11 maart 1992

Ware beschaving

MIJN GROOTVADER WAS stucadoor, anarchist en liefhebber van klassieke muziek. Vaak kan hij die niet hebben gehoord, want ze hadden radio noch grammofoon en de entree voor de tempel aan de Van Baerlestraat is zelfs op Vara’s Matinee in de nadagen van luilekkerland een te zware aanslag op het minimumbudget; laat staan dat er destijds een arbeider de drempel kon overschrijden. Maar het Concertgebouworkest gaf openluchtconcerten die gratis te beluisteren waren voor wie zich aan gene zijde van de haag opstelde. Hij moet daar vaak hebben gestaan, het vernederende van de situatie dragelijk gemaakt door de verwachting van een dageraad die op z’n minst de haag zou doen sneven. Mijn vader nam hij mee, die er een diepe liefde voor Beethoven, Brahms en bovenal Tsjaikovski aan overhield. In de generatiestrijd gooide ik die laatste overboord als zijnde ‘te romantisch’. Men doet vaker domme dingen.

Maar ook mijn vader had weinig toegang tot Heilige Hallen. Een verhaal wil dat hij met vrienden naar de Italiaanse opera wilde (Schouwburg? Carré?). Naast entreebiljet was ‘geklede jas’ vereist. Ze huurden er één. De eerste gooide die, boven aangekomen, via een buiten balkon naar beneden.

Enzovoort. Si non e vero e ben trovato. Maar wat ik wil beweren is dat voor hen beiden de toekomst die het socialisme zou brengen, mede vrije toegang voor iedereen inhield tot de Cultuur. Beschaving dus in brede zin: voedsel, kleding, verwarming, gerechtigheid en kunst. Dat die laatste ‘burgerlijk’ was, hinderde hen niet in het minst. Gelijk hadden ze. Al dacht ik ook daar later anders over, blijkens dringende oproepen tot ‘relevant theater’ in deze kolommen. (Hoe ik die vraag kon continueren na een totale overgave aan Bob Wilsons legendarische Deafmans Glance [zie pagina 39-41 van dit nummer], is een van de vragen waar ik liever niet over nadenk.) Tot op grote hoogte zijn hun verwachtingen uitgekomen. Hun nazaat kreeg de mogelijkheid te studeren, vioolles en goedkope kaartjes voor het schellinkje waarvoor geen jas meer vereist was. Maar hun en mijn verwachting dat dit verlangen naar Waarheid en Schoonheid zich over de ganse bevolking zou verbreiden, kwam niet uit. Daar valt mee te leven, zeker zolang de naaste buren geen discodreunterreur uitoefenen. Bovendien bleek de impliciete veronderstelling dat wie Schoonheid mint niet tot het kwade in staat is, een gruwelijke misvatting: böse Menschen bleken zeer van Schubertlieder te houden. De Amerikaanse toneelschrijver Terence McNally liet in Botticelli twee GI’s in Vietnam tussen het killen door een briljante quiz in kunstkennis houden.

En toch blijft er een vreemd verlangen naar spreiding van cultuur. En was er lang de verwachting en hoop dat de televisie daarin een beslissende rol zou kunnen spelen. Niet alleen als doorgeefluik, ook door zich tot een eigen, maximaal democratische kunstvorm te ontwikkelen. Dat was, en is wellicht, een van de voornaamste inspiraties van Dennis Potter. Ik sloot hem in mijn hart. Vrij Nederland vroeg recent tv-bestuurders naar hun visie op de cultuurtaak. De uitkomsten verbaasden me net zo weinig als die van een enquête onder slagers naar het belang van vegetarisme. Al was Van Dams kritiek op de nos – ‘die registreren alleen maar’ – verhelderend in brutaliteit en domheid. Wie de prachtige televisieversie van Werther Nieland zag, weet alleen al waarom. Honderdduizend kijkers slechts. Maar ware beschaving bekommert zich ook om minderheden. •

……………………………………………………………………………………………………………..

Cultuurspreiding

Hans Geertzen, de student die een scriptie schreef over ‘de receptie van avant-gardekunst in De (Groene) Amsterdammer’, noemde ‘het meest wezenlijke van avant-gardekunst’ dat ‘de grenzen tussen kunst en samenleving worden doorbroken’. Geen ongewone definitie; Geertzen beriep zich niet voor niets op enkele gezaghebbende Duitse sociologen.

In deze brede benadering van het begrip blijkt ook recente kunstkritiek in dit weekblad schatplichtig aan de avant-gardisten van het eerste uur, want Groene-_critici bekijken de kunst zelden los van een maatschappelijke context. Dat betekent allerminst dat kunst louter als instrument wordt gezien van een sociale of economische strijd, zeker niet sinds Martin van Amerongen aantrad als hoofdredacteur, maar ze krijgt pas betekenis in relatie tot haar maatschappelijke omgeving. Dat blijkt niet alleen uit artikelen over de zin en onzin van cultuurbeleid of de verkoop van kunstkaarten in museumwinkels, maar ook uit beschouwingen over de lievelingsschilderijen van Saddam Hoessein en de vlucht die _outsourcing heeft genomen in de schilderkunst. En het blijkt al helemaal uit een altijd terugkerend onderwerp in de kolommen van De Groene: het kunstspreidingsideaal.

Walter van der Kooi, die telkens uit de schaarse lezersonderzoeken een van de populairste Groene-_schrijvers blijkt, wijdde ook meer dan één column aan de cultuurspreiding. _Ware beschaving verscheen in hetzelfde jaar nog in een bundel, Het oog wil ook wat, uitgegeven door Balans. In de inleiding schreef Van der Kooi over het weekblad waar hij sinds 1970 voor schrijft: ‘Dat is een heel oude maar zeer levenslustige, enigszins deftige en geleerde meneer wiens hart links blijft kloppen, ook als de mode is om het rechts te dragen. Tegen sociaal onrecht en op de bres voor burgerlijke vrijheden – oftewel altijd heel wat om te mopperen. Maar de boog kan niet altijd gespannen zijn. Daarom ruimt De Groene wekelijks een hoekje voor mij in.’ (PVO)