Was ik maar iemand anders

Carson McCullers in 1955 © Bettmann / Getty Images

Tijdens de hondsdagen van 1944 ergens in het gesegregeerde Diepe Zuiden van Amerika beseft een wit meisje van bijna dertien jaar, Frankie Addams, dat ze nergens meer bij hoort. Haar moeder is bij haar geboorte gestorven, haar vader heeft het druk met zijn juwelierszaak in het stadje en haar beste vriendin is naar Florida vertrokken. Op een zomerdag pakt zij het pistool van haar vader om ermee te oefenen, steelt ze een mes uit een winkel en heeft ze in een donkere garage een onaangename seksuele ervaring. De wijde wereld en de oorlog – Parijs is net bevrijd – zijn ver weg. Haar enige gezelschap zijn haar neefje van zes en de zwarte kokkin, Berenice Sadie Brown, die haar in feite opvoedt. De keuken is de plek waar Frankie de wijze, nuchtere woorden van Berenice aanhoort maar nog niet echt begrijpt.

Carson McCullers (1917-1967) was een meester in het oproepen van desolate situaties in een broeierige, potentieel gewelddadige omgeving. En dat wás het intens racistische Diepe Zuiden in de jaren veertig. Vlak bij Frankie’s stadje is een soldatengarnizoen. Horden soldaten, die later over de hele wereld zullen uitzwermen, zoeken vertier in het stadje. Frankie’s enige strohalm is het komende huwelijk van haar broer Jarvis, die als soldaat in Alaska was gelegerd. Hij trouwt met Janice. En omdat Frankie eigenlijk Francis Jasmine heet, ziet zij in de beginletters van de drie namen (Ja) niet alleen een naamsverbondenheid. Zij klampt zich vast aan het idee met haar broer en haar bruid mee te gaan na hun huwelijksdag, ondanks Berenice’s nuchtere waarschuwende opmerking dat twee een gezelschap is maar drie een menigte. Frankie denkt dat ze kan samenvallen met het huwelijkspaar: ‘Zij zijn mijn wij’ (‘They are the we of me’).

‘Iedereen zit wel ergens vast. Maar gekleurde mensen kunnen geen kant uit’

McCullers schreef haar derde roman The Member of the Wedding (1946) in drie delen. Eerst noemt ze haar hopeloos verlangende heldin Frankie. In het middendeel heet ze F. Jasmine. Ze lijkt opeens ouder en haar tedere kinderwereld en de ruwe wereld van de volwassenen botsen hard op elkaar. Ze scheert langs de rand van de afgrond als ze bij toeval een roodharige, dronken soldaat ontmoet in het stadje en per ongeluk een afspraakje met hem maakt. In het slotdeel doet Frances, zoals ze dan heet, een laatste poging zichzelf en het stadje te ontvluchten, maar ze wordt opgevangen in hetzelfde café, Blue Moon, waar ze de avond ervoor weer een nare bijna-seksuele ervaring heeft gehad.

Toch is de mislukte uitbraak van Frankie/F. Jasmine/Frances niet de kern van de roman, hoe formidabel McCullers het puberende meisje ook weet te beschrijven in al haar onzekerheden en overdreven verlangens. Het verhaal krijgt een veel bredere diepgang dankzij kokkin en ‘keukenkoningin’ Berenice. Deze geduldige opvoedster van Frankie, die vier heftige huwelijken achter de rug heeft (het laatste kostte haar een oog), zorgt er met haar rake en wijze opmerkingen voor dat haar ‘kind’ tegengas krijgt. Ze spreken over de tijd (het vluchtige moment), de dood, Gods gebreken, de liefde (Berenice’s eerste huwelijk was gelukkig), familie en het lot. Frankie vindt dan wel dat ze hopeloos vastzit in zichzelf en in het stadje, Berenice, wonend in de aparte zwarte wijk (zeg maar getto) Sugarville, weet veel beter. Zij heeft haar eigen vredige verlangens in het oorlogsjaar 1944: ‘Geen lijken die in Europa stijf aan de bomen hangen, en nergens geen moord op Joden.’ Maar haar verlangens weerspiegelen de realiteit niet, waarin gelynchte zwarten – ‘strange fruit’ – aan boomtakken bungelen. En dat is al lang tot Berenice doorgedrongen. Zij zit veel meer vast in haar leven dan de onervaren Frankie ooit kan beseffen. ‘Omdat ik zwart ben. (…) Omdat ik gekleurd ben. Iedereen zit wel ergens vast. Maar gekleurde mensen kunnen echt geen kant uit.’

Symbolisch voor dat maatschappelijke ‘vastzitten’ is Berenice’s familielid Honey Brown, een talentvolle maar geestelijk onevenwichtige trompettist. De muziek als tijdelijke vluchtroute. Maar ook hij komt later letterlijk vast te zitten: acht jaar gevangenis. Zijn trompetspel omschrijft McCullers zo: ‘A wild jazz spangle that zigzagged upward with sassy nigger trickiness.’ Wat staat er, tot mijn verbazing, in de vertaling? ‘Wilde sprankelende jazzklanken, die brutaal en virtuoos zigzaggend omhoog klommen.’ Dit is een verdoezelende vertaling omdat vertaler Molly van Gelder één woord verdonkeremaant: ‘nigger’. Dat woord komt nog één keer voor in de roman en daar vertaalt ze het woord wél, ook omdat er op die plek geen ontkomen aan is. Toevallig of bewust?

Het oeuvre van Carson McCullers is nu voor een groot deel in het Nederlands vertaald. Dat is verheugend. Haar romans behoren tot de klassieken in Amerika. McCullers gebruikte wel meer het woord ‘nigger’. Het zou vreemd zijn geweest als dat woord niet voorkwam in haar verhalen, waarin ze zich altijd verzette tegen racisme. In de gesegregeerde bus die de mokkende en zwijgende Frances van het huwelijk terugbrengt naar huis gaat ze achterin zitten, naast haar alternatieve ‘moeder’ Berenice. Een subtiel protest van Carson McCullers tegen apartheid.