Eric Hoffer: The Longshoreman Philosopher

Ware gelovige

De dokwerker en filosoof Eric Hoffer prees de gewone Amerikaanse arbeider en schold vol overtuiging op intellectuelen. Maar hij was er zelf natuurlijk ook een.

J.M. Coetzee’s laatste roman, De kinderjaren van Jezus, is een fantastisch boek, in alle betekenissen van dat woord. Niet alleen is het onvoorstelbaar goed geschreven, ook de sfeer die wordt opgeroepen en de motieven van de hoofdpersonen lijken allesbehalve ‘realistisch’. In een van de ogenschijnlijk meest ongeloofwaardige scènes raakt een stel havenarbeiders verwikkeld in een zwaar filosofische discussie over de (on)veranderlijkheid van materie, het idee rechtvaardigheid en de aard van geschiedenis.

Hoewel, wat is er eigenlijk vreemd aan filosoferende havenarbeiders? Tegelijk met de roman van Coetzee las ik de nieuwe biografie van Eric Hoffer, een longshoreman (dokwerker) uit San Francisco, die tussen 1951 en 1983 elf boeken schreef, die geprezen werden door uiteenlopende figuren als president Eisenhower en Bertrand Russell. En net als Coetzee’s bootwerkers was Hoffer tevreden met zijn lot, verlangde hij geen sociale revolutie maar probeerde hij het verdienen van een eerlijke boterham te combineren met het achterhalen van de waarheid.

Het levensverhaal van Hoffer, zoals hij dat zelf graag vertelde, lijkt ook uit de fantasie van een romancier te zijn voortgesproten. In 1902 geboren als kind van immigranten uit de Elzas viel hij op zesjarige leeftijd samen met zijn moeder van de keldertrap. Na enige tijd overleed zijn moeder aan de gevolgen en de jonge Eric werd blind. Hij kon niet meer naar school, zodat toen rond zijn vijftiende het zicht weer terugkeerde hij een gigantische leerachterstand had en als ongeschoold arbeider de kost moest verdienen.

Hij zwierf het hele land door, werkte als houthakker, landarbeider, goudzoeker en sjouwer. Als hij voldoende geld had verdiend huurde hij voor een of twee maanden een goedkope hotelkamer, scheef zich in bij de plaatselijke bibliotheek en las aan een stuk door, waarbij hij ijverig aantekeningen maakte en na verloop van tijd ook zijn eigen gedachten op papier ging zetten. Rond 1942 arriveerde hij in San Francisco waar hij werk vond als havenarbeider en zijn leven als autodidacte filosoof kon voortzetten.

Hoewel er over Hoffer al eerder boeken zijn geschreven, heeft hij nu in Tom Bethell eindelijk een serieuze biograaf gevonden. Ondanks het ontbreken van officiële documenten weet Bethell met behulp van een overweldigende hoeveelheid circumstantial evidence aan te tonen dat Hoffer vermoedelijk in 1898 in Beieren geboren is en als illegale immigrant via Mexico in de jaren twintig in de VS belandde. Dit verklaart waarom er, ook toen hij landelijke bekendheid genoot, nooit iemand is opgedoken die hem al vóór 1942 had gekend, waarom hij met een zwaar Duits accent sprak, en waarom er van hem en zijn ouders in geen enkel Amerikaans archief een spoor te vinden was.

Dat hij als ongeschoold arbeider de kost verdiende en tijdens de Great Depression door Amerika zwierf was wel waar, evenals het feit dat hij hiermee net genoeg verdiende om sober te leven en zijn vrije tijd te besteden aan het lezen van filosofische, historische, politieke en literaire boeken. Toen hij ooit als goudzoeker maanden in de bergen doorbracht, waar hij ook langdurig insneeuwde, kocht hij het dikste boek dat hij kon vinden: de Essais van Montaigne. Die winter las hij dit volumineuze werk twee keer, maakte talloze notities en ontdekte dat hij zelf ook wilde schrijven. ‘Montaigne gave me a taste for the good sentence.’

Volgens Hoffner was het geen toeval dat het onder de nazi’s wemelde van mislukte schilders, dichters en filosofen

Anders dan veel andere intellectuelen van zijn generatie werd Hoffer niet aangetrokken tot de een of andere vorm van socialisme. Hij geloofde in het Amerikaanse kapitalisme en was, zoals zoveel immigranten, dankbaar voor de kansen die Amerika hem had geboden: ‘America set the table for me.’ Hij benadrukte dat het vooral in Amerika geboren, academisch geschoolde intellectuelen waren die de meeste kritiek op het land hadden, in zijn ogen een vorm van verraad.

Hoffers eerste boek, The True Believer: Thoughts on the Nature of Mass Movements uit 1951, werd door de meeste recensenten zeer positief besproken en niemand minder dan Bertrand Russell schreef dat het ‘intellectueel gezien even krachtig als politiek gezien goed getimed’ was. President Dwight D. Eisenhower had er in het Witte Huis hele stapels van liggen, zodat hij het aan bezoekers kon uitdelen. Dat The True Believer zo aansloeg was geen toeval, want hoewel het een haast klinische wetenschappelijke studie is, viel een geschrift waarin massabewegingen als het fascisme, nationaal-socialisme en communisme met elkaar werden vergeleken in deze hoogtijdagen van de Koude Oorlog natuurlijk vrij goed.

Het verschil tussen die massabewegingen en ‘praktische’ organisaties als politieke partijen en vakbonden was volgens Hoffer dat de laatste zich primair bezighouden met het behartigen van concrete belangen. Massabewegingen zijn ondenkbaar zonder het genus van de ‘ware gelovige’, iemand die zwaar teleurgesteld is, die frustratie op frustratie heeft gestapeld, en alleen zin aan zijn leven kan geven door zich te identificeren met een collectief doel, een ideologie waarin hij blind kan geloven. ‘Het geloof in een heilige zaak is in hoge mate een surrogaat voor het verloren geloof in onszelf’, aldus Hoffer. Een typisch voorbeeld van dit soort gefrustreerden was volgens Hoffer degene die creatieve ambities koesterde zonder over het benodigde talent te beschikken. Het was geen toeval dat het onder de nazi’s wemelde van mislukte schilders, dichters, filosofen en architecten. De allerarmsten zijn helemaal niet gefrustreerd, hun leven heeft een heel concreet doel, namelijk overleven.

Hoffer wees erop dat massabewegingen niet worden geïnitieerd door de massa’s, maar juist door mensen die zich boven de massa verheven voelen, willen schitteren. Naast mislukte kunstenaars zijn dat vooral intellectuelen, die in de moderne samenleving een ondergeschikte rol spelen, maar hartstochtelijk tot de elite willen behoren. ‘Waar de intellectueel in zijn diepste wezen het meest naar verlangt, is de hele wereld te veranderen in een klaslokaal en de wereldbevolking in een klas vol dociele leerlingen die aan de lippen van de uitverkoren leraar hangen.’ In tegenstelling tot Europa hadden intellectuelen in Amerika weinig invloed, aangezien dat echt het land was van de eenvoudige, hardwerkende massa’s die niet geplaagd werden door gefnuikte ambities en gewoon concrete, materiële doelen nastreefden. Daarom maakten massabewegingen er volgens hem geen kans.

Het zal niet verbazen dat de sterk ideologische conflicten van de jaren zestig, en vooral de felle kritiek van intellectuelen en studenten, Hoffer allesbehalve bevielen. In The Temper of Our Time (1964) schreef hij dat het probleem niet was dat mensen streefden naar modernisering, meer gelijkwaardigheid, meer welvaart en meer vrije tijd – dat was iets waar de mensheid al millennia voor ijverde. ‘Niettemin wordt duidelijk dat, hoe wenselijk ook, drastische verandering de meest problematische en gevaarlijke ervaring is die de mensheid heeft ondergaan. We ontdekken dat breken met gewoontes pijnlijker en verlammender kan zijn dan het breken van botten, en dat uiteenvallende waarden een even dodelijke fallout kunnen hebben als uiteenvallende atomen.’

Zoals elke interessante auteur was Hoffer, die in 1983 overleed, een vat vol tegenstrijdigheden. Hij prees de gewone Amerikaanse arbeider, maar had zelf andere verlangens dan een eigen huis, een auto, tv en elektrische apparatuur. Hij schold vol overtuiging op intellectuelen, maar was er zelf natuurlijk ook een. Op YouTube is een interview met hem te zien waarop hij druk gebarend en hartstochtelijk spreekt – in sommige opzichten was hij zelf ook een ‘ware gelovige’, wat hij soms ook toegaf: ‘Ik heb het altijd in me gehad een fanaticus te worden.’


Tom Bethell
Eric Hoffer: The Longshoreman Philosopher
Hoover Institution Press, 304 blz., € 28,99