De handel in wapens neemt sinds de val van de Muur alleen maar toe

Wapenfeiten

Omvang en bereik van de internationale wapenhandel blijven ondanks vele verdragen toenemen. De oorsprong van deze expansie is te vinden in de afzetcrisis die de wapenindustrie doormaakte na de val van de Berlijnse Muur.

«De huidige lappendeken van regels is volstrekt ontoereikend als je kijkt naar de omvang en het bereik van de internationale wapenhandel. Dankzij een bloeiend netwerk van tussenpersonen, logistieke bedrijven en transportfirma’s worden wapens tegenwoordig in de hele wereld keurig op tijd afgeleverd, om vervolgens te worden gebruikt om honderdduizenden mensen te vermoorden, martelen of verdrijven.»

Aldus voorzitter Sergio Finardi van TransArms, een onderzoekscollectief op het gebied van de internationale wapenhandel, over het rapport Dead on Time dat hij enkele weken geleden de wereld inzond. Het rapport is een coproductie van TransArms en Amnesty International. Het zet de voornaamste gegevens over de hedendaagse internationale wapenhandel op een rij, waarbij de auteurs hebben geput uit VN-rapporten en overheidsstatistieken, maar ook uit eigen onderzoek naar bijzondere gevallen. Deze casuïstiek geeft het rapport een dimensie die vaak ontbreekt in ambtelijke stukken en in de rapporten van politiek neutrale VN-commissies die geacht worden kool en geit te sparen.

De belangrijkste toegevoegde waarde van Dead on Time is de onderliggende analyse: het rapport toont aan dat er een mondiale «grijze markt» voor wapens is ontstaan die gelijk opgaat met de globalisering van de wereldeconomie. De internationale wapenmarkt is in wezen een aanbodeconomie waarbij producenten doelbewust de vraag scheppen of in stand houden. Veel producenten zijn oude bekenden uit de Koude Oorlog en ook hun afnemers zijn soms nog dezelfden als destijds. Maar het aanbod is enorm toegenomen zodat er nu enerzijds geavanceerde wapensystemen, anderzijds enorme hoeveelheden goedkope handvuurwapens voor bodemprijzen op de wereldmarkt komen. In veel crisisgebieden zijn de modernste explosieven en eenvoudig te hanteren automatische wapens al verkrijgbaar in ruil voor een kip of een paar kilo rijst, zodat het voor krijgsheren, drugsbendes en radicale religieuze bewegingen wel erg gemakkelijk wordt om hun volgelingen te bewapenen als strijders of zelfmoordenaars.

De oorsprong van deze expansie is te vinden in de afzetcrisis die de wapenindustrie doormaakte na 1989, het jaar waarin de Berlijnse Muur viel. Die val bracht wapenproducenten in Oost en West in grote verlegenheid, aldus het rapport. In 1999 bedroegen de gezamenlijke militaire uitgaven van de industrielanden nog maar de helft van het niveau van 1989. In dezelfde periode van tien jaar reduceerden deze landen hun gezamenlijke parate troepen van 11,6 miljoen naar 6,5 miljoen man. De wapenfabrikanten en hun vertegenwoordigers reageerden op het wegvallen van een groot deel van de binnenlandse markt op dezelfde wijze als reguliere bedrijven, namelijk door zich te concentreren op hun «core business», fusies met voormalige concurrenten aan te gaan, nieuwe producten te ontwikkelen, nieuwe afzetmarkten in het buitenland te zoeken en de productie waar mogelijk te verplaatsen naar lagelonenlanden.

Omdat overheden deze strategie doorgaans steunden en de eruit resulterende, niet zelden illegale wapenstromen oogluikend toestonden, konden de producenten in ontwikkelingslanden de gegarandeerde afnemers vinden of opkweken die ze in eigen land waren kwijtgeraakt. Om de vele nationale of internationaal-rechtelijke verboden op wapenhandel naar conflictgebieden te omzeilen, maakten ze gebruik van een groeiend en ondoorzichtig netwerk van tussenhandelaren. Dankzij die grote grijze handelszone zijn herkomst en eindgebruik van wapenzendingen vaak niet te traceren.

Aangezien steeds meer ontwikkelingslanden door joint ventures of investeringen van grote wapenhandelaren op hun grondgebied in zekere zin zelf wapenhandelaren zijn geworden, is de internationale animo om deze handel aan te pakken afgenomen. Naast de «Noord-Noord-route» (waarvan de Navo-landen en de lidstaten van het voormalige Warschaupact zich bedienen) en de «Noord-Zuid-route» (van de industrielanden naar de ontwikkelingslanden) is er een «Zuid-Zuid-route» ontstaan door toedoen van «opkomende wapenproducenten» als Brazilië, Israël en Zuid-Afrika. De privatisering van het transportwezen in Oost-Europa en de liberalisering van de financiële markten in de wereld hebben de ondoorzichtigheid versterkt.

Al met al geeft het rapport een treurige bestandsopname van de moderne wapenhandel, waarin vooral de ontoereikendheid van de veronderstelde toezichthouders, de nationale overheden, schrijnend is.

Is een nieuw, mondiaal verdrag het aangewezen middel om deze ontoereikendheid te ondervangen? Amnesty, Unicef, Oxfam Novib en kerkelijke organisaties als Pax Christi voeren sinds 2003 campagne voor zo’n Arms Trade Treaty. De basis voor het verdrag zou eind juni moeten worden gelegd op de evaluatiebijeenkomst van het VN Actieprogramma, een overeenkomst uit 2001 waarin de gezamenlijke lidstaten zich verplichten alle illegale lichte wapens uit de wereld te bannen.

Volgens deze organisaties is «bewezen» dat een dergelijke benadering werkt. Zij verwijzen naar het Verdrag Voor een Verbod op Landmijnen dat negen jaar geleden in Ottawa voor ondertekening werd opengesteld. Het leek aanvankelijk inderdaad een succes: 130 landen traden toe en het aantal mijnenproducerende landen daalde van 54 naar veertien. Onder die veertien bevinden zich echter de drie landen met de grootste voorraden landmijnen: China (110 miljoen), Rusland (65 miljoen) en de Verenigde Staten (elf miljoen). En uitgerekend in crisisgebieden zoals delen van Afrika en de grensgebieden tussen Pakistan en India en Noord- en Zuid-Korea, waar het verlichting zou moeten brengen, wordt het verdrag genegeerd.

Helaas, uit elke bladzijde van Dead on Time valt af te leiden dat zulke internationale afspraken niet werken. En de handel in conventionele wapens is niet de enige ongewenste militaire groeisector. Ook de proliferatie van splijtstoffen en gevoelige nucleaire technologie is ondanks alle beginselverklaringen van internationale gremia sinds 1989 toegenomen. Dat constateert een onafhankelijke commissie voor massavernietigingswapens, gefinancierd door de Zweedse overheid en voorgezeten door voormalig VN-wapeninspecteur Hans Blix, in het afgelopen vrijdag verschenen rapport Weapons of Terror.

Het beschrijft hetzelfde treurige verhaal dat ook al werd geschreven door de Palme-commissie in 1982, in het rapport van de Australische Canberra-commissie uit 1992 en het eindrapport van het Tokio Forum voor Nucleaire Non-proliferatie en Ontwapening uit 1998. Het verhaal van hooggespannen verwachtingen na 1989 wordt tenietgedaan door een explosieve groei van nieuwe markten en producten en de reorganisatie van merendeels oude, vertrouwde producenten in nieuwe conglomeraten. Zoals het Internationaal Atoomagentschap al enige jaren geleden vaststelde, is ook hier een grote grijze markt ontstaan. Op die markt vinden overheden, tussenhandelaren en malafide wetenschappers elkaar steeds opnieuw, zoals de in deze krant uitvoerig beschreven escapades van de Pakistaan Abdoel Kadir Khan laten zien.

Maar de twee rapporten van Blix en van Amnesty en TransArms tonen nog iets anders aan: beide documenten vestigen als vanouds hun hoop op de versterking van een «coöperatieve, op regels gebaseerde internationale orde». Die orde bestaat nu juist niet. Na het einde van de Koude Oorlog verwachtten veel experts en politici dat er geleidelijk ook een eind zou komen aan allerlei kleinere, maar «hete» conflicten in de wereld. Deze «low intensity conflicts» waren immers vaak door de grootmachten zelf ontketend of naar hun hand gezet, met wapens en diplomatieke ondersteuning gevoed en tot belangrijke slagvelden in een wereldwijde ideologische oorlog verklaard. Zoals de commissie-Brandt in 1980 vaststelde, vonden bijna al deze conflicten plaats in ontwikkelingslanden in de zuidelijke hemisfeer. In een door George Bush senior aangekondigde «nieuwe wereldorde» zouden deze tot het verleden moeten gaan behoren.

Maar al in de eerste helft van de jaren negentig bleek uit statistieken en monitoring-verslagen van onder meer de Verenigde Naties, het Sipri in Stockholm en het Amerikaanse State Department dat het aantal oorlogen, burgeroorlogen, staatsgrepen en guerrillacampagnes in de wereld eerder toe- dan afnam. Niet alleen trokken de westerse grootmachten herhaaldelijk ten strijde (Irak, Kosovo), ze weigerden ook hun wapenarsenalen te verminderen en zich neer te leggen bij bestaande verdragsverplichtingen. Ze wezen bovendien nieuwe verdragsverplichtingen af, zoals valt op te maken uit een overzicht van niet-geratificeerde verdragen, verbroken afspraken en mislukte controleregimes in het Blix-rapport.

De toename van gewapende conflicten in de wereld speelt een voorname rol in de voortgaande herwaardering van de Koude Oorlog door historici en experts in de internationale betrekkingen. Zij onderkennen nu dat de bipolaire machtsverhouding van de Koude Oorlog ten minste één voordeel had: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie hadden een stevige greep op hun cliënten, zowel staten als politieke groeperingen en guerrillabewegingen. Zodoende werden veel plaatselijke conflicten onderdrukt in het belang van de mondiale strijd tussen de grootmachten. Een voorbeeld van die dempende werking was het voormalige Joegoslavië, waar sinds 1945 een relatieve vrede tussen rivaliserende bevolkingsgroepen werd afgedwongen door Jozef Broz Tito, wiens positie door Oost en West werd gedoogd omdat hij zijn land bij elkaar hield. Een ander voorbeeld is de noodzaak voor de Amerikanen om tijdens de Koude Oorlog de Arabische wereld te vriend te houden, een noodzaak die sinds de inval in Irak in Washington niet meer wordt erkend.

Terwijl de wapenproducenten sinds 1989 nieuwe wegen zijn ingeslagen, is het denken over ontwapening blijven steken in de Koude Oorlog. Toen was de ideologische tegenstelling tussen de twee machtsblokken zo onverzoenlijk dat diplomaten en ontwapeningsdeskundigen zich ertoe beperkten hun wapenwedloop zoveel mogelijk in te dammen. Uit die periode dateert de overtuiging, die in bovengenoemde teksten wederom naar voren komt, dat alle wapens intrinsiek slecht zijn, ongeacht de aard van de bezitter of het doel waarvoor ze gebruikt worden. Het essentiële verschil tussen democratische en ondemocratische staten en regeringen, waarbij de laatste vrijwel altijd het conflict zoeken en de eerste tot een reactie dwingen, blijft geheel buiten beschouwing. Wie weigert na te denken over het verschil tussen legitieme en illegitieme macht, begrijpt niets van de conflicten die nog altijd grote delen van de wereld verscheuren en de handel in wapens op gang houden.