatie (de gemeente Amsterdam is met veertienduizend werknemers de grootste werkgever in de stad), dienstverlening, lokale media, ict/digitale stad én stadsdeel Nieuw-West. Meliani werkt met gemak zeventig tot tachtig uur per week en wil van geen vermoeidheid weten. We eten haastig curry in een klein Thais restaurantje op de Zeedijk, terwijl ze zich van het ene naar het andere werkbezoek haast – als je Meliani niet dwingt slaat ze lunch en diner over en werkt ze tijdens de vakantie door.

Meliani werd verliefd op Amsterdam op haar zestiende. ‘Ik vergezelde mijn moeder naar het Marokkaanse consulaat. We liepen over de Overtoom. Vol verwondering keek ik naar al die prachtige uitersten en scherpe contrasten. Die rommel, die chaos. Zoveel Marokkanen bij elkaar. Zoveel mensen die op mij leken. Eindelijk herkenning. In 1998 kwam ik ik in dezelfde buurt wonen. Die was toen al flink veranderd. Eens kwam je overal in Amsterdam allerlei verschillende mensen tegen, nu is dat op steeds minder plekken het geval.’

Ze was jarenlang stil lid van GroenLinks en was niet eerder politiek actief. De partij benaderde haar voor de functie. Meliani scoorde hoge ogen met haar inspanningen voor de ontwikkeling van de Tolhuistuin als creatieve broedplaats in Amsterdam-Noord, waar grote namen als Typhoon hun eerste stapjes naar de top zetten. Vooral in de laatste vijf jaar – toen ze de eerste (en meteen laatste) Marokkaans-Nederlandse directeur van een middelgrote cultuurinstelling was – zette ze een nieuwe norm voor divers en inclusief programmeren neer.

In haar ruime werkkamer in de gerenoveerde vleugel van het stadhuis, die weinig onder doet voor een hipster-koffiebar met antracietkleurige muren, veel glas en staal, hangende planten en banken met halfhoge rugsteunen, zit wethouder Touria Meliani vorstelijk op haar stoel. De kunst die bij een eerder bezoek nog op de grond stond is opgehangen. De kamerindeling is bij elk volgend bezoek omgegooid. ‘Ik maak constant nieuwe zitjes’, zegt ze. Het is niet eenvoudig de wethouder in haar werkkamer te spreken. Ze is voortdurend op pad. ‘Hoe weet ik anders wat er in de stad leeft? Ik vind aanraakbaarheid heel belangrijk.’

Meliani heeft haar (voor)ouders meegenomen. Te midden van al het strakke design wijst ze me op oude zwart-witfoto’s van haar vader en moeder. Op tafel staat een Marokkaanse theepot, op het dressoir ligt een verkleurd boek met bladmuziek van Oum Kalthoum, op de grond een felgekleurd kleed. Ook op haar stoel ligt een kleed met fluorescerende kleuren. ‘Geweven van de wol die mijn moeder in de rivier waste terwijl ik daar als jong meisje zwom. Ze heeft die wol naar een groot weefgetouw gestuurd om er dit kleed van te maken en het vervolgens meegenomen naar Nederland. Hier zit ik dan als Marokkaans-Nederlandse vrouw, geboren in een klein gehucht, als wethouder van deze stad met het kleed van de wol van mijn moeder onder mijn voeten.’

Meliani’s verhaal inspireert maar roept ook vragen op. Waarom is het zo bijzonder dat een Marokkaans-Nederlandse vrouw wethouder wordt in een stad waar één op de twee inwoners niet-wit is en 180 nationaliteiten vertegenwoordigd zijn? ‘Als Noord-Afrikanen hebben we een wij-gevoel. Dus het succes van mijn zus is het succes van ons allen’, zegt jongere zus Amina Meliani. ‘Ik was zo trots toen ik het nieuws hoorde. In een flits zag ik onze hele familiegeschiedenis. Maar ik dacht ook: de gemeente mag heel blij zijn met Touria. Ons verhaal begint niet bij onze migratie naar Nederland. Onze overgrootmoeder was een Algerijnse prinses.’

‘Als ik iets wil is het dat de generatie van nu niet diezelfde lange weg hoeft af te leggen als ik’, zegt Touria Meliani zelf. ‘Ik wil dat iemand als Romaisa die op het Barlaeus Gymnasium zit, superintelligent is en deelneemt aan Stichting Slaag Altijd – een initiatief van Marokkaans-Nederlandse studenten die zich tijdens hun studie in Delft niet thuis voelden in het studentencorps en huiswerk- en levensloopbegeleiding voor jonge leerlingen opzetten – straks de manager is van de Nationale Opera. Dat ze kan zeggen: “Ik run deze plek”, en dat niemand dat raar of bijzonder vindt.’

Maar nu is dat het wél en dus gaat het ongewild toch over afkomst. Meliani toont zich tijdens haar beëdiging op 30 mei bewust van haar positie. ‘Dat ik hier sta is niet vanzelfsprekend (…) Door wie ik ben en waar ik vandaan kom, heb ik jong geleerd dat mijn aanwezigheid niet altijd vanzelfsprekend wordt gevonden binnen de werelden waarin ik mij begeef, ook hoor ik niet helemaal bij de wereld waar ik vandaan kom. Ik ken geen gebaande paden voor mijn leven. Ik heb mijn studie nooit afgemaakt. Heb de wereld werkend en struikelend leren kennen. Ik had tot voor kort niet durven dromen dat ik hier nu sta. Dat ook deze wereld een wereld is waarin ik mag zijn. Hierin sta ik niet alleen.’

Aan het eind van haar speech bedankt Meliani haar moeder, die haar dochter na afloop bij beide wangen vastpakt en kusjes geeft. ‘Ik heb me jaren tegen mijn moeder verzet, maar tegelijk staat ze als boegbeeld voor een hele generatie gastarbeiders die hier volgend jaar mei vijftig jaar zijn’, zegt Meliani. ‘Ook zij zijn cultureel erfgoed van Nederland. Hun verhaal hoort deel uit te maken van onze canon. Mijn moeder komt uit een gezin van veertien kinderen. Maar ze wist wie ze was. “Dit zijn mijn kinderen en die ga ik opvoeden.” En dat heeft ze gedaan, naar beste kunnen, in dit land, zonder hulp. Ze is een overlever. Een krachtpatser. Een wonder eigenlijk.’

Tijdens de eerste nachten na haar aantreden ligt Meliani slapeloos wakker en ze denkt aan haar moeder. ‘Het aannemen van deze functie is de allergrootste stap die ik ooit buiten mijn comfortzone heb gezet. Al kende ik dat gevoel van mijn eerdere directeurschap, dit is een ongemak van een totaal andere orde. Ik besef nu beter hoe de migratie voor mijn moeder moet zijn geweest. Ik heb geen ervaring in de raad. Ik ben niet gepokt en gemazeld in de politiek. Ik weet niet wat het is om bestuurder van deze stad te zijn. Ik weet alleen wat het is om hier te wonen, te maken en creëren, subsidies aan te vragen en netjes af te rekenen, hoe het is om in een wijk vanuit een grassroots-project een organisatie op te zetten, hoe je een heel gebied kunt aanjagen via een cultuurinstelling – er kwam wat dat betreft veel meer bij mijn werk kijken dan een regulier directeurschap. Maar de huidige verantwoordelijkheid is van zo’n andere orde.’

‘Ik ken geen gebaande paden voor mijn leven. Ik heb mijn studie nooit afgemaakt, de wereld werkend en struikelend leren kennen’

Ze is van nature gewend zich tussen verschillende werelden te bewegen, maar het aantal is flink toegenomen. ’Er is de wereld van het ambtenarenapparaat, de gemeenteraad, het college, de belangenorganisatie, de stad.’ En dan zijn er de praktische gewenningen, zoals de urenlange raadsvergaderingen, de stapels rapporten en beleidsnota’s. Tegelijk geniet ze zichtbaar van de rol die haar bij iedere vervolgafspraak beter lijkt te passen. ‘Eindelijk heb ik de mogelijkheid de kunstwereld aan de beleidskant te ontginnen en uiteenlopende werkvelden en disciplines met elkaar te verbinden. Zonder dat ik het wist heb ik hier mijn hele leven voor gewerkt.’

Meliani verkeert in een spagaat als het om haar afkomst gaat. Enerzijds is ze zich bewust van haar uitzonderlijke positie als biculturele wethouder, anderzijds wil ze helemaal niet tot haar identiteit worden gereduceerd. ‘Mijn perspectief en achtergrond zorgen ervoor dat mijn startpunt van het gesprek heel anders is. Dat merkte ik bijvoorbeeld bij mijn werkbezoek aan vijftig Marokkaans-Nederlandse moeders in Nieuw-West’, vertelt ze. Ze had graag haar geliefde Noord in haar portefeuille gehad, maar koos uiteindelijk bewust voor Nieuw-West. ‘Natuurlijk ben ik wethouder van de hele stad’, benadrukt ze, ‘en ik houd ook van heel Amsterdam, maar dit is het stadsdeel waar je alles vindt.’

Het werkbezoek aan de Marokkaans-Nederlandse moeders was de aftrap van Meliani’s plan om samen met stadsdeelvoorzitter Emre Ünver, stadsdeelbestuurders en enkele ambtenaren elke maand in het stadsdeel werkbezoeken te houden of met bewoners in gesprek te gaan om zo toegankelijk en bereikbaar te zijn.

‘De moeders kregen voorlichting over de gevaren van grooming, sexting en exposing en hoe dit op een goede manier bespreekbaar te maken. De meeste vrouwen waren in shock. Ik legde ze uit dat diezelfde telefoon hen echter ook in staat stelt met hun familie in Marokko te bellen en liet de noodzaak van het doorbreken van de schaamtecultuur zien. Ik ken die schaamte zo goed. Omdat ik me niet gedroeg als van een Marokkaanse vrouw verwacht wordt. Omdat ik met een niet-moslim was destijds, met mijn eerste witte vriendje. Maar ook de schaamte die je voelt wanneer je in een omgeving belandt met allemaal mensen met een creatieve achtergrond en de juiste woorden mist. Dan zit je daar en denk je: ik ken al die meesters niet, maar ik vind het ook mooi.’ Geaffecteerd: ‘Als kind heb je dan echt nodig dat mensen niet reageren met: “Goh, ken je dat niet?” Maar dat iemand opstaat en zegt: “Dit is van jou. Kom, ik neem je bij de hand.” Dat bedoel ik met begrijpen wat iemands startpunt is. Het is de enige manier om mensen echt onderdeel te laten zijn van een plek.’

Touria Meliani in haar werkkamer in het stadhuis van Amsterdam. Het wollen kleed is door haar moeder gemaakt

‘O, wat ben ik blij jullie te zien’, zegt een Turks-Nederlands gemeenteraadslid bij de drukke opening van Monumentendag terwijl hij zich een weg baant door de menigte. ‘Ik was al bang weer de enige van kleur te zijn.’ Tijdens de speech van Meliani stoot hij me aan. ‘Het doet me veel om haar daar te zien staan. Kippenvel.’

Meliani wisselt met gemak van het perspectief van een bicultureel transgender persoon naar het lot van een oudere witte Amsterdammer die het allemaal niet meer zo goed horen kan. ‘Ik kan me soms sterk verwend voelen met de generatie van mijn Hollandse schoonmoeder van 85, die ook voor elementaire vrijheden heeft moeten vechten, voor de liefde koos en religieuze opvattingen moest trotseren door als katholiek met een atheïst te trouwen en strijd moest leveren om na haar huwelijk nog te mogen werken. Er wordt vaak gedacht dat mensen met een migratie-achtergrond achterlopen, maar dat is niet zo. Je loopt juist parallel met heel veel andere levens, waardoor je kunt voelen waar iemand anders staat. Als je echt leed kent, kun je je vaak ook in het leed van de ander inleven en daardoor snel zien waar mensen doorheen gaan.’

Het pijnlijkste wat Meliani ooit meemaakte was het verlies van haar één jaar oudere broer die bij een ongeluk in 2005 plotseling overleed. ‘Ik denk altijd aan Hakim’, zegt ze met zachte stem. ‘Ik praat ook wel eens tegen hem. Hij was een groot geschenk. Het verlies zal altijd blijven. We hadden maar één man in ons leven en dat was onze broer en die is niet meer.’ Ze zucht luid. ‘Ik geloof dat er wel een balans moet zijn tussen vrouwen en mannen. Ik heb dat te weinig gezien in mijn jeugd. Ik heb veel vrouwen meegemaakt.’ Er volgt een lange stilte. ‘Rouwen doe je een leven lang. Mensen van wie je houdt kunnen echt in je zitten. Het is net alsof je jezelf daarna moet meeslepen om vooruit te komen. Het is het allerzwaarste wat ik ooit heb meegemaakt.’

De gave om de pijn van de ander te voelen wordt goed zichtbaar tijdens de werkbezoeken waarbij ik de wethouder vergezel. Meliani komt herhaaldelijk in actie tijdens de Pride-week, waar ze op Roze Kwaku in een stampvolle, bloedhete tent veel langer blijft zitten dan noodzakelijk (‘ssst, stil zijn hoor, dit debat is zo belangrijk’) en tijdens de lancering van Transgender United Nederland, een netwerk van transgender personen van kleur, een bevlogen openingsspeech geeft. Terwijl ze spreekt beginnen de initiatiefnemers te huilen. Ten slotte houdt ze ook zelf de ogen niet droog. Er worden tissues uitgedeeld. ‘Je voelt de pijn van de ongelooflijk lange weg die deze mensen hebben afgelegd’, zegt ze later, terwijl ze ongeduldig wacht om door haar woordvoerder van de ambtsketen van de loco-burgemeester te worden verlost (‘zo’n ketting is toch niets voor mij’). ‘Die moeite, die uitsluiting, het geweld op straat, de dagelijkse micro-agressie: wat een strijd.’

Wanneer ik bij een van de bezoeken aan het gemeentehuis opmerk dat ik ondanks de flitsende renovatie geen genderneutrale toiletten zie, wordt dit door Meliani hoog opgenomen. Enkele dagen later stuurt de woordvoerder me een foto van de wethouder die op een trappetje eigenhandig de wc-bordjes omstickert. Dit is Meliani ten voeten uit. Een tikkeltje rebels. De stickers blijken de volgende ochtend door de huismeester netjes verwijderd. Maar de genderneutrale toiletten komen er alsnog, ze zijn namelijk meegenomen in de huidige verbouwing van het openbare gedeelte van het stadhuis. Daarnaast voerde de wethouder de plannen voor een betaald transitieverlof voor transgender gemeente-ambtenaren door. Hiermee hoopt de gemeente Amsterdam, in de woorden van Meliani, een ‘rolmodel te zijn voor andere organisaties’.

Meliani is soms ook terughoudend en ontwijkend. Tijdens onze gesprekken is ze zichtbaar op haar hoede. Ze reageert ongemakkelijk op een vraag over de schampere opmerking van premier Rutte die het college van haar en haar collega’s ‘helemaal niks’ noemde. Ook op het besluit van burgemeester Halsema om niet meer met salafistische groeperingen in gesprek te gaan wil Meliani, die zichzelf ‘moslim, maar niet gelovig’ noemt, niet ingaan. Op mijn vraag of ze dan cultureel moslim is, reageert ze gebeten. ‘Laat mij nou over mijn visie en plannen praten.’

Ze is zich ervan bewust dat ze onder een vergrootglas ligt. Ze verwijst en passant naar Fatima Elatik. Ik besluit de Amsterdamse oud-bestuurder te bellen. ‘Ik weet voor welke zware taak Touria staat’, zegt Elatik. ‘Ik heb zelf jarenlang een positie bekleed waarin je als buitenstaander tot een systeem toetreedt waarvan de meeste collega-bestuurders geprivilegieerd zijn en makkelijker in het systeem passen. Vraag eens aan topambtenaren of ze weten wat er in winkelcentrum Reigersbos gebeurt? Ruigoord, ja, daar hebben ze van gehoord. Niet voor niets gingen de gemeentelijke verkiezingen vrijwel uitsluitend over de binnenstad. Dit college zegt voor diversiteit en inclusie te staan. Zijn ze bereid ongemakkelijke maatregelen te nemen? Het zou het college sieren als ze Meliani als wethouder cultuur en P&A de ruimte geven echt de noodzakelijke maatregelen door te voeren, juist binnen de ambtelijke top.’

‘Er zijn stappen gezet’, zegt Meliani. ‘Maar ik ben wel bewust aan het kijken hoe je het middensegment diverser maakt wat betreft jongeren, opleidingsniveau, kleur.’

En de top?

‘Die ook. Maar het gaat om de doorstroom en hoe we die kunnen vergemakkelijken. Zo zie je bijvoorbeeld bij raden van toezicht van grote organisaties dat die meestal al gevormd zijn. Oplossing is dan een adviesraad te creëren zodat mensen ervaring op kunnen doen en makkelijker doorstromen naar de uiteindelijke raad van toezicht. Dat willen we hier ook gaan doen. Verandering roept altijd weerstand op, maar inclusie is de ambitie van dit hele college. Het probleem is alleen niet morgen opgelost.’

Uw eerste zwarte voorloper, Hannah Belliot, heeft als wethouder kunst en cultuur in 2002 tot 2006 haar tanden stukgebeten op pogingen om de kunst- en cultuursector van de stad inclusiever te maken.

‘Er is sindsdien veel veranderd qua producties, maar in de organisatiestructuren gaat het nog niet goed. Mensen moeten begrijpen dat alles samenhangt: degene die jouw kaartje scheurt en de deuren opent geeft je een gevoel van gastvrijheid. Er zijn mensen die ruimtes binnenkomen en zeggen: “Ik voel me te zwart, ik ben weer de enige.” Als ik op een plek kom waar niemand op mij lijkt, ben ik weer die uitzondering. En dat is wat mensen niet meer willen zijn. Die willen in een stad en op een plek komen waar ze zich gehoord en gezien voelen. En wat betreft de wereld achter het doek: inclusie is onmisbaar voor de manier waarop producties worden gemaakt of de manier waarop kunstenaars worden ontvangen. Internationale artiesten willen ook ontvangen worden door een divers team. Maar belangrijker is de inhoudelijke inbreng: de startpunten, de wortels, de vertaalslag naar een gevarieerd publiek, hoe naar taal wordt gekeken, het feit dat je niet de hele tijd als enige voorzichtig moet zijn.’

‘Als we het constant maar comfortabel maken voor anderen door dingen niet te benoemen, dan blijven we op onze tenen lopen’

In de Tolhuistuin slaagde ze er wel in breed te programmeren, maar aan de achterkant leverde ze een vergeefs achterhoedegevecht. Ze wijt het aan haar initiële onervarenheid. ‘Je moet je echt omringen met het juiste team en met raad-van-toezichtsleden die dezelfde beweging willen creëren. Achteraf gezien zou ik het anders aanpakken. Ik was geraakt omdat mensen niet het belang zagen van een inclusief team. Als ik te veel geraakt ben, word ik boos. En als ik boos ben kan ik mijn visie niet meer op een constructieve manier overdragen. Mensen zeiden “ja” zonder het te voelen. Ik heb me heel alleen gevoeld. Maar de tijd is veranderd. Het publiek is veranderd. De stad is veranderd. We zijn “een beetje” verandering voorbij.’ Ze is bereid daarvoor harde maatregelen te nemen. ‘Dit is geen hype. Er is een verschil tussen de cosmetische versie van diversiteit die afgestreept kan worden en inclusiviteit die om oprechte bewustwording gaat.’ Ze sluit invoering van quota niet uit om een kentering in de bedrijfscultuur op gang te brengen. Ook zou ze willen dat ‘roze netwerken’ en ‘diversiteitsnetwerken’ overbodig zouden worden omdat iedereen als vanzelfsprekend opgenomen is binnen organisaties. ‘Op het moment dat groepen in aparte netwerken worden gestopt worden ze iets wat buiten “ons” staat. Echte inclusie ontstaat pas als het probleem van één de uitdaging van allen is.’

‘De vraag is: wie moet er hier eigenlijk op z’n tenen lopen?’ vraagt Meliani terwijl we in de dienstauto op weg zijn naar de opening van het theaterseizoen van theater De Meervaart waar ze in een vraaggesprek het belang van een culturele infrastructuur zal benadrukken.

Heb je zelf vaak op je tenen gelopen?

‘Ja, ik heb jarenlang op mijn tenen gelopen en ik loop soms nog steeds op mijn tenen. Privilege valt eigenlijk niet uit te leggen. Wie het heeft, weet niet hoe het is om het te missen. Tegen mij zegt men: “Maar je hebt toch de positie? Je kunt toch zeggen wat je wil?” Maar van mij worden andere dingen verwacht dan van een ander. Dat is de realiteit. Ik heb altijd gedacht dat ik dingen moest achterlaten om vooruit te komen. Dat is niet zo. Je moet juist alles meesleuren. Ik ga geen delen van mijzelf achterlaten om het voor een ander comfortabel te maken. Als we het constant maar comfortabel maken voor anderen door dingen niet te benoemen, blijven we op onze tenen lopen. Daarom ben ik blij met het publieke debat over identiteit. Natuurlijk is het voor sommigen te heftig, te grof. Maar die mensen die zich zo uitspreken zitten er al jaren mee. Dus misschien komt het er iets rauwer uit. Maar hoe verdrietig is het als het helemaal niet kan worden gezegd?’

Tegelijk heeft Meliani empathie voor een witte vrouw in Noord die haar met een potje in de hand in de supermarkt aansprak. ‘Ze vroeg welke taal er nu weer op het etiket stond. Het bleek Pools te zijn. “Het is toch niet normaal als ik niet meer kan lezen wat er op mijn eigen eten staat?” riep die vrouw. “En wat zijn Turkse pizza’s nu weer? Hebben ze nu ook al onze pizza’s gestolen?” Ze was vergeten dat de pizza uit Italië komt.’ Ze glimlacht. ‘Maar je moet ook rekening houden met en begrip kunnen tonen voor dit sentiment.’

Lancering Digital School van de HvA. Touria Meliani is daar in de functie van loco-burgemeester

Tijdens de commissievergadering kunst, diversiteit en democratisering op 5 september aanschouw ik een lange stroom bezorgde insprekers van zeer uiteenlopende kleur, leeftijd en afkomst. Een bezorgde oudere dame protesteert tegen het feit dat ouderen alleen nog onder de wethouder zorg vallen. ‘Wij ouderen hebben fijnmazig vervoer nodig en buurthuizen voor een kop koffie en ontmoeting, die zijn allemaal wegbezuinigd, dat is geen kwestie van zorg.’ Dan is er een kunstenaar die klaagt over de renovatie van een reeks atelierwoningen waarvan de ‘kostprijs-dekkende huur’ al voor de verbouwing met vijftien procent steeg. ‘We deelden met vier, vijf kunstenaars één wc. Nu hebben we allemaal ons eigen toilet en loft-achige studio’s met veel marmer en glas. Maar ik wil kunnen knoeien en morsen en heb helemaal geen behoefte aan een chique marmeren toilet.’ Wat de gevolgen voor de huur zijn laat zich raden.

Er is frustratie over uitblijvende subsidie voor een mobiel museum over trans-Afrikaanse geschiedenis. Verontwaardiging over de politieke overname van de stadsdeelcommissies, waardoor actieve buurtbewoners zich volledig aan de kant voelen gezet. Zelfs de Tolhuistuin komt langs, al is dat onderwerp uitbesteed aan wethouder Groot Wassink. De vierkantemeterprijs van het terrein zal vanaf 2019 verdubbelen.

Amsterdam is rijker dan ooit, maar steeds meer stadsbewoners vallen af. Het lijkt te laat om het tij te keren. Met haar ambtenaren probeert Meliani te achterhalen hoe de stad een stuk toegankelijker kan, juist voor doelgroepen die vaak worden vergeten. Mensen met een minder sterke taalbeheersing bijvoorbeeld. Maar vooral ook gebruikers met een visuele, auditieve of verstandelijke beperking. ‘Vanuit ict en dienstverlening had ik laatst een gesprek met een groep mensen met verschillende beperkingen, zoals iemand die doof is, iemand die blind is, iemand die in een rolstoel zit. Ik heb ze gevraagd of de site van de gemeente Amsterdam voor hen bruikbaar is. Als een doof persoon mij dan bij informatie over voorzieningen voor doven en slechthorenden wijst op de mededeling “bel dit nummer voor meer informatie” lijkt dat haast een grap. Deze mensen zeiden tegen mij: “Wij zijn niet gehandicapt, dit is wie wij zijn, we worden gehandicapt gemaakt op het moment dat de stad niet toegankelijk voor ons is.” Dat bewustzijn is zo belangrijk. En zo zijn er meer vraagstukken. Hoe kun je er nu voor zorgen dat een laaggeletterd persoon die een kapotte koelkast heeft en daarvoor financiële ondersteuning nodig heeft simpelweg met de zoekopdracht “kapotte koelkast” bij de juiste dienstverlenende instantie terechtkomt?’

Meliani heeft zich als twintiger, op zoek naar een woning, altijd bewogen door de hele stad. ‘Dat is nu veel moeilijker. Het is simpelweg onbetaalbaar. Veel mensen denken bijvoorbeeld: Zuid? Ik geef Zuid op, dat is niet voor mij.’ Ze wil een nieuwe culturele infrastructuur creëren. ‘Het grootste deel van de podia bevindt zich binnen de Ring.’ Ze wil niet van ‘randen’ of ‘periferie’ spreken (‘wát nou randen van de stad? Die randen zíjn de stad’). ‘Dit bekent ook dat het grootste deel van de bezoekers zich daar binnen beweegt. Maar de verhalen in een meerstemmige stad ontstaan in verschillende wijken en groepen mensen. Het is belangrijk de vertaalslag terug naar die wijken te maken. Ik heb in Noord gezien wat er gebeurt als je echt gaat wortelen in verschillende gemeenschappen. Dan krijg je zulke mooie, nieuwe verhalen, die er trouwens al lang zijn, want de vraag is: voor wie zijn ze eigenlijk nieuw? Het is belangrijk dat centrale podia ruimte voor die eigen inbreng van buiten de Ring gaan maken.’

Daarnaast wil ze dat er nieuwe grootstedelijke cultuurplekken ontstaan. ‘Denk daarbij aan toonaangevende theaters in Noord of Nieuw-West, die echt een nationale en zelfs internationale aantrekkingskracht hebben en de bezoeker van binnen de Ring naar buiten trekken.’ De komende anderhalf jaar wil ze actief onderzoeken op welke plekken ze voor dergelijke projecten ruimte kan maken, om dit vervolgens op te nemen in het nieuwe meerjarige kunstenplan dat in 2021 geïntroduceerd wordt en waarvoor ze een wisselende groep van jonge makers en kunstenaars om zich heen heeft verzameld.

En er moeten betaalbare atelierwoningen voor kunstenaars komen. Drieënhalf miljoen euro per jaar heeft de wethouder om de creatie en groei van dergelijke broedplaatsen te faciliteren, waar je als kunstenaar een atelier kunt huren, exposities kunt houden en ook naar creatieve interactie met de buurt wordt gezocht. ‘Er komt een nieuw broedplaatsenbeleid dat ik mag gaan vormgeven en uitvoeren.’ Meliani glundert.

Terug naar dat Amsterdam waar de wethouder ooit tien keer thuis kwam. ‘Het klinkt misschien gek, maar ik vind een stad eigenlijk heel sociaal. Er zit een soort zorgend, zelfs corrigerend mechanisme in. Het feit dat je met zoveel mensen met zoveel verschillende ritmes op zo’n klein stukje grond woont creëert een eigen melodie. Ik heb lang in de horeca gewerkt. Daar hoef je maar even een duwtje te krijgen en je beweegt al. Als een collega van links kwam, bewoog je automatisch naar rechts of maakte je een halve draai.’ Meliani beweegt sierlijk op haar stoel. ‘Ik maak nog steeds ruzie met mijn man Jaap als ik in de keuken bij een la wil en hij niet gauw genoeg beweegt. Je moet echt horeca-minded zijn om die gevoeligheid te kennen.’

Zijn we de gevoeligheid kwijtgeraakt om met elkaar te dansen in deze stad?

‘Ik denk dat we die gevoeligheid aan het verliezen zijn. In plaats van dat ik naar voren ga en jij naar achteren beweegt om de volgende keer weer ruimte voor de ander te maken botsen we frontaal tegen elkaar op. Bij het leven in de stad horen schuringen. Dat je even “klootzak!” roept, maar dan weer gewoon in dezelfde zaak terugkomt, of elkaar een schouderklop geeft.’ Ze staart voor zich uit. ‘Wanneer zijn we verleerd met elkaar te dansen in de stad?’ Dan: ‘Ik denk dat we daar maar eens een mooi cultureel programma over moeten maken.’