Wapenen en dwang

Jan Pieterszoon Coen was de man die de VOC omvormde van een handelsorganisatie tot een koloniaal bestuur. De winsten groeiden en groeiden. De aandeelhouders waren tevreden.

Fans van de voetbalclub PEC Zwolle willen wel eens een groot spandoek tonen met de woorden ‘Dispereert Niet’. Daarmee verwijzen ze naar de naam van een van de twee clubs die opgingen in de fusieclub pec (de Prins Hendrik en Ende Dispereert Niet Combinatie) en daarmee ook naar een ooit zeer populair citaat van Jan Pieterszoon Coen, gouverneur-generaal van Nederlands-Oost-Indië tussen 1619-1623 en 1627-1629. In 1618 besloot Coen een brief aan het bestuur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de Heeren XVII aldus: ‘Dispereert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen… daer can in Indiën wat groots verricht worden!’ De spreuk staat ook op het standbeeld van Coen in zijn geboortestad Hoorn. Zijn roem was in Nederland eeuwenlang onbetwist. Slauerhoff schreef een toneelstuk over hem, koningin Wilhelmina besloot op 14 mei 1940 haar eerste radio-uitzending uit Londen met Coens woorden, K. Norel maakte hem in 1941 in het boek Dispereert Niet tot een Soldaat van Oranje avant la lettre, in 1966 noemde Amsterdam een tunnel naar hem, en in 2014 nog een tweede.

Jan en Annie Romein namen hem op in de Erflaters. Zij vatten zijn glans en schaduwkant in twee zinnen samen: ‘Hij legde de grondvesten van een koloniaal rijk, dat de gehele verdere politieke, maatschappelijke en culturele geschiedenis van Nederland mede bepaald heeft en hij werd ervoor beloond (…) met de vloek van duizenden ongelukkigen. Wie het eerste als zijn doelbewuste daad geëerd wil zien, aanvaarde ook de last van de laatste.’ Wie van hem een biografie wil schrijven, zo vervolgen ze, zal ‘welbewust afstand moeten doen van de pleittoon, van het: “bedenk in welk een ruwe tijd, onder welke uitzonderlijke omstandigheden Coen leefde en werkte”’. Dit is de opdracht die de historicus Jurrien van Goor heeft aanvaard: Coen ontdoen van de nationalistische legende en hem nieuw positioneren, hetzij als man van zijn eigen ‘ruwe tijd’, hetzij als man van de onze, als een eerste exponent van het moderne kapitalisme dat tot koloniale uitbuiting, slavernij en volkerenmoord leidde. Een interessante vraag is immers of Coens agressieve onderwerping van Indonesië, met de massamoord op Banda in 1621 als gruwelijkst voorbeeld, voortvloeide uit oude denkbeelden of juist uit nieuwe.

Van Goor is gepokt en gemazeld in de geschiedenis van het Nederlands kolonialisme. Zijn boek is een biografie, maar noodgedwongen ook een overzicht van de eerste twee decennia uit het bestaan van de voc, een tijdperk dat Van Goor ‘een periode van zoeken’ noemt. Het is een goed boek, nuchter, toegankelijk en informatief, al is Van Goor met alle respect misschien niet de soepelst schrijvende historicus van ons land, en de tekst niet vrij van herhalinkjes en zetfoutjes. Hij blijft dicht bij de bronnen uit het voc-archief en de tientallen brieven en memo’s van Coen zelf, maar hij heeft gelukkig ook verder gekeken en bijvoorbeeld het Archivo de Indias in Sevilla geraadpleegd. Helaas is er vrijwel niets beschikbaar van de Aziatische kant van het verhaal, de wederwaardigheden van de lokale sultans en handelaars die met de Nederlandse expansie van doen kregen.

Medium hh 13874144.jpg

De voc, opgericht in 1602, probeerde in hoog tempo en met grote financiële inspanning voet aan de grond te krijgen in Azië, toen de Spaanse hegemonie ter zee wankelde. De Compagnie had twee doelen, die in de loop van die twintig jaar steeds sterker conflicteerden. Enerzijds dienden de koopmannen op de schepen overal vreedzame relaties aan te gaan met lokale vorsten, om zo concurrenten de pas af te snijden en als het even kon monopolies te verwerven. Anderzijds moesten de voc-mannen zoveel mogelijk gewapenderhand de Portugezen en Spanjaarden afbreuk doen. De oorlog die in de Nederlanden al bijna tot stilstand was gekomen moest zo in Azië worden voortgezet. Maar oorlogvoeren en handel drijven gingen slecht samen. De investeringen in oorlogsmaterieel en manschappen waren zeer hoog, de situatie ter plaatse was soms zeer ondoorzichtig, de communicatielijnen waren lang en de winsten die van de Aziatische expansie werden verwacht vielen tegen. Daar was op gerekend – de voc had bij zijn aandeelhouders een tienjarige aanloopperiode bedongen – maar er moest op den duur toch wat veranderen.

Op dat punt verschijnt Coen. Hij was een zoon van een Hoornse ondernemer, zeven jaar in de leer geweest bij een katholiek handelshuis in Rome en in 1607, op twintigjarige leeftijd, voor het eerst als voc-onderkoopman uitgezonden naar Indië. Zijn carrière daar verliep vlot. Coen viel op door zijn kalme, matige, uiterst betrouwbare manier van doen, zijn talent voor boekhouden en zijn vermogen op het juiste moment zijn mond te houden. Dat kwam van pas. Van Goor schildert handig in wat voor wespennesten de voc-mannen zich zoal begaven. Op Banda, bijvoorbeeld, de plek waar nootmuskaat te halen viel, waren de Hollanders bepaald niet de enigen die het anker uitgooiden: er waren Portugezen, Spanjaarden en Britten op de kust, maar ook Perzen, Chinezen, Japanners, Mozambikanen en Arabieren. Het is goed dat Van Goor laat zien dat de voc niet een onontgonnen territorium binnenvoer, maar juist aansluiting zocht op een groot en dicht netwerk van al lang bestaande handelsroutes. De Bandanese handelaren speelden de Europese kooplui handig tegen elkaar uit en verhinderden dat ze echt vaste voet aan wal kregen; de admiraal van Coens eskader, Verhoeff, verloor zijn hoofd toen hij op de verkeerde plek aan de bouw van een fort begon.

‘In Indien connen wy nyet bestaen sonder authoriteyt’

Tijdens zijn tweede tour werd Coen benoemd tot directeur-generaal van de post Bantam. Daar stelde hij orde op zaken. Zijn voorganger, Matteo Coteels, had er een totale puinhoop van gemaakt, maar onder Coen werd Bantam de spil van alle voc-activiteiten in het westen van de archipel. In 1614 vatte hij zijn ervaringen samen in een Discoers aan de E. Heeren Bewinthebberen touscherende den Nederlantsche Indischen staet. Van Goor is van de kwaliteit van dit Discoers onder de indruk. In de eerste plaats omdat Coen zich erin ontpopt als een intellectueel en een voortreffelijk stilist die het retorisch effect niet schuwt. Over de wanorde in de voc-factorijen als van Bantam is hij bars: de lokale ambtenaren gedragen zich als vorsten, beconcurreren elkaar onderhands, en de Compagnie in het geniep, ze drinken, ze voeren geen boekhouding en ze misdragen zich tegen de bevolking. ‘Onse eere is daermede grootelijck vercort ende d’Indianen zijn (…) zeer gheschandalyseert. (…) Van alsulcke quade planten is weynich hoop goede vruchten te cryghen.’

In de tweede plaats ziet Van Goor in het Discoers een grootse visie op de toekomst van de onderneming in het bredere perspectief van de inter-Aziatische handel. Volgens Coen dient de voc door te groeien van een militair-commercieel project naar een staatkundige organisatie. Waar de kooplui tot dan toe probeerden toegang tot de markten te krijgen door onderhandeling en verdrag, daar dient men nu over te gaan tot harde maatregelen. Om de kwetsbaarheid van de handel op talloze factorijen en forten te verminderen moet er één centraal rendez-vous komen voor de retourvloten, met grote en goed verdedigbare opslagcapaciteit, het liefst op West-Java.

Ten slotte houdt Coen zijn meesters voor dat de Compagnie zich moet gaan gedragen als de heerser over een ‘politiek imperium’ dat zijn eer en reputatie met de wapens kracht kan bijzetten: ‘In Indien connen wy na mijn opinie nyet bestaen sonder authoriteyt ende macht (…) Wy moeten ’t met de wapenen en dwang hebben, oft sullen op den duym fluyten.’

Coen komt met dit Discoers voor het eerst enigszins als mens uit de coulissen, zegt Van Goor. Vóór zijn indiensttreding is er vrijwel niets met zekerheid over Coens vorming te zeggen: weinig over zijn Hoornse connecties, weinig over zijn familie, niets over zijn leerjaren in Rome. Vooral dat laatste is jammer, want Van Goor bespeurt in het Discoers de invloed van auteurs als Machiavelli en Castiglione, die in die jaren nog niet in het Nederlands vertaald waren. Hij veronderstelt dat Coens denkbeelden over het allesoverheersende belang van de staat (het ‘staatsraison’), dat rechtvaardigde dat de vertegenwoordiger daarvan mocht veinzen en liegen als dat nodig was, ontleend zijn aan Machiavelli. De gedachte dat Coen dat soort literatuur in Rome zal hebben leren kennen is zeker niet vreemd, hoewel De Vorst daar op de Index stond en de schrijver als amoreel te boek stond, maar het blijft speculatie.

Het Discoers werd door de voc dankbaar ontvangen en grotendeels omgezet in beleid. Daarmee werd Coen de facto de man die de voc omvormde van een handelsorganisatie tot een koloniaal bestuur. Hij stichtte bij het dorp Jakarta een stad, Batavia, die hij wilde bevolken met ‘eerlijcke getroude lieden’. Hij voorzag een ideale samenleving van vrije Europese burgers, geleid door een betrouwbaar en zedelijk hoogstaand Compagniesbestuur, tolerant jegens de lokale religies, bijgestaan door predikanten die geen ‘plompe, onbesneden idioten’ waren maar juist ‘cloeck, verstandich, nederich ende vreedsaemich van geeste’, en dat alles steunend op slavenarbeid, dat dan weer wel.

In die visie herkent Van Goor veel van een traditionele en stijf-gereformeerde visie op de wereld, met een sterke voorkeur voor rangen en standen en een onmiskenbare eer- en schaamtecultuur, maar de koloniale structuur die onder Coens leiding tot stand kwam was wel degelijk modern. Als de voc werkelijk winst wilde maken, dan moest haar gezag met harde hand worden gevestigd. Met die visie keerde hij in 1621 terug naar Banda, waar met de ‘trouloose Mooren’ maar geen behoorlijke afspraken gemaakt konden worden. Er was breed verzet onder de bevolking tegen de eis dat zij de voc het monopolie op de nootmuskaatproductie zouden geven. Coen ging daarop met twaalfhonderd man aan land en na afloop van de expeditie ‘was er van de oorspronkelijke bevolking weinig meer over’, aldus Van Goor. 45 leiders van het verzet werden door Coens Japanse huursoldaten levend in vier stukken gehakt; in Batavia werden vijfhonderd overlevenden tot slaaf gemaakt. De Heeren XVII fronsten even de wenkbrauwen (‘Het zal gezag, maar geen gunst baren’), maar de aandeelhouders waren tevreden en de Heeren gaven hun directeur een bonus van drieduizend gulden. Er was iets groots verricht.