De gouden lier: Archaïsche Griekse lyriek

Was ik maar een ijsvogel

De gouden lier: Archaïsche Griekse lyriek

Vertaald door Paul Claes

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 336 blz., € 34,95

Hoewel een enkele dichter heden ten dage nog van mening is dat goede poëzie voortkomt uit genadeloze zelf reflectie, heftige aandoeningen en het pijnlijk besef een tragische eenling in een belachelijk universum te zijn, vinden veel poëzieliefhebbers dat de dichtkunst, als ze al niet spontaan op straat of op het podium gemaakt wordt, in ieder geval midden in de wereld behoort te staan. Diep geconcentreerd met gedichten worstelen op muffe zolderkamertjes is uit; de poëzie moet de boer op. Op de Nacht van de Poëzie, bij Poetry International, en bij Crossing Border wil het publiek in de eerste plaats geamuseerd worden, zij het dat het hier gaat om een enigszins intellectuele vorm van vermaak. Poetry Slam-competities schieten als paddestoelen uit de grond en een middelgrote gemeente die nog geen stadsdichter heeft, loopt achter. Om niet te spreken van de profeet des vaderlands die in een kwaliteitskrant mag laten zien dat je om gedichten te kunnen schrijven beslist geen hoogvlieger behoeft te zijn. Kortom, de poëzie heeft zich losgerukt uit haar au tis tisch isolement, dichters zijn geen gestoorde stamelaars meer, zij bren gen een product aan de man.

Dat poëzie een maatschappelijke functie vervult, is niets nieuws. Klassiek Chinese dichters waren doorgaans ambtenaren die hun carrière met poëzie begeleidden, Vondel schreef snoeiharde hekeldichten, Ho ratius en Statius prezen de Romeinse keizer, West-Afrikaanse griots zijn eeuwenlang het geheugen van hun volk geweest. De Europese literatuur begint in de zevende eeuw voor Christus met het epos van Homeros en het leerdicht van Hesiodos, maar in dezelfde tijd ontstaat ook de Griekse lyriek. Lyriek is een overkoepelend begrip geworden voor een grote verscheidenheid aan poëtische genres, die in de archaïsche Griekse wereld nog strikt van elkaar werden onderscheiden. Ly risch in eigenlijke zin was slechts die poëzie die hetzij door de dichter, hetzij door een dansend koor ten gehore werd gebracht onder begeleiding van een snaarinstrument. De metrische patronen van deze poëzie zijn vaak buitengewoon complex. Eenvoudiger van structuur zijn de elegieën, die niet gezongen, maar gedeclameerd werden, misschien begeleid door een rietblazer. Hetzelfde geldt voor jambische poëzie, die vaak satirisch van karakter is. Maar hoe groot de verschillen tussen persoonlijke en koorlyriek, elegie en jambe ook zijn, al deze gedichten waren bedoeld om op het dorpsplein, voor de tempel, bij bruiloften of drinkgelagen te worden uitgevoerd. De grote Griekse lyrici waren geen onbegrepen genieën.

Omdat veel van deze poëzie ontstond in een tijd waarin het schrift nog een zeer ondergeschikte rol in de samenleving speelde, en omdat het in veel gevallen om gelegenheidswerk gaat, is de meeste lyriek nooit gepubliceerd, laat staan be waard gebleven. Slechts een ge ring aantal dichters was zo geliefd dat hun gedichten werden opgeschreven en bleven circuleren, maar een hoge status had dit werk doorgaans niet. In zijn Poetica doet Aristoteles zelfs alsof de lyriek helemaal geen literatuur is. Pas in het hellenistisch Alexandrië, in de derde en tweede eeuw voor Christus, werden er lijvige edities van de belangrijkste lyrici samengesteld, die grote invloed zouden hebben op de Latijnse poëzie. Toch is in de latere oudheid de belangstelling voor de Griekse ly riek langzaam maar zeker verdwenen, met als gevolg dat de boeken niet meer gekopieerd werden en verloren gingen.

Wat we nu nog kunnen lezen is een fractie van wat er geweest moet zijn. Literatuurtheoretici uit de oud heid – meestal opgeleid als redenaar – citeren soms een compleet ge dicht, maar meestal moeten we het hebben van taalkundigen die in woordenboeken of verhandelingen over merk waardige grammaticale verschijnselen losse woorden of zinnen aanhalen. Gelukkig is er de afgelopen eeuw nog van alles te voorschijn gekomen uit het Egyptische zand, en onlangs werd bekend gemaakt dat er een nieuwe techniek is ontwikkeld om de talrijke papyrusfragmenten die zich in vooral Britse bibliotheken bevinden, leesbaar te maken. Hopelijk wordt daar door het corpus wat uitgebreid.

Paul Claes, die eerder onder anderen Catullus, Rimbaud en Joyce vertaalde, heeft nu een groot deel van het beschikbare materiaal toegankelijk gemaakt in een prachtige tweetalige uitgave. Van Sappho wa ren al enkele vertalingen beschikbaar, misschien zijn Archilochos, Alkaios en Anakreon vagelijk be kende namen, verder is vrijwel alles wat in dit boek staat voor de Nederlandse lezer geheel nieuw. Het is een voorrecht in onze eigen taal kennis te mogen maken met de snijdende vrouwenhaat van Semonides, de fonkelende beelden van Alkman, de woede van Hipponax en, bijvoorbeeld, dit kinderliedje:

Schi-ildpadje, wat doe je in de kring?

Ik weef mijn wol en maak een kleed ermee.

Wat heeft je zoon gedaan dat hij verging?

Vanaf zijn witte span sprong hij in zee.

In zijn inleiding doet Claes de onzinnige uitspraak dat de Griekse poëzie thematisch gevarieerder is dan de onze. Bij het lezen van deze bundel valt juist op dat er zo veel onderwerpen en motieven zijn die steeds terugkeren, ook al tracht iedere dichter het net iets anders te verwoorden. Vanzelfsprekend komen liefde en erotiek frequent aan bod, in menig gedicht wordt vastgesteld dat het leven kort en ellendig is, de goden en helden uit het epos komen regelmatig voorbij, er wordt gefoeterd op slechte mensen, de wijn vloeit rijkelijk.

Hier wordt Archilochos gepijpt: «als een Thrakiër of een Frygiër/ die bier zuigt door een rietje,/ zo zwoegde zij voorovergebogen». Hier betreurt Alkman zijn ouderdom:

Ach, ach, was ik maar een ijsvogel,

ik wiekte samen met de wijfjes

onverschrokken over de schuimkoppen

als die vinnige zeeblauwe vogel.

En zo parodieert Hipponax het begin van de Odysseia: «Muze, bezing me Eurymedons zoon, de zeeënverzwelger,/ die een mes in zijn maag heeft om zich te pletter te vreten.»

Claes heeft alle dichters – het zijn er twintig, afgezien van de anonieme drink- en volksliedjes – kort maar krachtig ingeleid, waarbij hij steeds ook ingaat op het Nachleben van de fragmenten: een anekdote over Ibykos bij Friedrich Schiller, Sappho en de genderstudies, Leopardi en het pessimisme van Semonides. Zoals vroegere vertalingen van de Griekse lyriek in vloed hebben gehad op Bilderdijk, Byron, Pound en Faverey zal dit boek van Claes zijn sporen nalaten in de Nederlandse poëzie van de eenentwintigste eeuw.