Warme politiek

BERNARD RULOF
EEN LEGER VAN PRIESTERS VOOR EEN HEILIGE ZAAK: SDAP, POLITIEKE MANIFESTATIES EN MASSAPOLITIEK, 1918-1940
Wereldbibliotheek, 395 blz., € 34,90

In een parlementaire democratie is politiek meestal een prozaïsche aangelegenheid. Doorgaans mag de burger eens in de vier jaar zijn stem uitbrengen, waarna de volksvertegenwoordigers door middel van compromissen trachten althans een deel van het verkiezingsprogramma te verwezenlijken. Hoewel zij zich beroepshalve geregeld opwinden, wordt de burger daar meestal warm noch koud van. Tenminste, zolang het politieke klimaat redelijk stabiel blijft.

Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw was dit laatste niet het geval, zodat de afstandelijke, zakelijke manier van politiek bedrijven steeds meer aanleiding tot onvrede gaf. Ongerust en onzeker door de snelle politieke, economische en sociale ontwikkelingen, die ervoor zorgden dat veel mensen zich eenzaam en ontheemd voelden, ontstond er behoefte aan wat de Duitse filosoof Helmuth Plessner ‘warme politiek’ noemde. De politiek moest de mensen weer een gevoel van verbondenheid geven. In de jaren dertig waren het vooral bewegingen als het nationaal-socialisme en het communisme die aan deze gevoelens appelleerden. De Nederlandse sociaal-democratie had dat in haar beginjaren ook wel gedaan, maar na de Eerste Wereldoorlog was ze steeds technocratischer en pragmatischer geworden. In de praktijk bleek de kloof tussen de op 1 mei uitgedragen idealen en de realiteit van het wethouderssocialisme steeds groter te worden en kon de sdap onvoldoende voorzien in de behoefte aan ‘warme politiek’.

In Een leger van priesters voor een heilige zaak onderzoekt Bernard Rulof hoe de partij in de jaren dertig de achterban opnieuw probeerde te mobiliseren en inspireren. Hij kijkt niet zozeer naar de ‘inhoud’ van de sociaal-democratische politiek, als wel naar de ‘vorm’ die hiervoor werd gezocht. Vooral door grote manifestaties tegen het nationaal-socialisme en vóór het in 1935 gepresenteerde Plan van de arbeid werd getracht de saamhorigheid en het elan te vergroten.

Hierbij werd gebruik gemaakt van de nieuwste inzichten uit het reclamevak en goed gekeken naar andere (buitenlandse) politieke bewegingen. Een criticus als Jacques de Kadt – anders dan wat Rulof meent geen partijlid – schreef vol afkeer over de ‘vaandel- en eedaflegging- en lichtwerper-flauwekul’ van dergelijke manifestaties, waarbij volwassenen zich gedroegen als ‘geëxalteerde huppelkinderen’. Anderen verweten de sociaal-democratie dat ze zich te veel door de nazi’s liet inspireren. Kritiek die slechts ten dele terecht was, omdat Hitler voor zijn propaganda veel had afgekeken van de linkse arbeidersbeweging. De nazi’s hadden echter wél goed begrepen dat in de jaren dertig veel mensen meer behoefte hadden aan sentiment en saamhorigheidsgevoel dan aan zakelijke en rationele plannen.