De strenge wetten van een componist

Was Bach joods?

Doordat Johann Sebastian Bach zich zo streng aan de muzikale wetten van zijn tijd hield, was hij in wezen joods, redeneert Norman Podhoretz. Bach, de grootste trots van het lutherse kerkgenootschap!

IK HEB EEN vrome lutherse vriend eens geschokt door tegen hem te zeggen dat Johann Sebastian Bach eigenlijk joods was. Ik wist natuurlijk best dat Bach luthers was geweest — en zelfs de grootste trots van dat kerkgenootschap — en ik had het vooral plagerig bedoeld. Ik voegde eraan toe dat Ludwig von Beethoven vergeleken met Bach een echte christen was. Ook in dat geval wist ik dat Beethoven, hoewel hij katholiek was en een werk als de Missa Solemnis had kunnen componeren, niet zo diepgelovig was geweest als Bach. Toch bedoelde ik het op zijn minst voor de helft serieus toen ik Bach indeelde bij het jodendom en Beethoven bij het christendom.


Een overeenkomstige gedachte moet zijn opgekomen bij degene die als eerste Bachs Wohltemperierte Klavier heeft beschreven als Het oude testament van de klaviermuziek en Beethovens pianosonates als Het nieuwe testament. Voorzover ik weet heeft die analogie nooit verraste of geschokte reacties teweeggebracht; alleen al het feit dat deze vergelijking bewaard is gebleven wijst erop dat mijn eigen bizarre afleiding daarvan enige grond heeft in door velen gedeelde gevoelens over beide componisten.


Toch geef ik toe dat ‘bizar’ het juiste woord is om mijn stelling te beschrijven. Om te beginnen zouden de lutheranen wel eens verder van het jodendom verwijderd kunnen zijn dan enige andere vorm van christendom. Vanuit theologisch standpunt staan deze religies bijna diametraal tegenover elkaar.


Het jodendom benadrukt niet het geloof, maar de handeling — wat christenen de ‘werken’ noemen. Als men een orthodoxe jood is, wijdt men zijn leven aan het volgen van de wet of (in het Hebreeuws) de thora zoals die door God aan Mozes is geschonken op de berg Sinaï. De thora bestaat uit een geschreven tekst (de bijbel, of wat de christenen Het oude testament noemen) die tot in de kleinste details becommentarieerd is in wat oorspronkelijk een mondelinge traditie was. Na de vierde eeuw is die traditie eveneens schriftelijk vastgelegd en deze tekst staat bekend als de talmoed.


De beste seculiere analogie voor de relatie tussen de bijbel en de talmoed is misschien wel die tussen de Amerikaanse grondwet en het complete corpus van beslissingen door het Hooggerechtshof, inclusief alle afwijkende meningen. Het geheel van de arresten van het Hooggerechtshof omvat echter niet de debatten in het Congres die eraan vooraf zijn gegaan, terwijl men in de talmoed wél de exegetische twistgesprekken tussen de rabbijnen vindt die voorafgingen aan hun definitieve beslissingen. Dat alles valt onder de halacha, een Hebreeuws woord dat ‘de weg’ betekent, maar beschouwd wordt als verwijzing naar de voorschriften en rabbinale beslissingen die het gedrag van een orthodoxe jood bepalen. Vanaf het moment dat hij ’s ochtends opstaat totdat hij ’s avonds naar bed gaat zal ongeveer alles wat hij doet geregeerd worden door die wetten.


Wat veel christenen het vreemdst voorkomt aan het jodendom is de kleine rol die geloof in dat godsdienstsysteem speelt. Op de berg Sinaï hebben de oude Hebreeën, toen ze beloofden zich aan de wet te houden, gezegd: ‘Wij zullen handelen en wij zullen horen.’ Dat is geïnterpreteerd als voorrang voor handelen en men dacht dat geloof (zelfs als het afwezig was) zou ontstaan en groeien door dergelijk handelen.


Het spreekt vanzelf dat gelovige joden geloven in God en Hem liefhebben, als schepper van de wereld en schenker van de wet waarvan zij het juk op hun schouders nemen, als zegen en vreugde. Ook is het waar dat de grootste van alle joodse theologen, Maimonides (die in de Middeleeuwen heeft geleefd) dertien beginselen heeft opgesteld waarin joden behoren te geloven. Niettemin is het jodendom eerder een religie van werken dan van geloof. Goede joden zijn goed dankzij de geboden die ze volgen en niet door de theologische subtiliteiten die ze aanvaarden. Ik heb eens een anekdote gehoord over de kracht van dit


ethos van een Israelische vriend die in zijn tienerjaren atheïst was geworden en wiens vader orthodox was. Op een dag, midden in een heftig debat over het bestaan van God, keek de vader van mijn vriend op zijn horloge en toen zei hij tegen zijn zoon: ‘Goed, God kan al dan niet bestaan, maar nu is het tijd voor het avondgebed.’


Een vroom christen zou zoiets nooit kunnen zeggen en van alle christelijke geloofsrichtingen zijn de lutheranen misschien wel het minst in staat een dergelijk perspectief te begrijpen. Volgens Luther komt de verlossing juist uitsluitend door het geloof en niet door de werken.


Bachs cantates — die vaak uitgaan van gezangen van Luthers hand — zijn doortrokken van die leer. Alsof dat nog niet genoeg is om mijn stelling aangaande Bach te weerleggen is er ook nog het antisemitisme — minder scherp kan ik het niet formuleren — waarmee Maarten Luther besmet was. Zijn jodenhaat was zo heftig dat sommigen hem zelfs beschouwd hebben als de eigenlijke bron van het antisemitisme van de nazi’s. Volgens mij zou Bach die opvatting nooit gedeeld hebben. Toch heeft hij in de Johannes Passion, zijn bewerking van het vierde evangelie, veel passages weggelaten, maar niet de onaangename uitbarstingen die dit meest anti-joodse boek van Het nieuwe testament ontsieren.


Hoe kan ik dus stellen dat Bach in wezen joods was? Er zijn geen bewijzen dat Bach zelf of zijn voorouders joods waren; zo’n fantasie komt ook geen seconde bij me op. Maar waar héb ik het dan over? Het antwoord moet gezocht worden in de aard van Bachs muziek en het grondbeginsel dat daardoor belichaamd wordt. Bach was zo wetsgetrouw — zo vreugdevol nam hij het juk van de overgeleverde muzikale wetten op zijn schouders — dat hij uit de mode raakte zodra er andere componisten kwamen, onder wie ook enkele van zijn zoons. De muziekcriticus Samuel Lipman zei eens over de rebellie tegen hun vader door zijn twee meest begaafde zoons — Carl Philipp Emanuel en Johann Christian — dat dit iets was als zeggen: ‘Laten we nu eens gewoon naar de mooie wijsjes luisteren.’



MOOIE WIJSJES kwamen in overvloed voor in hun vaders enorme oeuvre. Om een voorbeeld te noemen: de aria ‘Erbarme Dich’ uit de Mattheus Passion is de mooiste melodie in de geschiedenis van de westerse muziek. Toch was deze ingebed in zo’n traditionele compositie dat heel lang niemand de moeite wenste te nemen ernaar te luisteren. Bovendien: zelfs het feit dat de Mattheus Passion als geheel misschien wel het belangrijkste stuk muziek is dat ooit is geschreven, heeft het niet kunnen redden van de vergetelheid. Deze Passion is bijna een eeuw verloren geweest, tot hij herontdekt werd door Felix Mendelssohn. Mendelssohn was protestant maar stamde uit een joodse familie en hij bleef gehecht aan zijn wortels. Ik heb me altijd afgevraagd of het kwam door de banden die hij met het jodendom onderhield dat Mendelssohns oren geopend zijn voor die grootse Mattheus Passion — waarvan de tekst bestaat uit de woorden van Het nieuwe testament, maar waarvan de muziek, in zijn strenge getrouwheid aan de wetten die de kunst regeren, de muziek van Het oude testament was.


Hetzelfde geldt voor strikt wereldse composities van Bach, zoals de preludes en fuga’s van het Wohltemperierte Klavier, de sonates en partita’s voor viool en de stukken voor solo-violoncel. (Zijn laatste werk, de onvoltooide en mysterieus verheven Kunst der Fuge — een definitieve exploratie van de meest orthodoxe van de traditionele muzikale vormen — heeft een nog akeliger lot ondergaan dan de Mattheus Passion. Het enige manuscript is na Bachs dood door een van zijn zoons gevonden — er zat een vis in verpakt.) Maar om uit te leggen waarom ik denk dat al die composities eveneens ‘joods’ zijn, moet ik een ander denkbeeld introduceren, iets wat van wezenlijk belang is voor het bijbelse jodendom. De rabbijnen van de talmoed zijn er door ingenieus hermeneutisch graafwerk in geslaagd uit bepaalde obscure passages in de bijbel een geloof in een leven na de dood af te leiden. Dat is de reden waarom de opstanding der doden erkend wordt in de joodse liturgie en waarom deze leer ten slotte een van Maimonides’ dertien geloofsartikelen is geworden. In de bijbel zelf echter staat een dergelijke overtuiging nergens duidelijk te lezen. Het bijbelse jodendom hield zich bezig met het leven in deze wereld; het schrijft een levenswijze voor die ervoor zal zorgen dat het leven zowel lang als welvarend is. Als je ervoor kiest te leven overeenkomstig Gods geboden, dan zul je beloond worden met ‘lengte van dagen’ en veel welvaart — niet in de hemel, maar hier op aarde. Dat die belofte minstens zo vaak werd — en wordt — waargemaakt wanneer men zich niet aan de wetten houdt, is niet aan de aandacht van de oude Hebreeën ontsnapt. Veel bijbelse passages en een compleet bijbelboek — het boek Job — zijn zo stoutmoedig God ter verantwoording te roepen. Men vraagt om een verklaring waarom de deugdzamen zo vaak moeten lijden en de slechten zo vaak een goed leventje leiden. De verklaring bestaat meestal uit een variatie op ‘dat kun jij niet begrijpen’, maar vrome joden hebben dat algemeen als voldoende aanvaard. Ze zijn blijven geloven dat God, in een betekenis die de menselijke geest te boven gaat, zich aan Zijn belofte houdt.



IK ZOU WILLEN redeneren dat in de muziek van Bach iets is opgenomen wat zou kunnen neerkomen op het meest overtuigende bewijs dat ooit van deze bijbelse stelling is geleverd — veel overtuigender dan de stem uit de storm in het boek Job. Bachs muziek neemt niet de twijfels weg die gewekt zijn door Gods belofte in de bijbel. In plaats daarvan wordt hier aangetoond dat men, als men binnen de eindige beperkingen van de wet blijft, de weg naar eindeloze rijkdom zal vinden.


Zonder op zoek te gaan naar nieuwigheden of nieuwe vormen is Bach erin geslaagd een eindeloze opeenvolging van werken te componeren, waarvan het bereik zo diep is als de menselijke geest zich ooit heeft gewaagd, zo breed als het menselijk hart zich ooit heeft uitgestrekt, zo hoog als de menselijke geest zich ooit heeft verheven. Alles binnen het universum van de menselijke ervaring is hier te vinden. En zoals elk mens die in deze wereld geboren wordt zowel gelijk is aan alle anderen van de soort als een uniek individu is, zo is elke compositie van Bach tegelijkertijd vrij van vernieuwing, maar ook volkomen nieuw en origineel.


Binnen de beperkingen van de wet heeft Bach zo veel complexiteit blootgelegd, zo’n ruime variatie aan emotie, dat degene die zijn muziek uitvoert het nauwelijks allemaal kan weergeven en de luisteraar het nauwelijks allemaal kan opnemen. Maar de uitvoerende kunstenaar kan het weergeven en het luisterend oor is heel goed in staat het te horen. In dat opzicht lijkt de muziek op de wet van de bijbel die, zoals ons gezegd wordt, binnen bereik van allen valt.


In Deuteronomium worden de wet en het leven aan elkaar gelijkgesteld: ‘…het leven en de dood stel Ik u voor… : kiest dan het leven’. Maar het leven waarvoor we worden opgeroepen te kiezen, is het leven op deze aarde en we moeten ervoor kiezen door de wet te onderhouden. Als men die keuze maakt, ontsnapt men aan de vloek van de dood — en dat is een leven als een hel, niet de sterfelijkheid waaraan allen, zowel heiligen als zondaars, onvermijdelijk onderworpen zijn.


Dat was iets wat onverteerbaar was voor Saulus van Tarsus, een jood net als Jezus, die op de weg naar Damascus een visioen van de gekruisigde Christus kreeg waardoor hij is veranderd in de man die de heilige Paulus is geworden. Uit de evangeliën blijkt (ja toch?) tamelijk duidelijk dat Jezus en zijn discipelen helemaal niet van plan waren een nieuwe godsdienst te stichten. Ze waren het met hun medejoden hoofdzakelijk oneens in hun overtuiging dat Jezus de Messias was die, nadat hij herrezen was, de Romeinen uit het bezette Heilige Land zou verdrijven en de Davidische dynastie zou herstellen, evenals de heerschappij van God. Ze kwamen niet in opstand tegen de wet, integendeel, ze droomden van voorwaarden die een volmaakter onderhouden van de geboden mogelijk zouden maken dan onder de Romeinen mogelijk was geweest. Had Jezus zelf immers niet gezegd: ‘Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet te ontbinden… Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.’


Voor Paulus echter heeft de komst van Jezus een kosmische revolutie tot gevolg gehad. Terwijl andere vroege christenen zich bleven houden aan de wet van het jodendom, verkondigde Paulus dat die was opgeheven. Toen hij uitriep: ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ kwam het enige antwoord van het jodendom neer op: ‘Niemand kan je redden van de dood, maar als je volgens de geboden leeft, zul je genieten van al het leven dat je leidt.’ Maar dat, zei Paulus, was hem onmogelijk. Ondanks al zijn inspanningen kon hij de geboden niet onderhouden, want de geest was weliswaar willig, maar het vlees was zwak en bedorven, van nature, als gevolg van de erfzonde van ongehoorzaamheid zoals die door Adam en Eva was begaan. Het antwoord dat Paulus nodig had, was het antwoord dat Jezus (die hij persoonlijk nooit had gekend) volgens hem had gegeven: door de genade Gods, gemanifesteerd in het offer van Zijn enige zoon, was de oude wet niet meer bindend en de eerste van de afgeschafte componenten van de wet was de grondslag ervan: de dood zelve. De sterfelijkheid was overwonnen en afgeschaft: ‘De dood is verzwolgen in de overwinning’, schreef hij. ‘Dood, waar is uw prikkel?’ Nu de sterfelijkheid eenmaal was verslagen, was het eeuwig leven een feit — niet als beloning voor het onderhouden van de geboden (wat toch al onmogelijk was voor de gecorrumpeerde mens), maar als liefdevol geschenk aan hen die in Christus geloofden: ‘Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.’



DE TECHNISCHE TERM voor vijandigheid jegens de wet luidt antinomisme. Er zijn veel controverses onder theologen geweest over de mate waarin Paulus een antinomiaan was. Toch kan ik me niet voorstellen hoe een onpartijdige lezer van zijn Brieven over het hoofd kan zien dat daar een krachtig element van antinomisme in zit. Ook is het moeilijk niet het verband te zien tussen deze houding tegenover de wet en de wens de sterfelijke grenzen van de menselijke situatie te buiten te gaan. En dat brengt me op Beethoven. In zijn klassieke boek Beethoven: His Spiritual Development schrijft J.W.N. Sullivan: ‘Van Beethovens religieuze overtuigingen weten we heel weinig, alleen dat ze niet orthodox waren.’ Oké. Maar zelfs Sullivan kan niet ontkennen dat Beethoven een soort gelovige christen was; niemand die naar de Missa Solemnis heeft geluisterd, kan daaraan twijfelen. Wanneer ik echter Beethoven als christen karakteriseer, heb ik het niet over zijn specifieke overtuigingen of over zijn dagelijks gedrag. Net als bij Bach denk ik dan aan het karakter van zijn muziek.


Voor Sullivan daarentegen heeft de ‘spirituele ontwikkeling’ die Beethovens muziek weerspiegelt, niets te maken met christendom. Die ontwikkeling is eerder voortgekomen uit Beethovens heldhaftige strijd met het Noodlot dat hij ‘bij de keel gegrepen’ had. Die culmineert in het bereiken van een bovenaardse vrede met lijden als essentiële component van het leven. Sullivan lijkt zelfs te denken dat men, als men Beethovens muziek in religieuze termen wil definiëren, die muziek tekortdoet: ‘De man die oprecht een religieus schema heeft aanvaard waarin alle grote levensvragen van een oplossing worden voorzien, zal door het leven gaan zonder ooit het directe effect van die problemen te ondergaan. Dat is juist de zwakheid van Bach, vergeleken met Beethoven.’


Sullivan was een wiskundige die de muziek innig liefhad. Hoewel hij niet beïnvloed was door het ordinaire materialisme van enkele van zijn collega’s, was hij voldoende geseculariseerd — en weinig op de hoogte van religie — om de hierboven geciteerde zin op te kunnen schrijven. Hoe had hij ooit kunnen weten dat hij door ‘Bach, vergeleken met Beethoven’ te kleineren, terugkwam op aloude christelijke belasteringen van het jodendom die teruggingen tot Paulus? (Wanneer hij zegt dat Bach, ‘die met Beethoven vergeleken kan worden vanwege de ernst en rijpheid van zijn geest, ten slotte verdoold is in de dorre labyrinten van zuiver techniek’, vang ik iets op van de beschuldiging dat het jodendom niet meer is dan een star, wettisch geloof.)


Sullivans lofzang op Beethoven — voor hem de grootste kunstenaar die ooit geleefd heeft — is niet zozeer gebaseerd op de heldhaftige strijd van de componist tegen het Noodlot (hetzelfde Noodlot dat hem van zijn gehoor beroofd had), als wel op zijn weigering zich te laten binden door de wetten van de muzikale traditie die hij geërfd had. Beethovens vroegste werken waren voornamelijk traditioneel, maar vanaf zijn derde symfonie, de Eroïca, voelde hij steeds meer onvrede ten aanzien van de beperkingen waaraan oudere componisten zich hadden onderworpen.


Sullivan interpreteert die weigering als toonbeeld van het ouderwetse idee van de kunstenaar als romantische rebel die zijn vuist balt tegen de hemelen en de waarde van zijn eigen individualiteit verdedigt: ‘Veel van wat Beethoven tot uitdrukking brengt, is uniek’, en zijn laatste kwartetten waren ‘anders van aard dan enige andere muziek die hij of enig ander ooit heeft geschreven’. Binnen de school van het romantische denken, waardoor Sullivan beïnvloed was, had hij zich niet lovender kunnen uitdrukken. Daarentegen luidt mijn (bijna serieus bedoelde) theorie dat dat unieke getuigt van een antinomiaans trekje in Beethoven, dat vergelijkbaar is met en uiteindelijk voortkomt uit paulinisch christendom. Sullivan citeert een versregel van Wordsworth en zegt dat Beethoven ‘reisde door vreemde zeeën van gedachten, alleen’, en dat Beethoven, door zich op die zeeën te begeven, ‘bovenmenselijke kennis’ heeft verworven, en een ‘bovenmenselijk leven’. Met andere woorden: het was Beethovens doel de menselijke situatie te overstijgen, zoals die gedefinieerd was door de sterfelijkheid die volgens Paulus niet van de wet los te maken was. Door de term ‘bovenmenselijk’ te gebruiken, zegt Sullivan ook dat Beethoven dat doel bereikt heeft in zijn laatste werken, met name in de strijkkwartetten en vooral die in Cis-majeur. Daarmee ben ik het niet eens — al ben ik het niet oneens met de opvatting dat Beethoven een reus onder de componisten is geweest. Mijn eigen kennis is uitsluitend via het oor verworven — ik bespeel geen instrument en kan geen muziek lezen — maar ik ben verslaafd aan luisteren. Als zodanig heb ik minstens honderd (of duizend?) maal geprobeerd na te gaan wat Sullivan hoort in Beethovens laatste kwartetten en pianosonates. Zonder resultaat. Ik moet de ketterij toegeven dat ik in Schuberts strijkkwartet in C-majeur meer hoor van de kwaliteit die Sullivan ontdekt in Beethovens strijkkwartet in Cis-majeur.


Ik drijf mijn ketterij zelfs ten top door te zeggen dat ik, vergeleken met Beethovens laatste kwartetten en sonates, de voorkeur geef aan de werken uit zijn middelste periode (de Zevende symfonie, het Strijkkwartet met harp, de Missa Solemnis en de eerste drie delen van de Negende symfonie), waarin hij zich nog niet — of althans niet volledig — heeft gewijd aan de overwinning van de beperkingen van de muziekwetten en dus van ‘het lichaam dezes doods’.


Zou het komen door de jood in mij die zich verzet tegen de producten van die in wezen christelijke ambitie — zoals het de atavistische jood in Mendelssohn kan zijn geweest wiens oren geopend werden voor Bachs Mattheus Passion — dat ik een compositie die ik ondanks het feit dat het libretto grotendeels ontleend is aan een van de heiligste christelijke teksten, als wezenlijk joods moet beschouwen?


Ik wil het laatste woord geven aan Thomas Mann. In Doktor Faustus komt een scène voor waarin Kretzschmar, die lezingen over muziek houdt, zijn publiek meedeelt dat Beethovens tijdgenoten betwijfelden of hij een geslaagde fuga kon schrijven. Om die geruchten te ontzenuwen had Beethoven de Grosse Fuge geschreven, die zijn tijdgenoten in opperste verwarring had gebracht, maar die men in Kretzschmars tijd was gaan zien als een van zijn wonderbaarlijkste composities. Voor Kretzschmar lag de kwestie echter ingewikkelder. Mann schrijft: ‘Hij durfde stoutmoedig te zijn… misschien zelfs een flater te slaan en te zeggen dat men in een dergelijke behandeling van de fuga haat en geweld zou kunnen zien, een door en door onbuigzame en problematische relatie met de kunstvorm, een echo van de relatie, of het gebrek daaraan, tussen de grote man en een die nog groter was… Johann Sebastian Bach.’ Door Kretzschmar aangemoedigd ben ik bereid een zelfs nog grotere flater te slaan. Ik speculeer dat de gedachte die Mann Kretzschmar in de mond legt over Beethovens houding tegenover Bach iets te maken heeft met ‘de relatie, of het gebrek daaraan’ tussen christendom en jodendom in (laten we hopen) vroeger tijden.



Norman Podhoretz is redacteur van het Amerikaanse tijdschrift Commentary en senior fellow aan het Hudson Institute.



Vertaling: Tinke Davids