Het Rotterdams Filmfestival

Wansmaak van pubers

Uit angst voor een te serieus programma heeft het Rotterdamse filmfestival zich laten verleiden tot een roekeloze stap: een pakket extreem platvloerse tienerkomedies. Zijn ze in Rotterdam het spoor bijster?

PRELUDE — Omdat Amerikanen in zoveel opzichten extremer zijn dan wij, zijn ze ook in hun reacties op extremiteiten vaak feller en gedrevener. Nergens wordt de politieke correctheid met zoveel striktheid beleden als in de Verenigde Staten, maar ook nergens lijkt men er zoveel genoegen in te scheppen om de nieuwe fatsoensregels met voeten te treden. Het is een fenomeen dat zich voordoet op vele terreinen van het politieke en culturele leven, maar misschien wel het duidelijkst bij het verwaarloosde en geminachte genre van de tienerkomedie. Producenten hebben ontdekt dat hun doelgroep niets leuker lijkt te vinden dan het schofferen van de fatsoensregels van hun moderne en progressieve ouders. Afgelopen zomer beleefde deze tendens een voorlopig hoogtepunt toen de bioscoopversie van de populaire tv-tekenfilmserie Southpark werd uitgebracht. Southpark: Bigger, Longer & Uncut van de eigenzinnige Trey Parker werd een hit bij de puberende jeugd, want hij was niet alleen groter en langer, maar vooral ook veel minder braaf. Aandoenlijk onhandig getekende jongetjes maken een grote hoeveelheid uiterst ongepaste grappen over seks, censuur en de bespottelijkheid van het politiek correcte. De critici reageerden met gepaste geschoktheid en al snel stonden de fatsoensrakkers met spandoeken voor de bioscopen. Toen niet lang daarna de tiener-sekskomedie American Pie van Paul Weitz vanwege zijn platvloersheid en zijn succes bij de jeugd ook al verontrusting teweegbracht leek er even sprake van een heus fenomeen die zomer. Een zomer waarin volgens Roger Ebert (Chicago Sun-Times) ‘moviegoers have been reeling at the level of sexuality, vulgarity, obscenity and gross depravity in movies aimed at teenagers’. Voor de geschiedenis wilde Ebert vastleggen dat in de zomer van 1999 Hollywood de laatste normen wat betreft goede smaak overboord had gezet. Het gevoel voor humor van jongeren die vanaf hun geboorte voor de televisie hebben gelegen en die, zodra ze hun duimen konden bewegen, hun beeldbuis als spelletjesstation hebben gebruikt, bleek zo radicaal te zijn gaan verschillen van wat hun ouders leuk vinden dat er weer zoiets als een generatiekloof opdoemde.


In het najaar ontmoette ik de ‘leidenschaftliche’ criticus en cinefiel Alexander Horwath in zijn woonplaats Wenen. Hij had zijn zomervakantie in de Verenigde Staten doorgebracht en sprak vol lof en enthousiasme over Southpark en andere platte en incorrecte tienerfilms. Tijdens een eerdere ontmoeting had hij zich al eens laten ontvallen dat hij There’s Something about Mary van de gebroeders Farelly de beste film van het jaar vond, maar het provocerende van die uitspraak drong op dat moment niet tot mij door. Ik had de film niet gezien. Het leek mij het soort film waarvoor ik op het eerste gezicht al liever een blokje om ga. Kennelijk was voor Horwath de kloof toch niet zo onoverbrugbaar als met name de Amerikaanse filmvakbladen ons wilden doen geloven. Horwath bleek te porren voor de gedachte om zijn nieuwe liefde en liefhebberij een professionele vorm te geven. Hij wilde wel nadenken over een programmaatje met smakeloze tienerfilms voor Rotterdam. Want als er blijkbaar nog films gemaakt worden die de gemoederen kunnen verhitten, dan zou ik die wel eens willen zien.



SCHERZO — Ik zie beroepshalve duizend films per jaar, maar dat betekent toch dat er nog heel veel films zijn die ik niet zie. Zo had ik niet alleen de hitfilm There’s Something about Mary, die nu met stapels in de videotheken ligt niet gezien, maar ook geen van de andere films die Horwath voor het Bad Teenage Taste programma van Rotterdam uitzocht. Geprikkeld door nieuwsgierigheid en de zompigheid van de laatste weken van de twintigste eeuw besloot ik tot een inhaalslag. Nu het om tienerkomedies ging kon ik die films met mijn gezinnetje op de bank bekijken en zo het nuttige en het aangename verenigen. Mijn tienerdochters wierpen zich tijdens hun eindeloze kerstvakantie op als enthousiaste proefkonijnen. De heiligheid van de ongestoorde avondmaaltijd maakte plaats voor ordinaire tv-dinners. Gesteund door hun kennis van de televisieserie Heartbreak High voelden mijn dochters zich onmiddellijk op hun gemak bij films als Strike van Sarah Kernochan, Clueless van Amy Heckerling en The Brady Bunch Movie van Betty Thomas. Gesterkt door het plezier dat de dames beleefden aan de luchtige tragiek van blonde tienermeisjes en hun oenige vriendjes in de regie van voortvarende vrouwelijke regisseurs maakten we ook uitstapjes naar pittiger en gekkere films als Tankgirl van Rachel Talalay (mijn persoonlijke favoriet) en Black Sheep van Penelope Spheeris. Toen was het hek van de dam. De dagelijkse videovertoning van weer zo’n wansmakelijke kulfilm groeide uit tot een hooggewaardeerde huiselijke cult. Na de bizarre bowlingfilm Kingpin en het hysterisch hilarische Dumb & Dumber, beide van Peter en Bobby Farrely die ook There’s something… op hun geweten hebben, lag de weg open om te genieten van de kluchtige lol van Peter Segals Tommy Boy. Thuis op de bank werd de aandoenlijke dikzak Chris Farley, de antiheld van Tommy Boy en Black Sheep, postuum uitgeroepen tot acteur van het jaar.


Ik genoot vooral van het genieten om mij heen. De serieuze moeder van mijn dochters openbaarde zich, tot mijn en haar verbazing, als een groot liefhebster van wat in Horwaths woorden heet: ‘sweet ‘n’ low. Low vanwege hun platte grappen en lage culturele status, sweet vanwege hun roze bebrilde kijk op de wereld en de romantische ondertoon.’


Zelf kreeg ik zo langzamerhand behoefte aan wat steviger kost. Wat later op de avond keek ik naar de films die volgens de videohandel voor boven de zestien jaar zijn. Bijvoorbeeld naar Grosse Point Blank van George Armitage, een komedie over een huurmoordenaar die na tien jaar alsnog zijn high school-liefje in de armen sluit of de horrorkomedie Bride of Chucky van Ronny Yu. Toen zag ik eindelijk de film waar ik op had zitten wachten. Een film die mijzelf zou raken. Freeway van Mathew Bright slaat de brug van de tienerflauwekul naar de echt pijnlijke tienertragiek.



GRAVE — In Freeway speelt Reese Witherspoon weergaloos het blanke low class tienermeisje dat in al haar jeugdigheid al meer heeft meegemaakt dan goed voor haar is. Gepokt en gemazeld door een volwassenenwereld van schijnheiligheid en misbruik. Vanessa heeft wel de leeftijd, maar niet de onschuld van de heldinnen uit Strike, Clueless en The Brady Bunch Movie. Haar moeder speelt met weinig succes de hoer en haar stiefvader is een lamlendige pooier. Als pa en ma worden opgepakt, rest haar het gesticht, maar daar ziet ze niets in. Als een modern Roodkapje pakt ze haar spulletjes en besluit haar oma te gaan zoeken die ergens in een woonwagen moet verblijven. Onderweg krijgt ze een lift van de wolf. Bob Wolverton is de uiterlijk onkreukbare jongerenwerker, maar onder zijn schaapsvel steekt een zieke moordenaar die het schuim der natie (waaronder kansarme meisjes als Vanessa) wil elimineren en daarbij op een perverse manier aan zijn gerief komt. Nee, geen film voor mijn meisjes, maar wel een film die ondanks zijn grimmige thematiek satirisch weet te blijven en de kracht van de geplaagde tiener aannemelijk weet te maken. Van Freeway is het ook maar een heel kleine stap naar een film als Freak Weather van Mary Kuryla. Freak Weather draait in Rotterdam in de Tijger Competitie en is daarmee bestempeld tot een serieuze artfilm. Toch vertonen de ingrediënten van beide films opmerkelijke overeenkomsten. Freak Weather heeft ook een koppig-wanhopige white trash heldin, het is ook een verhaal over bedrog en misbruik en de film schrikt ook bepaald niet terug voor hoogst komische, haast onwaarschijnlijke situaties. De antiheldin Penny (fantastische gespeeld door Jacqueline McKenzie) is als Vanessa tien jaar later. Ze wordt door de zoveelste foute vriend het huis uitgezet, probeert zich van de hond te ontdoen, drogeert haar zoontje met de pillen van haar vriendin en laat zich misbruiken door de baas van haar ex. Ze staat onwaarschijnlijk onhandig in het leven, maar heeft tevens een onverzettelijkheid waardoor ze de kijker voor zich inneemt. Ze verzint na iedere tegenslag weer een oplossing die tot mislukken gedoemd is, maar laat zich nooit echt uit het veld slaan. Freak Weather en Freeway zijn als moeder en dochter; twee verwante films die een Amerika laten zien zoals we dat in de film nog niet kenden en die vooral een nieuw soort vrouwelijke heldin opvoeren. Murw geslagen, maar feitelijk ongebroken. Bloeiend tegen de klippen op.



TOCCATA — Ik zag een redelijk aantal tienerkomedies in vrij korte tijd en al snel werd ik vertrouwd met een specifieke sfeer. Ze refereren aan eenzelfde achtergrond bij het publiek; weten hoe het toegaat op een Amerikaanse high school en wat er leuk was op televisie tien jaar geleden. Het is frapperend om te zien hoeveel nostalgie deze films bevatten naar een tijd die nog nauwelijks voorbij lijkt. De jaren zeventig zijn binnen dit soort films zo ongeveer de Middeleeuwen, de jaren tachtig zo’n beetje de tijd dat je ouders nog naar popmuziek luisterden en de jaren negentig zitten vol zomerhitjes uit de jeugd van de hoofdrolspelers. De tienerkomedies lijken zich gek genoeg niet te richten op de jongeren die nog op hun high school zitten, maar op diegenen die met een soort mengeling van walging en sentiment terugkijken naar hun schooltijd van een decade geleden. Deze films zijn op de een of andere manier ook Amerikaanser dan de Amerikaanse films die hier groot in de bioscoop komen (want de tienerkomedies halen hier vaak net met de hakken over de sloot de videotheken of een bescheiden uitbreng in de theaters). Ze lijken exclusiever voor de binnenlandse markt te worden gemaakt voor mensen die op dezelfde scholen zaten en nooit het mooiste meisje (de coolste jongen) van de klas konden krijgen.


Chris Keulemans schreef voor de festivalbijlage van de Volkskrant een speels stuk over het Bad Teenage Taste-programma. In een e-mail aan mij voegde hij daar nog een serieuze en persoonlijke opmerking aan toe. Volgens hem (en hij heeft op Amerikaanse scholen gezeten) behoort de high-school-nostalgie tot de traditionele cultuur: ‘de stralende toekomstverwachtingen culmineren zozeer in het eindexamen (promnight, jaarboeken et cetera) dat dat de rest van je leven wel het hoogtepunt moet blijven. Maar het grappige van deze films is (…) dat de traditionele high-school-droom op allerlei manieren wordt ondergraven en geperverteerd. Nu is het de valsheid van dat stralende moment die zich een plek in de Amerikaanse cultuur verwerft. En inderdaad: deze films ogen vooral voor de binnenlandse markt. Misschien maakt dat het ons ook wel makkelijker er plezier aan te beleven; we hoeven er geen deelgenoot van te worden, kijken van de buitenkant en krijgen niet het gevoel je toch ergens te moeten verzetten. (…) Met iets meer distantie kijken, dat maakt het makkelijker.’


Toch zit die distantie al in hoge mate in de films zelf. Het onuitstaanbaar verwende en zelfingenomen rijkeluismeisje in Clueless moet juist zo onbenullig en tuttig zijn om de satire — en daarmee het afstand nemen van waar dat meisje voor staat — in al zijn effectieve vetheid uit te kunnen spelen. Dit soort films doen zich gewoon dommer voor dan ze zijn. Op een lepe manier zijn ze stralend en vals tegelijk.



CODA — Hoeveel plezier ik ook heb beleefd aan mijn uitstapje in het filmland van de puberwansmaak, ik geloof niet dat ik Horwath tot het einde toe kan volgen. Ik zie ook dat deze films een vitale en bijna anarchistische kant van de Amerikaanse cultuur tonen die zeker de moeite waard is, maar in laatste instantie raken ze me niet echt. De harde en fanatieke negatieve kritieken die over films als Dumb & Dumber, Clueless en Black Sheep in Amerika worden geschreven kan ik echter helemaal niet volgen. Critici werpen zich op als ware moraalridders en hoeders van de goede smaak. Het is bijna niet te geloven hoe venijnig onze huisheld Chris Farley zaliger werd uitgemaakt voor alles wat grof, dom en lelijk is. En dat terwijl hij in Tommy Boy in feite gestalte geeft aan een, weliswaar klungelige en boertige, Amerikaanse held die opkomt voor traditionele waarden als oprechtheid en saamhorigheid. Zodra het om te lachen is en zich richt tot een jeugdig publiek lijken veel Amerikaanse critici een waas voor ogen te krijgen. De jeugd moet worden behoed voor alles wat neigt naar het vunzige en verbodene, terwijl de tienerkomedies nu juist met deze bestanddelen groot succes hebben bij hun jonge publiek. Het bevestigt ook dat de heersende filmkritiek in wezen fundamentalistisch is in haar geloof in de goede smaak. De vitaliteit en het potentieel aan vernieuwing van non- of wansmaak wordt stelselmatig over het hoofd gezien. Om dit onder ogen te zien zou het belang van de Bad Teenage Taste-exercitie moeten zijn. De provocerende wansmakelijkheden van de gebroeders Farelly en Trey Parker (Southpark) zou je als hoopvol kunnen zien. Ondanks een verstikkend politiek-correct cultureel klimaat en ondanks een heersende orde die bepaalt wat smaakvol is en wat vooral niet, blijkt het creatieve, rebelse en humoristische bloed te kruipen waar het niet gaan kan. In de boezem van de Amerikaanse filmindustrie knaagt men met graagte en overgave aan het verval van de goede smaak. Zeg niet dat u niet bent gewaarschuwd. Onze smaak zal worden weggelachen.