Andy Warhol

Warhol Superstar

Andy Warhol
The Philosophy of Andy Warhol: From A to B and Back Again (1975)
Penguin Classic, 256 blz., £ 9.99

Aan het eind van de jaren vijftig probeerde Andy Warhol de overstap te maken van de reclame waar hij tot dan toe zijn brood in had verdiend, naar de kunst. Op zijn eerste doeken kopieerde hij advertenties voor colaflessen, stofzuigers en schoenen. Daarna schilderde hij helden uit bekende stripboeken: Superman, Popeye, Dick Tracy. Hij had er geen enkel succes mee. Een vriendin suggereerde hem om voorwerpen te nemen uit de dagelijkse omgeving, een blik soep bijvoorbeeld. Dat was de gouden tip. Warhol maakte 32 schilderijen, één voor elke variant van Campbell’s Soep, van Minestrone en Tomato tot Green Pee en Asparagus. Het was zijn eerste grote succes. Warhol had de niche gevonden waarin hij zich thuis voelde. Hij deed namelijk niets liever dan winkelen. Op Cosmetics, een zelfportret uit 1962, beeldt hij zichzelf af terwijl hij inkopen doet in de supermarkt. Er staat een tevreden Warhol achter het winkelwagentje waarin de producten liggen opgestapeld die hij op dat moment bezig was tot kunst te verheffen: Brillo-schuursponsjes, flessen cola en blikken met Campbell’s Soep.

De stroming kreeg al snel de naam popart en Warhol werd de onbetwiste leider, de pope of pop. Hij nam afstand van grote namen (Jackson Pollock, Willem de Kooning) die de kunstwereld tot op dat moment hadden beheerst. De ludieke combinatie van popart met low culture betekende een breuk met de high culture-kunst van het abstract expressionisme. Maar Warhol was niet de eerste popkunstenaar en ook niet de enige. Roy Lichtenstein, James Rosenquist en Tom Wesselmann maakten soortgelijk werk. In Engeland had Richard Hamilton een jaar of zes daarvoor aangegeven in welke richting de ‘pop’-kunst zich zou ontwikkelen: ‘Populair (ontworpen voor een groot publiek), Vluchtig (kortetermijnoplossing), makkelijk uit te breiden (eenvoudig te vergeten), Goedkoop, Massaal geproduceerd, Jeugdig (gericht op de jeugd), Geestig, Sexy, Op effect gericht, Glamourous, Big Business.’ Een perfecte samenvatting, eigenlijk, van Warhols artistieke formule.

Wat maakt Warhols soepblikken, dozen met Brillo-schuursponsjes, portretten van beroemdheden tot kunst? Het geheim lijkt te liggen in de afwijking die Warhol aanbrengt ten opzichte van het origineel. Warhol reproduceert elk van de 32 soepblikken heel nauwgezet, maar hij doet dat met olieverf op linnen. Voor de films die hij aan het begin van de jaren zestig maakte (Empire, een acht uur durende opname van het Empire State Building; Sleep, een urenlang shot van een man die ligt te slapen) gebruikte Warhol een 16 millimeter-camera, maar in plaats van de normale frequentie van 24 beeldjes per seconde gebruikte hij een frequentie van zestien beeldjes, waardoor de film iets hortends krijgt. Voor zijn schilderijen gebruikte hij fotonegatieven, maar hij bracht die met de hand aan op linnen via een procédé van zijdedruk, zodat de vele afdrukken die Warhol naast, onder en boven elkaar herhaalde steeds van elkaar verschilden. De waarneming van de gebruiksvoorwerpen wordt met andere woorden bemoeilijk of ‘verzwaard’ (zoals de Russische Formalisten zouden zeggen), en in die verzwaring schuilt de artistieke dimensie.

In dezelfde periode reproduceerde Claes Oldenburg gebruiksvoorwerpen, bijvoorbeeld een drumstel, of een ladder, in zachte materie, met als gevolg dat de drums als kussens in elkaar zakken, de bekkens als pannenkoeken over de stelen hangen, en de sporten van de ladder tussen de spijlen hangen als wasgoed aan de lijn. Roy Lichtenstein kopieerde plaatjes uit ordinaire stripboeken, maar hij vergrootte ze tot enorme schilderijen waarop hij de grove rasterkorrels nauwkeurig in olieverf naschilderde. Het zijn prachtige kunstwerken waar ik enthousiast van word elke keer als ik ze zie. Maar ze maken duidelijk dat Warhol niet de enige was die in deze lijn werkte en misschien zelfs niet de beste.

Was Warhol dan inmiddels ingehaald door zijn generatiegenoten? Integendeel. Warhol ontwikkelde namelijk iets dat zijn tijdgenoten missen en dat is de synthese van kunst en media. Hij was er diep van overtuigd dat leven pas werkelijkheid wordt als het in media (krant, film, taperecorder of televisie) wordt gereproduceerd. ‘De mensen zeggen wel eens dat de manier waarop dingen gebeuren in films onwerkelijk is, maar in feite is de manier waarop dingen met je gebeuren in het dagelijks leven onwerkelijk’, zegt Warhol in The Philosophy of Andy Warhol, naar aanleiding van de aanslag waarbij hij werd neergeschoten en levensgevaarlijk gewond. Die aanslag wilde maar geen werkelijkheid worden; daarentegen wél de dagelijkse onbenulligheden die hij vastlegde op film en tape.

Warhol schafte al vroeg televisie, filmcamera en taperecorder aan. ‘Zo begon eind jaren vijftig een verhouding met mijn televisie die voortduurt tot op de dag van vandaag. In mijn slaapkamer heb ik dolle pret met vier toestellen tegelijkertijd. Maar pas in 1964 trad ik in het huwelijk met mijn eerste taperecorder. Mijn vrouw.’ Als Warhol het over ‘wij’ of ‘Mevrouw Warhol’ heeft, bedoelt hij zijn taperecorder. ‘Damian en ik waren nu alleen in de kamer en als mijn vrouw daar niet ook was geweest, zou ik in paniek zijn geraakt. Vroeger raakte ik altijd in paniek als ik met mensen alleen was, tot ik mijn vrouw leerde kennen.’

Het geheim van Warhols moderniteit zit in dit besef van wat ik met gebrek aan beter ‘re-presentatie’ zal noemen: de overtuiging dat ervaringen pas werkelijkheid en aanwezigheid (‘presentie’) krijgen op het moment dat ze via een of ander medium worden gere-presenteerd. Warhol is diep doordrongen van dat besef. Hij gelooft niet in zichzelf en in wat hem overkomt, zolang het niet in een medium is gerepresenteerd. Dit maakt hem tot de grootste kunstenaar van de moderne tijd.

Representatie is een filosofisch thema waar veel filosofen hun zegje over hebben gezegd. Warhol was geen filosoof. Hij had moeite met lezen en schrijven. De titel van zijn boek The Philosophy of Andy Warhol is een grap of paradox, want het is een door anderen geredigeerde samenvatting van zijn tapes. Toch bevat het ogenschijnlijk gezellige babbelboek een onafzienbare hoeveelheid diepzinnige filosofische gezichtspunten.

Zo is er een bladzijdenlange beschouwing over ‘aura’, een beladen begrip waar de filosoof Walter Benjamin rake dingen over heeft gezegd. Warhol heeft waarschijnlijk nooit van Benjamin gehoord. Hij kwam dat vreemde woord ‘aura’ tegen toen een bedrijf hem erover benaderde: ‘Onlangs wilde een bedrijf mijn “aura” kopen. Ze wilden mijn kunstwerken niet hebben . Ze zeiden steeds maar: “Wij willen uw aura.” Ik kon er maar niet achter komen wat ze bedoelden. Maar ze wilden er een hoop voor betalen. Dus bedacht ik dat als iemand bereid was er zoveel geld voor neer te tellen, ik maar eens moest nagaan wat dat is.’ Na even nadenken valt het hem op dat hij geen aura heeft voor de jongens van The Factory, waar hij elke dag mee omgaat: zij behandelen hem ‘als oud vuil’. Aura heeft hij alleen voor mensen die hem van afstand waarnemen in zijn films, op zijn zelfportretten en op televisie. Aura is een product van de media, in het bijzonder de massamedia. Al babbelend ontwikkelt Warhol een standpunt dat lijnrecht ingaat tegen dat van Walter Benjamin. Benjamin meende dat alleen unieke, onvervangbare kunstwerken ‘aura’ bezitten en dat dat aura verloren gaat zodra kunstwerken door massamedia onbeperkt worden gereproduceerd. Volgens Warhol is het precies andersom, en wordt aura voortgebracht door kunstwerken ‘in de tijd van hun technische reproduceerbaarheid’ (om het met Benjamin te zeggen). Wie heeft er gelijk? Warhol, denk ik.

In het Stedelijk Museum in Amsterdam opent binnenkort Other Voices, Other Rooms, waarin alle nadruk wordt gelegd op Warhols synthese tussen kunst en massamedia. De expositie voert van een screentest, waar bezoekers de behandeling ondergaan van bezoekers aan The Factory, een Filmscape, waar zeventien beroemde films (Chelsea Girls, Kitchen, Sleep, Blow Job, et cetera) worden vertoond, een TV-Scape met 42 tv-beeldschermen waarop zeldzame tv-fragmenten zijn te zien, naar de centraal gelegen Cosmos, waar de bezoeker kennismaakt met Warhols tapes, fotomateriaal en de immense hoeveelheid spulletjes die hij voortdurend kocht en in dozen opsloeg: tijdscapsules, waarvan er 61 bewaard zijn gebleven. Other Voices, Other Rooms vertaalt de kern van Warhols belang voor de moderne kunst in een ervaring.

Other Voices, Other Rooms is van 12 oktober t/m 13 januari te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam. Bij die gelegenheid verschijnt ook Andy Warhol in essentie van Hans den Hartog Jager, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 96 blz., € 14,95