‘Was hij bang?’

In het eerste verhaal van haar nieuwe bundel, Verkloot, richt Manon Uphoff zich via haar ik-personage direct tot de lezer, over haar ‘geboorte’ als schrijver, zoals ze het noemt; ‘maar meer nog dan dat zou ik je willen vertellen over het water, de bron waaruit deze verhalen oprijzen.

Medium uphoff verhalen

… Het lijkt erop, vooral de laatste tijd, dat hoe meer ik bedenk en fantaseer, hoe sterker een bepaalde realiteit me bij de arm grijpt, en alsof de gezichten die ik als kind dacht te zien in het patroon van het behang, en die verdwenen wanneer ik aan het koordje van het licht trok of mijn bril opzette, soms langer aanwezig zijn, niet meer verdwijnen, maar me uitnodigen: “kom voorwaarts, kom voorwaarts”.’

Het verhaal dat volgt is een heel achteloos vertelde, onnavolgbare familiegeschiedenis vol melodrama, ongelukken, misgeboortes; het verhaal daarna, Iconen, is bijna essayistisch zoekend, waarin verschillende (persoonlijke) geschiedenissen tegen de moord op een Russische priester aan worden gehouden; De rode is literair een meer rechttoe-rechtaan verhaal over de angst voor een familielid; Regen is een afstandelijk geschreven portret van ‘de korte­verhalenschrijfster’ op reis door Vietnam; Henry (koning Henry) is juist een portret geschreven van onder de huid van een cellist, die toeziet hoe zijn jonge stiefdochters zijn ordentelijke leven binnendringen en niet zo goed begrijpt hoe zeer hij op ze gesteld is; De beer en het meisje is een minisprookje, zoet en donker, over de liefde tussen een meisje en de beer die haar ouders heeft opgegeten.

Uphoffs vertelster in Verkloot heeft het over de gezichten die je ziet in het patroon van het behang, zoals je ze kunt zien in bladeren, of dieren in wolken, of woorden in de manier waarop schaduwen over het parket bewegen – het zijn gezichten die je ziet zolang je staart, zolang je niet écht ziet waar je naar kijkt. Zodra je met je ogen knippert zijn ze weer weg. Maar de personages in Uphoffs nieuwe verhalenbundel De zoetheid van geweld knipperen niet, ze blijven vastzitten in de al dan niet imaginaire dreiging. Hoe gevarieerd de verhalen in stijl ook zijn, in hun thematiek zijn ze heel hecht. Het is een van de beste boeken die Manon Uphoff heeft geschreven.

Het sterkste verhaal vond ik Iconen, omdat hier Uphoffs manier van vertellen ongedwongen poëtisch is en toch heel helder. De vertelster, een schrijfster, en haar echtgenoot verblijven in een klein Kroatisch stadje, Dobrinj, wat ‘goede plek’ betekent, omdat ze behoefte hebben zich terug te trekken nadat allebei hun ouders zijn overleden; daar leest ze over de moord in de nacht van het Russische kerstfeest waarin twee mannen een priester met een kandelaar het hoofd insloegen, in een dorpje twaalfhonderd kilometer ten oosten van Moskou, Nejvo-Sjitanski. Ze haast zich om te zeggen dat ze het ook niet zo goed kan uitleggen waarom die moord haar zo droevig stemt, waarom die moord haar aan haar eigen vader doet denken, maar ze doet verslag van alles wat ze over de moord weet te vinden.Waar de daders vandaan kwamen, wat voor iconen er in de kerk van de priester hingen, hoe het dorp eruitzag. Ze schrijft hoe het gezin van de laatste tsaar vlak bij Nejvo-Sjitanski werd geëxecuteerd, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, en hoe tsaar Nicolaas nu ‘Sint Nikolaas’ is geworden, omdat hij zijn gewelddadige lot zo lijdzaam onderging. Ze schrijft over de spirituele waarde die door Russen aan iconen wordt toegekend en over de polemiek tussen de grote criticus Bellinksy en de grote auteur Gogol, die volgens Bellinsky de staatsreligie te veel beschermde.

De zaken worden niet aan elkaar gepraat. Ze zegt nooit dat de priester een stand-in voor haar vader is, of dat haar interesse voor iconen misschien een overblijfseltje is van haar overtuigd katholieke vader in haar, terwijl ze denkt dat ze haar geloof heeft afgezworen. Maar één keer stelt ze de oervraag over de priester, al is die vraag net zo makkelijk te stellen over haar eigen vader, of over tsaar Nicolas II: ‘Was hij bang?’

Ze stelt zich het antwoord op die vraag, of ze het als atheïst nu door heeft of niet, in spirituele termen voor: in het geval van gevaar komt de ziel buiten het lichaam te staan, dat nog louter instinctief reageert en: ‘Dat de geest zich ervan losmaakt en een tijdje rondzweeft in paniek, als een vlam die loskomt van de kaars, geschrokken en ontzet nu duidelijk wordt dat hij niet naar de pit zal kunnen terugkeren (en zal doven in het proces).’

Het motto van De zoetheid van geweld komt van Isaak Babel: ‘People are good. They’ve been taught to think that they’re evil, and they ended up believing it’ (ik wist niet dat Babel een Engelsman was). Met Babel in gedachten is het jammer dat Uphoffs novelle De ochtend valt niet in deze bundel is opgenomen: eerder dit jaar kreeg de schrijfster er verrassend de Opzij Literatuurprijs voor. ‘Verrassend’, want op amper zestig heel blank bedrukte bladzijden was het een vlieggewicht – maar de novelle (eigenlijk een prozagedicht over een jongen die denkt gezien te hebben dat zijn vader zijn moeder heeft vermoord) had er thematisch perfect bij gepast, en had de diversiteit in stijl nog eens onderstreept. Maar oké. Deze negen nieuwe verhalen staan op zichzelf ook hun mannetje. Of vrouwtje, net wat Uphoff wil.


Manon Uphoff, De zoetheid van geweld, De Bezige Bij, 191 blz., € 15,90 – e-book, € 14,99