Wars van spijtoptanten, doemdenkers en moralisten

Jos van der Lans, De onzichtbare samenleving: Beschouwingen over publieke moraal. Uitgeverij NIZW, 139 blz., f34,50
NEDERLAND heeft er een nieuwe held bij: Joop van der Lans. Hij werd aan de vergetelheid ontrukt door zijn zoon Jos, die in hem postuum het prototype van de gemeenschapsmens ontdekte. Joop van der Lans deed in sportwedstrijden, klaverjasavonden, rommelmarkten, hobbyclubs, protestbrieven, koffiemiddagen, ziekenhuisbezoeken en verenigingen. ‘Hij kon niet binnenkomen of hij begon iets te organiseren’, aldus de zoon op de eerste pagina van het boek waarin hij de toestand van de publieke moraal in Nederland onderzoekt.

Het viriele burgerschap van vader Joop dateert van voor de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat; op een enkele uitzondering na is dit type gemeenschapsmens uitgestorven. Of misschien beter: het heeft een andere gedaante aangenomen. Van der Lans treurt niet om de veranderingen die de gemeenschap heeft ondergaan. De publieke moraal is ondergronds gegaan: mobieler, ongestructureerder, dynamischer, onzichtbaarder - maar wel aanwezig. In een negental hoofdstukken gaat Van der Lans op zoek naar deze onzichtbare samenleving.
WIE TIEN JAAR geleden verkondigde dat de publieke moraal een hot topic zou worden, werd voor gek versleten. Maar inmiddels buitelen columnisten en andere grote denkers over elkaar heen met hun diagnosen van onze tijd. Van der Lans staat dan ook niet alleen in zijn poging om de normatieve temperatuur van ons land op te nemen, maar hij neemt wel een verrassende positie in. Als we afgaan op een aantal recente publikaties, lijkt de essentie van deze discussie te liggen in de jaren zestig. Wat vinden we dertig jaar na dato van die periode, in Jan Blokkers woorden, van die ‘collectieve waanzin’? Werd in die jaren het gezag getart om zich te verantwoorden, momenteel is er sprake van een omgekeerde verantwoordingseis. Het gezag, met in haar kielzog de spraakmakende gemeente, roept de linksen en de libertairen van weleer ter verantwoording voor de al dan niet vermeende uitwassen van het vrijheidsstreven. Bolkestein eist excuses van ex- CPN'ers, Wigbold ziet de ondergang van een beschaving, Hofland ziet escalerende verloedering en Freek de Jonge is blij dat 'ze’ toen niet de macht grepen.
Voor veel van de huidige spijtoptanten geldt dat zij destijds eigenlijk net wat ouder waren dan de opstandige adolescenten. Zij waren veeleer de zaakwaarnemers van de jeugdcultuur, en eisten - met uitzondering van Bolkestein - van hun generatiegenoten begrip voor de omwenteling. Zij kijken enigszins besmuikt terug op de door hen gesteunde gezagscrisis. Ze lieten de tovenaarsleerlingen hun gang gaan, en schrikken nu terug voor de gevolgen van de koestering van het vrijheidsstreven.
Zo niet Jos van der Lans (1954). Met een scherp oog voor de problemen van deze tijd houdt hij vast aan het optimisme van zijn jonge jaren. Hij wenst geen ruimte te geven aan de spijtoptanten, doemdenkers en moralisten van onze tijd en toont zich een verklaard tegenstander van de 'sociologie-in-mineur’: het denken in termen van normvervaging en calculerende burgers. In plaats van te treuren over het teloorgaan van de 'grote verhalen’, zoekt hij de kleine verhaaltjes van onze tijd en doet daarbij verrassende ontdekkingen.
Zo is de telefoon geen armzalig zwaktebod in een contactgestoorde wereld, maar een instrument voor moderne intimiteit (Groene-lezers hebben dit hoofdstuk eerder als Groene-essay kunnen lezen). En er is geen kloof tussen burger en politiek, maar wel een schril contrast tussen een haastige bedrijfsmatige overheid en 'een groter aantal burgerinitiatieven dan ooit’. Er is onder CD-stemmers niet zozeer sprake van racisme, maar van een 'cultureel verongelijkt zijn’, dat ook aan te treffen is bij New- Agers, milieu-activisten en midwinterhoornblazers.
VAN DER LANS IS een ster in het combineren van anekdoten, theorietjes en een empathisch vermogen tot een geloofwaardige andere kijk op de wereld. Hij hanteert daarbij de methode van de paradox: 'Je wilt praten door de telefoon omdat je op kunt hangen’, en: 'De aanwezigheid van de overheid bestaat uit georganiseerde afwezigheid’, of: 'De permanente uitvergroting van de wereld roept in dezelfde beweging haar eigen provincialisme op’.
Het wemelt in het boekje van de ogenschijnlijke tegenstellingen die een andere betekenis genereren dan de meest voor de hand liggende. De paradoxale redeneringen worden meestal ingeleid door zinnen als 'Dat nu is een ernstige misvatting’ of 'Over dezelfde problematiek kan ook een heel ander verhaal geschreven worden’. Gaandeweg het boekje wordt de toon wat serieuzer en de visie wat substantieler.
De nieuwe gezagscrisis, dit keer van boven naar beneden, is volgens Van der Lans een gevolg van de bureaucratisering van de overheidsinstellingen. De instituten van de verzorgingsstaat hebben zich uitgeleverd aan de brutaliteit van het marktdenken en bekommeren zich nog vooral om efficientie, effectiviteit en produktkwaliteit. De overheid zoekt geen aansluiting bij de publieke moraal van deze tijd, en dat is voor Van der Lans geen vrijblijvende stelling. Typerend is bijvoorbeeld zijn verwijt aan de professionals van de verzorgingsstaat (politieagenten, hulpverleners, welzijnswerkers) dat zij zich zijn gaan terugtrekken achter hun bureaus. Het vuile, uitvoerende werk van de verzorgingsstaat kreeg een steeds lagere status en wordt bij voorkeur aan lager geschoolde werkers ('halffabrikaten’ als stadswachten) uitbesteed. De professionals moeten van Van der Lans weer de werkvloer op.
Dat zij daarbij heel ver mogen gaan blijkt uit Van der Lans’ omarming van het vreselijke begrip 'bemoeizorg’. Het werd verzonnen door sociaal-verpleegkundige Henrie Henselmans, die op dit onderwerp promoveerde. Welzijnswerkers en andere 'zorgers’ moeten zich actief bezig houden met mensen die zich in de marge van de samenleving ophouden. Daarbij moeten zij zich niet laten afschrikken door Achterhuis-achtige theorieen over het afhankelijk maken van mondige burgers. Want publieke moraal is voor Van der Lans 'het tot uiting brengen van individualiteit in associaties en arrangementen van burgers’; wie dat niet voor elkaar krijgt, moet daarbij worden geholpen.
EN ZO levert de bundel van negen, grotendeels eerder gepubliceerde stukken (waarover maar liefst zes pagina’s verantwoording is opgenomen) een consistente en inspirerende visie op de morele nadagen van de verzorgingsstaat. Het boekje is zonder meer onderhoudend geschreven. De keerzijde daarvan is dat de argumentatie soms wat dun blijft. Dezelfde literatuurverwijzingen, herhaling van argumenten en hergebruik van metaforen verraden hier en daar een gebrek aan diepgaandere kennis van de behandelde thema’s. Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de bezielde betoogtrant. Dwars tegen alle negatieve geluiden in laat van der Lans de culturele vitaliteit van de samenleving op overtuigende wijze zien.
In het slothoofdstuk komt hij weer terug op zijn vader: 'Wat hem bezielde was de overtuiging dat mensen alleen in een associatie met elkaar een meerwaarde aan hun bestaan kunnen geven.’ Ik zou daar het volgende aan toe willen voegen. Wat Joop van der Lans ook bezield moge hebben, hij heeft in ieder geval zijn zoon een onverwoestbaar vertrouwen in de menselijke soort bijgebracht. En misschien is dat wel de kern van welke publieke moraal dan ook.