Warme winterfilm film

Daar in dat land (V toj stranje) speelt zich af in een archetypisch Russisch dorp. Het is Russischer dan Russisch. Op iedere keukentafel staat een samovar, maar er wordt louter zelfgestookte wodka gedronken. Aan de horizon blinken de uivormige koepels van een orthodox klooster, maar in het plaatsje zelf is God reeds lang afwezig. Ogenschijnlijk is er sinds feodale tijden weinig veranderd, al doet een locale voorzitter zijn best de schijn van een functionerende kolchoze op te houden. Toch is ook dat stadium feitelijk gepasseerd, want de televisie brengt naast nieuws over corruptie en maffiapraktijken ook Amerikaanse soapseries. Het lijkt of de hele Russische geschiedenis van het feodalisme, via het communisme, naar het huidige wanhoopskapitalisme tegelijkertijd in het dorpje aanwezig is. Extremen wisselen elkaar af als de bitterkoude winters met hun metersdikke pakken sneeuw en de zonovergoten luie zomers met hun bijna zichtbaar groeiende, eindeloze gras voor de onuitputtelijke hooivoorraad.

Toch is de film het tegendeel van een gekunstelde metafoor over de geschiedenis van Rusland. Hij geeft sterk de indruk dat hij speelt in een echt bestaand dorp en dat de mensen die in de film spelen ook echt in dat dorp wonen. Het verhaal gaat dat regisseuze Bobrova tijdens het maken van de film een belangrijk deel van haar professionele acteurs en actrices naar huis heeft gestuurd en ze heeft vervangen door plaatselijke amateurs. Voor wie de film heeft gezien is dat verhaal nauwelijks te geloven. De charme van de film rust tenslotte volledig op de authenticiteit. Op die verweerde en aandoenlijke koppen waaraan het harde leven in het arme Russische noorden meer dan duidelijk is af te lezen. Zonder die prachtige kleurrijke figuren zou er niet veel van de film overblijven, en kennelijk heeft Bobrova dat op tijd ingezien. De film is dus geen schematische metafoor, maar hij is ook geen semi-documentair album met plattelandstypen. Kleine humoristische verhaaltjes (gebaseerd op verhalen van Boris Jekinov) brengen een luchtige en speelse samenhang in het dorpspanorama. De ster in die verhaaltjes is voor mij de aandoenlijke Nikolaj Skoeridin. Bijna als enige in het dorpje lijkt hij te weten wat werken is. Met grote toewijding en ook wel met slaafsheid verzorgt hij het vee. ’s Winters vervoert hij immense hoeveelheden hooi door de sneeuw en ’s zomers brengt hij de kudde van het collectief naar de sappigste graslanden. De arme Nikolai wordt het tragikomische slachtoffer van een kluchtige prestigestrijd. Eerst wordt hem tegen zijn zin een vakantie in een zuidelijk kuuroord opgedrongen. De achterdocht die dat in zijn omgeving teweegbrengt zijn eigenlijk al teveel voor Nikolai. Als de toegezegde droomreis op willekeurige wijze weer wordt ingetrokken, reageert zijn omgeving al even achterdochtig en wordt hij weer geslachtofferd. Tegenpool van de goedige en kwetsbare Nikolai is de ijzersterke en agressieve uitvreter Konstantin. Konstantin is een ex-gedetineerde die via een relatiebemiddeling in het dorp verzeild is geraakt. Huwbare mannen zijn in het dorpje zo schaars dat een moeder die vreesde dat haar dochter zou overschieten, in wanhoop een brief naar een bekende in de gevangenis schreef. Daar zaten ten slotte mannen genoeg, ook mannen die wél willen deugen. Konstantin wilde en wil helemaal niet deugen, maar toen hij er eenmaal was liet hij zich niet meer wegsturen. Het zijn niet Nikolai en Konstantin die de film dragen. Daarvoor zijn de vrouwen te sterk en te talrijk. Zij zorgen er in de visie van Bobrova voor dat het leven in het dorpje ondanks alles blijft doordraaien en ze vormen daarmee ook de spil van de film. Een film die als een edele soap de kolderieke kommer en kwel van verschillende dorpsbewoners volgt in hun leven dat verloopt van winter naar winter. Want bij zoveel ontberingen en al of niet komische misstanden kun je moeilijk beweren dat hij van zomer naar zomer gaat. + Totò che visse due volte, van de hoogst eigenzinnige Sicilianen Daniele Cipri en Franco Maresco, was de film die de censuur in Italië opblies. Ze vonden een eigen vorm van surrealisme uit die diep wortelt in de Siciliaanse volkscultuur en die spot met alles waarmee maar te spotten valt. Aanstekelijk vitale liederlijkheden en blasfemiteiten.