De volkswil is verdeeld

‘Wantrouw eenieder die macht in handen heeft’

Of het nu gaat om het rechtspopulisme, om de Arabische volksopstanden, of de betogers die zich tegen Wall Street en het crisismanagement keren: het vindt plaats in naam van het volk. Dat is terug van weggeweest.

OP DE SCHOKKERIGE internetbeelden is het duidelijk te zien. Twee betogers houden een spandoek van een gouden stof omhoog, waarop met grote letters geschreven staat: ‘We the People.’ De befaamde openingswoorden van de Amerikaanse grondwet worden als een soort talisman meegedragen in een meanderende mars van Wall Street naar de Brooklyn Bridge, New York. Daar komt het doek nog eenmaal in beeld, op de grond uitgespreid voor een zittende en twitterende menigte, vastgezet tussen twee blauwe politielinies van de NYPD.
Dan gaat het beeld op zwart. Zevenhonderd demonstranten worden die dag gearresteerd. Het onvoorziene gevolg is dat de protesten tegen Wall Street voor het eerst op de radar van de Amerikaanse media verschijnen. De rest is inmiddels bekend. Een nieuwe beweging heeft zich aangediend, die in naam van het volk (de 99 procent) het land probeert terug te veroveren op de plutocraten (de 1 procent) die het zich eigen hebben gemaakt. Veel klassieker kan het niet.
Het volk, de hoofdrolspeler op het toneel van de moderne democratie, is terug van weggeweest. Of het nu gaat om het rechtspopulisme, de Arabische volksopstanden, of de betogers die zich tegen Wall Street en het crisismanagement keren - het vindt plaats in naam van het volk. Dat betekent niet dat het volk een concrete realiteit of een vastomlijnde bevolkingsgroep is. Eerder een stijlfiguur die verschillende groepen - zowel arm als rijk, gevestigden als buitenstaanders, links als rechts - gebruiken in hun strijd om de politieke ruimte te definiëren. Wij zijn het volk; u bent het niet. Wij hebben politieke legitimiteit; u heeft die niet.
Een goede illustratie van dit onbepaalde volkskarakter is de surrealistische situatie in de Verenigde Staten, waar de Tea Party én de Occupy-beweging zich op het volk beroepen, en elkaar wederzijds aan de kant zetten als randgroeperingen. Occupy, dat zijn de dreigende mobs en de ongewassen studentikoze massa’s, zij zijn niet de 99 procent, aldus Fox News. De Tea Party, dat zijn de blanke bigots, evangelische zuiderlingen met bierbuiken, zij staan niet voor Amerika, alleen maar voor zichzelf, antwoorden de bezetters van Zuccotti Park.
Het volk is een constructie, zo veel is duidelijk. Dit betekent echter niet dat het volk niet bestaat, zoals sommige liberale intellectuelen op de kaft van hun boek menen te moeten verkondigen. Want, zo gaat het klassieke sociologische gezegde, als mensen situaties als reëel definiëren, dan zijn ze reëel in hun gevolgen. De terugkeer van het volk vloeit voort uit de nimmer opgeloste spanning in de representatieve democratie tussen een regering van enkelen en een democratie die allen toebehoort.
We weten het allemaal, het beroep op het volk ligt aan de basis van de moderne dictatuur. Harry Mulisch prefereerde daarom de term 'publiek’, want het volk, zo stelde hij, is wat de fascisten ervan hebben gemaakt. Deze reductie van het volk tot een passief publiek (het kan goed zijn dat Mulisch hier zijn eigen lezerspubliek voor ogen had) is echter de antidemocratische geste bij uitstek. Want het volk ligt evenzeer aan de basis van de moderne democratie en speelt nog immer een rol in hedendaagse democratiseringsbewegingen.
De terugkeer van het volk is een terugkeer van de strijd om de democratie, die het liberalisme voorgoed in zijn voordeel dacht te hebben beslecht. Het is een wederaanvang van de geschiedenis, die Fukuyama zo stellig voor gelopen verklaarde. Niets voor niets dragen demonstranten in New York borden met de boodschap: 'The beginning is near.’ Intellectuelen die zeggen dat het volk niet bestaat doen dat omdat zij antipolitiek zijn. Omdat zij de geschiedenis alsnog om zeep willen helpen, door elke vorm van democratisch exces via de juiste participatiekanalen weer snel in de plooi te doen laten vallen. Loopt u maar door mensen, niets aan de hand. U wordt gerepresenteerd.
Het volk is een dubbelzinnig begrip. Dat is het beginpunt van de analyses van hedendaagse politieke filosofen als Jacques Rancière en Giorgio Agamben. Het volk staat voor het geheel van de politieke gemeenschap: in naam van het volk worden politieke beslissingen genomen. Tegelijkertijd is het echter ook de benaming voor een deel van de politieke gemeenschap: de armen, de sociaal zwakkeren en de gemarginaliseerden, de groep die zich politiek uitgesloten weet. Deze ambiguïteit voert terug tot het beginpunt van de democratie. Zoals Hannah Arendt stelt in Over revolutie (2004): 'De betekenis van het woord is geboren uit compassie, en het begrip werd het equivalent van tegenspoed en ellendigheid - le peuple, les malheureux, m'applaudisent, was Robespierre gewoon te zeggen; le peuple toujours malheureux, zoals zelfs Sieyès, een van de minst sentimentele en nuchterste figuren van de revolutie, zich uitdrukte.’
Het woord volk, als in volksbuurt, volksjongen, volkskeuken, volksdialect of volksopstand, refereert aan een ongefortuneerd en marginaal deel van de gemeenschap. Het woord volk, als in volkerenrecht, volkslied, of volksvertegenwoordiging, refereert aan het geheel van de gemeenschap, en pretendeert juist niemand uit te sluiten. Het volk is daarmee een polair concept, dat zowel het plebs als het populus betekent. En er is sprake van een continu heen en weer tussen deze twee tegenpolen: aan de ene kant de uitsluiting van restgroepen om het volk te vormen, aan de andere kant de poging van de uitgesloten groep om zich tot volk te kronen. Vandaar het paradoxale openingsstatement van het kabinet-Rutte, dat stelt dat hij Nederland wil teruggeven aan de hard werkende Nederlander. We zien hier de dubbele beweging. Aan de ene kant het beroep op een, naar eigen zeggen, uitgesloten groep Nederlanders waarmee het kabinet zich het Nederlanderschap toe-eigent. Aan de andere kant de uitsluiting van andere groepen Nederlanders (bijvoorbeeld minderheden en de linkse grachtengordel) om het nieuwe Nederlanderschap te vormen.
Het populisme is dus een poging van het plebs het populus te maken. Een relatief ondergewaardeerd en uitgesloten deel van de gemeenschap (Henk en Ingrid, de hard werkende Nederlander, de man op straat) wordt symbool voor de gemeenschap als zodanig. Met als gevolg dat andere delen van de gemeenschap (minderheden, subsidieslurpers, linksmenschen) worden uitgesloten van politieke legitimiteit. Er vindt dus een splitsing plaats, een deling van het volk in een 'echt’ volk en een restcategorie.
Deze splitsing van de gemeenschap vond ook al plaats in de representatieve democratie, maar op een andere manier. De gangbare representatieve methode van politieke uitsluiting is de selectie van een politieke elite, die in een onderhandelingsproces bepaalt wat politiek haalbaar is en wat niet. Alles wat buiten deze bandbreedte van het mogelijke valt, wordt gemarginaliseerd als utopisch of onrealistisch. Het populisme is een reactie hiertegen. Het mobiliseert het gemarginaliseerde volk, om de representativiteit van de elite in twijfel te trekken en de bandbreedte van wat politiek mogelijk is ter discussie te stellen. In het geval van Wilders betekent het eisen van het onmogelijke het sluiten van de grenzen en de deportatie van migranten.
In het geval van de Arabische lente en de Occupy-beweging betekent het eisen van het onmogelijke een fundamenteel andere democratische orde. Deze laatste twee bewegingen splitsen natuurlijk evengoed het volk, het Moebarak-regime wordt gescheiden van het Egyptische volk, en de 1 procent wordt gescheiden van de 99 procent. Het verschil met het rechtspopulisme is dat deze bewegingen enkel een negatieve invulling van hun identiteit hebben, in de zin van een gedeelde vijand. Er is geen leider, er zijn geen eisen die de betekenis van de beweging voorgoed fixeren, behalve het vertrek van de plutocraten. Potentieel zou iedereen binnen de 99 procent mee kunnen doen aan een vergadering en er onderdeel van kunnen vormen. De beweging kan zelfs onderling tegenstrijdige eisen in zich opnemen. Dit is volgens commentatoren de zwakte, en volgens de beweging de kracht van haar inzet. De algemene vergaderingen in Zuccotti Park zijn niet bedoeld als een praktisch alternatief maar als een symbolische geste die wijst op de mensen en eisen die normaliter uitgesloten worden in het politieke proces. In die zin is de beweging een terugkeer naar de origine van de democratie, het constituerende moment van de algemene vergadering, zoals beschreven door Jean-Jacques Rousseau. >
'DEMOCRATIE is de wil van het volk. Elke ochtend lees ik verbaasd in de krant wat ik nou weer wil’, zou Wim Kan ooit hebben gezegd. Een gevatte manier om het ongrijpbare karakter uit te drukken van waar het in de democratie om draait: de volkssoevereiniteit. De origine van dit begrip plaatsen velen bij Jean-Jacques Rousseau, en zijn Du contrat social ou Principes du droit politique, in 1762 in Amsterdam uitgegeven. Rousseau’s ideeën maakten in zijn tijd wijd opgang en zijn onherroepelijk verbonden met al het goede en het kwade dat uit de Franse Revolutie voortkwam; hoofdzakelijk de moderne democratie en de revolutionaire terreur.
Rousseau gebruikte het natuurrecht om de absolute monarchie de soevereiniteit afhandig te maken en deze onomwonden bij het volk te leggen. Soevereiniteit, aldus Rousseau, is niets anders dan de uitoefening van de algemene wil (volonté generale) van het volk. Deze algemene wil is zowel onvervreemdbaar als ondeelbaar, en kan daarom niet gerepresenteerd worden. Het gevolg is dat de regering in Du contrat social niets meer is dan een rentmeester van de volkswil, die te allen tijde tot de orde geroepen kan worden als het volk op legitieme wijze bijeenkomt in vergadering. Ziehier de reden waarom intellectuelen van verschillend pluimage - van Bertrand Russell tot Frits Bolkestein - Rousseau het totalitarisme en zelfs het nazisme in de schoenen schuiven. Terwijl de arme man bij zijn leven onbekend was met het idee daarvan.
Deze lezing van Rousseau als aartsvader van de terreur van de democratische meerderheid is echter eenzijdig en incorrect. De algemene wil, zo stelt Rousseau immers in Du contrat social, kan alleen tot uiting komen als er geen sprake is van een factie (een particuliere wil) die vanuit de staat zijn wil oplegt; de algemene wil kan alleen ontstaan als burgers tot hun eigen gedachten kunnen komen. En de algemene wil, zo vervolgt Rousseau, mag niet gebruikt worden tegen specifieke minderheden, zij moet altijd een algemene werking hebben, anders is zij immers niet algemeen. Dat strookt toch niet echt met het totalitarisme, noch met het fascisme.
De grote tekortkoming van Rousseau’s conceptie van het sociale contract is eerder dat het qua schaalgrootte gewoon onpraktisch is (wat Jean-Jacques ook ruiterlijk toegeeft) dan dat het totalitair is. Wie de literatuur erop naslaat komt echter een wijdverspreide misrepresentatie van Rousseau’s werk tegen, als zijnde 'totalitair’ en 'irrationeel’. Deze filosofische karaktermoord heeft zijn wortels in de polemieken van Edmund Burke, waarin Rousseau als het aambeeld wordt gebruikt om op de Franse Revolutie en de democratie in te slaan. Het is een lange traditie van laster die Frits Bolkestein, zonder Rousseau klaarblijkelijk echt gelezen te hebben, vrolijk overpent en tot de kern van zijn recente 'magnum opus’ heeft gemaakt. Het werk van Rousseau is daarmee opmerkelijk genoeg nog steeds het onderwerp van strijd tussen degenen die een 'representatief’ idee van democratie voorstaan, waarin een elite in naam van het volk handelt, en degenen die nog immer de originele democratische belofte van een regering van alles en iedereen willen inlossen.
Hoe zit het dan met de volkswil die één en ondeelbaar heet te zijn? We hebben net gezien dat het volk altijd verdeeld is. Dat is stiekem ook het geval bij Rousseau. De crux zit ’m in het onderscheid dat Rousseau maakt tussen de algemene wil (volonté generale) en de wil van allen (volonté de tous). De wil van allen is slechts een optelsom van alle particuliere belangen. Maar, zo stelt Rousseau, streep bij deze particuliere belangen de plussen en minnen tegen elkaar weg, en je komt bij het algemeen belang, en de algemene wil.
Dit is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Belangen zijn, net als appels en peren, moeilijk met elkaar te vergelijken. Rousseau is zich daarvan terdege bewust en vermeldt in een voetnoot dat twee belangen met elkaar verenigd kunnen worden door ze met een derde te contrasteren. De algemene wil vormt zich dus door een opsplitsing van de wil van allen: door bepaalde particuliere belangen op te nemen en andere buiten te houden, wat Rousseau in diezelfde voetnoot 'de kunst van politiek’ noemt. De algemene wil bestaat dus niet als zodanig, zij moet eerst georganiseerd worden door middel van politieke activiteit. Het werk van Rousseau is een poging om deze algemene wil in het leven te roepen als democratiserend element. Het is een tegenmacht die hij oproept om altijd waakzaam te zijn, opdat de regering niet verwordt tot een verzameling van particuliere willen.
Het is deze verhandeling van Rousseau die aan de grondslag lag van de eerste echte Nederlandse democratiseringsbeweging: de patriotten. De Nederlandse Rousseau was de aristocraat Joan Derk van der Capellen tot den Pol, die in 1781 zijn pamflet Aan het volk van Nederland schreef, wat eenzelfde performatief doel had om een volk te scheppen. Van der Capellen, ook wel de 'Mozes, Jozua en David van de democratische stroming in de Republiek’ genoemd, gebruikt een identieke redeneertrant als Rousseau: een historisch beroep op het natuurrecht, een afkeer van representatie en de samenkomst van het volk in een algemene vergadering: 'Van de vroegste tijden af zijn deze landen bewoond geweest door dappere en vrije volken. De Batavieren zijn de oudsten, waarover men inlichtingen heeft. Zij voelden de waarde van de vrijheid en kenden het juiste en enige middel om die vrijheid te bewaren. Zij lieten zich daarom niet regeren door lieden die zich zelf verkozen of door een ander - naar zijn goedvinden - gekozen werden; die bij gevolg niet van hen afhingen, die hun geen rekenschap schuldig waren en waar zij, als ze niet goed regeerden, geen macht over hadden; neen, zij hielden het heft zelf in handen. De voornaamste zaken van hun land deden ze zelf af in hun algemene vergaderingen, waar het gehele volk gewapend bijeenkwam en elke Batavier evenveel te zeggen had.’
'Wees waakzaam’, stelt Van der Capellen, 'wantrouw eenieder die enig gezag en macht in handen heeft’, omdat 'zelfs de beste mensen doorgaans zwak genoeg zijn om de hun toevertrouwde macht te willen vergroten’. 'Het heersen is zoet! Waakt dan landgenoten, en gij zult vrij blijven!’
Voor wie de parallellen nog niet gezien heeft: het is deze waakzaamheid, een voortzetting van de democratische geest van Rousseau, die op het moment luid van zich doet spreken. Want wat is de Occupy-beweging anders dan een poging om een algemene wil te formuleren, door bij elkaar te komen in een algemene vergadering? Is dat niet de reden waarom de Occupy-beweging het volk aanroept: om de soevereiniteit terug te eisen van een kleine minderheid (de 1 procent) die slechts de particuliere wil van Wall Street vertegenwoordigt?
De Occupy-beweging is een onprettig ontwaken uit de droom van de toekomst als een proces van immer voortschrijdende democratisering, op basis van een gelukkig huwelijk tussen kapitalisme en democratie. Het welbekende eindpunt van de geschiedenis, volgens Francis Fukuyama. Inmiddels zijn het niet alleen maar de usual suspects zoals Slavoj Zizek die wijzen op de ondergang van dit huwelijk. Het zijn nu mensen als Simon Johnson, een voormalig IMF-topeconoom, die lange essays schrijven over The Quiet Coup, de overname van de Amerikaanse democratie door de financiële sector. Het zijn Engelse professoren, die boeken schrijven over post-democracy.
We hoeven alleen maar naar de casus Griekenland te kijken om te zien dat het in Europa niet veel anders is: steeds vaker is de keuze óf de democratie óf de markt. U kunt raden wie als winnaar uit de bus komt. Nederlandse politici verzetten zich openlijk tegen het democratische recht van de Griekse bevolking om haar eigen toekomst te bepalen. Het Europese crisismanagement onttrekt zich steeds meer aan democratische controle. Leven wij nog wel in de beste der democratische werelden?


Merijn Oudenampsen is socioloog en politicoloog en als promoveert op het populisme en culturele studies aan de Universiteit van Tilburg