Warm

Ik had voor mijzelf en mijn zoon een grote kamer met een tuin gehuurd, in een stad die niet te groot en niet te lelijk is. Alles heeft er de juiste maat. Als je ’s ochtends vroeg op de fiets stapt en het kanaal volgt, kom je terecht in een landschap van vlakken en lijnen. Er zijn mensen die het daar leeg noemen, griezelig leeg, maar ik vind het beeldvullend, met die enorme hemel en al dat overzicht. Dus fietste ik ’s ochtends langs het kanaal en daarna tussen de weilanden door, met mijn zoon achterop. Kaarsrechte fietspaden gemaakt van betonplaten, met sloten erlangs. Er waren heel veel kikkers te horen maar we zagen er niet één. Het was elf uur en de lucht ‘bibberde van zon’, zoals mijn zoon zei. De temperatuur leek per kwartier op te lopen.

We fietsten een dorp in voor een ijsje en vertrokken daarna richting het volgende dorp, het volgende ijsje. De hitte brandde niet alleen van bovenaf op ons in maar steeg ook op uit de grond. Mijn benen voelden als gegrilde kippenpoten en achter mijn rug klonken vragen. ‘Wat betekent charmant?’ ‘Waarom kan een slang niet lopen?’ ‘Hoe worden molens gemaakt?’ ‘Waarom is de tijd nooit langer dan de dag?’ Ik wisselde mijn ontoereikende antwoorden af met slokjes water en wees hem dingen aan. Die boom, die op een oude man lijkt. Dat huis, daar kunnen we best gaan wonen en elke dag appels plukken. En zie je die koe? Die heeft vandaag een slecht humeur. Mijn zoon juichte om een reusachtige tractor die ons passeerde, gele stofwolken opwerpend. Alles bleef kleven aan mijn huid. Het werd te warm om te praten. Zwijgend trapte ik de laatste kilometers, terug naar de grote kamer met de tuin, waar het schemerig was en koel. Zoon ging met zijn pluchen giraffe in de hangmat liggen en sloot zijn ogen. Ik nipte van een glas rosé en keek naar hem. Ik dacht, uiteraard, aan alles wat zoekraakt. ‘Bewaar je vandaag?’ vroeg ik. ‘Onthou je wel hoe het was?’

Maar hij zei natuurlijk niets. Hij sliep al.