De handschoenen hoefden niet aan toen we om twaalf uur met champagneglazen de straat op gingen om met de buren te proosten. Zelfs de winterjas kon aan de kapstok blijven hangen. Met 16,9 graden was 1 januari 2023 de warmste nieuwjaarsdag ooit gemeten. In tegenstelling tot afgelopen zomer, toen de temperatuur in Nederland boven de veertig graden piekte, leek niemand daar echt van te schrikken. Maar op de keper beschouwd was deze winterse hittegolf minstens zo extreem.

Vooral de wintersportfanaat baalde: zo’n groene alpenweide, met her en der een smal strookje opgespoten sneeuw, nee, dat is niet hoe we ons onze skivakanties voorstellen. Maar de minder tastbare gevolgen van de warmer wordende winters gaan een stuk verder. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat we de opwarming van de aarde weten te beperken tot 1,5 graad is aan het eind van de eeuw de helft van alle gletsjers ter wereld verdwenen, zo bleek uit een recente studie in Science. Dat is niet alleen vervelend voor skiërs en snowboarders; het smeltwater uit de bergen is cruciaal voor de waterstand in de rivieren, irrigatie voor boeren, drinkwatervoorziening en waterkrachtcentrales.

We leven in het ‘Calamiteitperk’, stelt filosoof en cabaretier Tim Fransen in een essay, ‘een tijd waarin crises – rampen, calamiteiten – elkaar in rap tempo opvolgen’. De krantenlezer die nu al moedeloos wordt van de overmaat aan verontrustend nieuws kan zich schrap zetten: door de ontwrichting van het klimaat zullen de komende decennia alleen nog maar turbulenter worden. ‘Dat betekent niet dat het Calamiteitperk de meest vreselijke tijd is om in te leven’, schrijft Fransen. ‘Zeker in het rijke West-Europa leven we voorlopig nog op een historisch hoogtepunt in termen van vrijheid, welvaart, levensverwachting. Wie het in deze tijd niet bevalt, daag ik vriendelijk uit om een plek in de geschiedenis aan te wijzen waarin het beter toeven was.’

Nog niet zo lang geleden was de gemiddelde Nederlander voor verwarming bijvoorbeeld aangewezen op kolenkachels. In sommige huizen leefde het gezin ’s winters in de keuken, omdat het fornuis de enige warmtebron was. Bedenk: dit was in een tijd dat er nog Elfstedentochten werden gereden. Dat alles veranderde nadat er in 1959 een grote gasbel was gevonden in de buurt van Slochteren, zo beschrijft Chris van der Heijden in een artikel. Binnen de kortste keren lag er achthonderd kilometer pijpleiding door heel het land en werden huishoudens massaal voorzien van een aardgasaansluiting.

Het smeltwater is cruciaal voor irrigatie, drinkwater en waterkracht

Het is verleidelijk om deze geschiedenis te lezen als een hoopvolle les. Met dezelfde politieke daadkracht kunnen we nu overschakelen op schone energiebronnen als windmolens, zonnecellen of kerncentrales.

Maar om te begrijpen waarom de huidige energietransitie zo moeizaam gaat is het even leerzaam om te kijken naar de verschillen. De reden dat er destijds minder weerstand was, is dat aardgas werd gezien als een brandstof voor vooruitgang. Geen gehannes meer met kolenkitten of petroleumkachels: iedereen kreeg radiatoren en een warme douche.

Vergelijk dat met de situatie van vandaag. We moeten van het gas af, niet omdat het ons leven onmiddellijk zoveel leuker of gemakkelijker maakt, maar omdat ons anders in de toekomst een catastrofe te wachten staat. Dat is de tragiek van het Calamiteitperk: de klassieke vooruitgangsformule lijkt uitgewerkt. De tijd dat we iedere winter naar de Alpen konden vliegen om van de piste af te roetsjen komt ten einde. Het gasfornuis moet plaatsmaken voor de inductieplaat, de warmtepomp zal de cv-ketel vervangen, de winters worden warmer, net als de zomer, en toch wensen we elkaar telkens weer het allerbeste voor het nieuwe jaar.