In welk post-tijdperk speelt ons verhaal zich af? Er is niet één datum op de tijdbalk aan te wijzen, of het zou die decemberdag in 2019 moeten zijn dat een inwoner van Wuhan de wekelijkse boodschappen deed op de ‘wet market’, of moeten we toch denken aan een Braziliaanse kip die al veel eerder in de diepvries was gelegd? Misschien kunnen we de dag in januari 2020 gedenken dat er voor het eerst werd gerept van een ‘longontsteking van onbekende oorsprong’, al lijkt die mysterieuze longontsteking al veel eerder slachtoffers te hebben gemaakt. Voor het nabije gemak prikken we 27 februari maar, de dag dat de eerste coronapatiënt in Nederland werd gemeld, al bleek even later dat hiervoor toch misschien ook al vijf Nederlanders aan het virus waren overleden.

Er zijn te veel data, het is een van de gekmakende gegevens die bij nader inzien te zacht zijn om gegevens genoemd te mogen worden. Zelfs na een jaar is het nog te vroeg om ergens zeker van te zijn, behalve dat we ons nog bij lange na niet in het post-tijdperk bevinden. We zitten er middenin, en in plaats van dat er ergens iets helders gloort, een lichtje, hoe klein dan ook, heb ik het gevoel dat we al dieper de tunnel… Stop! Het is vooral zaak om de ingetreden somberte niet de overhand te laten krijgen.

Het is geen oorlog, we leven niet met een bezettende macht, en toch is het zo gaan voelen. Ik durf het bijna niet te zeggen, wat weet ik van oorlog. En dan heb ik nog een tot essentieel verklaard beroep ook, krijg iedere maand een vast salaris gestort, heb geen primaire zorg meer voor mijn kinderen, woon waar en met wie ik wil wonen, ben gezond. Wat zou ik te piepen hebben, behalve dat ik me in toenemende mate bang en ontredderd voel, minder en tegelijkertijd meer alleen ben dan goed voor me is, al weken aanstaar tegen kleine to do-lijstjes naast mijn laptop met daarop alleen maar kwesties van levensbelang: opticien bellen; foto te repareren stoelen maken; verzekering opzeggen; zoomen (16.00 uur); stuk schrijven (dit is een terugkerende zaak); over belasting mailen. Maak ik geen lijstjes dan verzuip ik, en vreemd genoeg besef ik dit het sterkst als ik ’s ochtends mijn tanden sta te poetsen en ik word besprongen door een groot ‘daar gaan we weer’.

Schichtig begeef ik me af en toe naar mijn werkplek, en tref daar een enkele murw gestreden collega op onaanraakbare afstand. De zinnen die we uitwisselen, de woorden die we zoeken voor iets wat lijkt op gelijktijdige over- en onderprikkeling. We spreiden onze vingers en zien de tijd er langs wegdruppelen. Hoe kan een dag elke keer zo kort en zo lang zijn? De deadlines hijgen ons meer dan ooit in de nek, en tegelijkertijd is er die oneindige ruimte die anders gevuld werd met… Ja, met wat? Gesprekjes die je op ideeën brachten, grappen, discussies, een biertje after hours, een onverwachte ontmoeting. Op de ooit levendige burelen staan de ramen tegen elkaar open, op de onbemenste bureaus ligt papiertroep achterhaald te wezen, de koelkast heeft het begeven, de restanten van de laatste borrel staan te verstoffen op het aanrecht, de melk voor de koffie beneden is op. ‘Ben jij de gaande of de nieuwe stagiair? Hoe dan ook welkom.’ En verbeeld ik het me of liggen beneden bij de administratie steeds meer boeken opgestapeld over het kleine geluk dat in bloemen schuilgaat, in vogels, in mediteren, in goed voor jezelf en je overbuurvrouw zorgen? En hé, vergeet je yogamatje niet.

Is het echt een jaar geleden dat we elkaar in uitgedund gezelschap aankeken, en ons beraadden op nieuwe omgangsvormen, een andere vergadercultuur, spatschermen, bureaus uit elkaar, een reserveringssysteem waardoor er niet meer dan vier personen tegelijk op de redactie zouden zijn? Wat waren we fris en inventief, op het lacherige af, we gingen zoomen, kom maar op. Dat we eens in de maand met z’n allen in een heel groot rondje in de belendende kerk bijeen konden komen, mondkapjes op, tilde ons op in plechtigheid. Alles was tijdelijk, en in die tijdelijkheid konden we gedijen als nooit tevoren. Weg met alle ruis, shit, ballast, ongein. Duidelijker dan ooit wisten we waarover het ging in de wereld. En hoe we hier weer uit gingen komen. Met zijn allen. Dat je serieus kon denken in termen van ‘met zijn allen’ zonder van het cda te zijn. En dat het woord solidariteit opeens weer lag te blinken in de schappen.

O, onachterhaalbare onschuldige ijver van de eerste dagen, weken, maand, de eerste golf. Handen wassen, niet aan je gezicht zitten, elkaar de elleboog toesteken (o nee, dat was net even te gezocht), nooit meer handenschudden, beetje knikken, beetje buigen, een kushandje blazen, o nee, nooit blazen. ‘Weet je wat hier heel groot op een bord bij het pontje staat?’ toeterde ik door de telefoon tegen een collega. ‘Dat je anderhalve meter afstand moet houden!’

Ik weet het, yesterday all my troubles seemed so far away, maar dat de begindagen van corona – de eerste persconferentie! De entree van gebarentolk Irma! De schoonheid van de Amsterdamse wallen! De terugkeer van de vogels! Het kopje koffie met de buren op het dakterras! Dat we nog alles dachten over te hebben voor de oudere medemens! Dat onze kinderen leuke mensen bleken te zijn! – inmiddels in een zachte nostalgie gedrenkt voelen, had toch echt niemand kunnen voorspellen. Ik hoor het de serveerster op het terras van het buurtrestaurant nog zeggen. Corona, ze was er wel klaar mee. We schreven… was het werkelijk mei 2020? ‘Ach joh, volgend voorjaar lig jij in de Middellandse Zee. Die vouchers lopen niet weg.’ Vouchers? Zijn dat die bonnen van opgedoekte ondernemingen die je aantreft in de boedel van je overleden ouders?

Opeens kan ik het me afvragen: hoe ziet het eruit als ik in opstand kom?

Na twee of drie keer in die kerk was het overigens afgelopen met onze bijeenkomsten. Geen samenscholingen meer. Net zoals er geen aangepaste hardlooptrainingen meer waren, geen bezoekjes aan de bioscoop waar je zorgvuldig naar de tot nachtclub omgetoverde zaal werd geleid, niet meer naar het theater waar het drankje voor tijdens de pauze alvast werd meegegeven, naar het restaurant om de hoek dat er wat van maakte met een andere tafelindeling. Er brak een ijstijd aan ver voordat het echt begon te vriezen, en de dooi is bij lange na niet… Stop!

Op de dag van het Boekenbal, het carnaval van de grachtengordel, 6 maart 2020, reageerde ik nog ongelovig op het decreet dat het cpnb via de mail aan de genodigden uitvaardigde. Dat we elkaar maar beter niet te enthousiast konden begroeten. De avond ervoor hadden we elkaar nog onbekommerd toegeschreeuwd in een krap bemeten skihut. En wat heeft een aantal van ons, best een fiks aantal, dit moeten bezuren; sommigen zijn nog steeds aan het recupereren.

O, onachterhaalbare naïviteit, dat we dachten dat we er waren als er een vaccin zou zijn. Stond er nu echt in de krant dat de weinige en misschien toch al niet geheel optimale vaccins zodanig vervoerd worden dat je de spuit net zo goed in een Braziliaanse diepvrieskip kan zetten? Denkt het cpnb nu echt dat we deze zomer wél de Boekenweek kunnen vieren?

‘Het staat je niet’, zeg ik tegen de collega aan de andere kant van het spatscherm. ‘Het boze burgerschap.’

Maar het scherm reflecteert mijn eigen spiegelbeeld.

Ik kon het me allemaal niet voorstellen, en inmiddels kan ik me alles voorstellen. Dat ons verhaal zich niet in een post- maar in een pre-tijdperk afspeelt. Waarin we sluipenderwijs afwegingen en keuzes normaler gaan vinden, en iedereen zich het grootste slachtoffer voelt. Moeten we nu werkelijk koste wat het kost die negentigjarigen in leven houden? Waarom wel schaatsen en niet voetballen? Wel de Hema en niet de Blokker? Zij wel, ik niet? Ver voor corona, toen ik me weinig ergers dan alzheimer kon voorstellen, dacht ik nog dat we niet moesten denken het eeuwige leven te hebben, het niet moesten willen zelfs. Inmiddels sluit ik niet uit dat ik me over een jaar niet meer op straat kan wagen zonder het gevaar te lopen door mijn overspannen overbuurman in de knieën te worden geschoten, want ‘het is mooi geweest met jou’.

Nee, we worden niet door genieën geregeerd. Zelfs niet door experts. De staatsmannelijke uitstraling van onze premier duurde twee hele persconferenties lang, misschien anderhalve. Hoelang hebben we niet gesnakt naar een menselijk ‘ik weet het niet’, maar nu het niet-weten de overhand krijgt, behalve in praatprogramma’s op tv, blijk ik me te kunnen ontpoppen tot een in-de-steek-gelaten-burger. Ik voel geen wantrouwen, daarvoor ben ik te gezagsgetrouw opgevoed, maar wel een groeiend niet-vertrouwen. Opeens kan ik het me afvragen: wanneer houd ik op met gedwee afwachten? En hoe ziet het eruit als ik in opstand kom? Valt er een recht in eigen handen te nemen? En wat als ze daar in Limburg dit ook denken te mogen doen?

Nog een paar vragen, dan ga ik die opticien bellen. En een kleurpakket ophalen bij mijn kapper, dat taakje was nog van gisteren blijven liggen. Was het echt afgelopen jaar dat twee vriendinnen ernstig ziek werden (geen corona), een andere vriendin overleed (geen corona), een oom dito (geen corona), dat ik bij niemand in de buurt mocht komen, geen traan heb kunnen drogen behalve – boehoe – die van mezelf? Was het dit jaar dat ik met een nieuw boek én een theatermonoloog zou komen, dat een heruitgave van een eerder boek telkens weer werd uitgesteld, dat alles wat ik mooi en belangrijk vind wordt uitgesteld en opgeschoven tot… Stop!