Was ik maar twaalf!

Hasselt (11 mei) en Vlissingen (12 mei). Waarschijnlijk komend seizoen opnieuw in produktie. Inl. 020-6229328
Tegen het eind van mijn lagere school (we spreken over 1959) ontdekte onze hoofdonderwijzer de kunsten. Eerst kwam er een artistieke glasblazer langs, wiens diepzinnig hedoelde hertjes onderweg naar huis al sneuvelden. Daarna een poppenspeler, wiens voornaamste heroiek was gelegen in het feit dat hij zijn kast bouwde bovenop het altaar van de schoolkapel. Op de ulo kwam de schoonheid uit de krakende koffergrammofoon van de directeur: Für Elise en Erbarme Dich. Mijn diepe bewondering voor kunstenaars die anno 1996 werken voor de kinderen en jongeren, komt derhalve uit pure jaloezie. Dit had ik als kind willen meemaken! Dat bedacht ik tijdens de try-out van De huisbewaarder (tekst: Harold Pinter, regie: Liesbeth Coltof, uitvoerend gezelschap: Huis aan de Amstel).

De huisbewaarder - een tekst uit de jaren zestig - is beslist niet voor kinderen geschreven. Het is zo'n stuk waar je de vingers niet achter krijgt. Twee jongens (broers?) wonen in een bouwval. De een lijkt een alles-kits-achter-de-ritsmacho, maar dan nogal neurotisch. De ander is een beetje vreemd, in zichzelf gekeerd. De vreemde jongen neemt een zwerver mee naar de bouwval. De zwerver mompelt almaar iets over papieren die hij ergens moet ophalen. Ondertussen neemt hij langzaam maar zeker bezit van de bouwval. De vreemde jongen wordt daar zenuwachtig van, biedt de zwerver niettemin aan te blijven en huisbewaarder te worden. De neurotische macho doet hetzelfde, maar hij biedt de zwerver een ‘baan’ met een toekomst. De zwerver drijft vervolgens een wig tussen de twee jongens. En aan het eind moet hij weg. Of toch niet? Pinter laat het open. De voorstelling ook.
Het stuk is geschreven in een taal die bestaat uit omtrekkende bewegingen. Niemand zegt precies wat hij bedoelt, misschien liegen ze allemaal wel. Er is één houvast: de vreemde jongen onthult dat hij in een gesticht heeft gezeten. En dat de dienstdoende dokters daar een griezelig experiment met hem hebben uitgehaald met elektroshocks. Dat verhaal wordt zo overtuigend verteld dat je als publiek weet: dit verzin je niet. De vreemde jongen wordt daardoor een ijkpunt in het stuk. Je gaat als toeschouwer het bedrog van die andere twee leggen naast de teksten van de in zichzelf gekeerde jongen met dat rossige haar: ,Ik kwam uit het ziekenhuis, legde mijn spulletjes bij elkaar en ik ging almaar niet dood.’
Pinter voor kinderen; ik heb het nooit voor mogelijk gehouden. Zijn teksten zijn dichtgetimmerd, duister, triest, en door de leugen als drijfveer ook zo verdomde somber. Dat zet je kinderen niet voor. Dacht ik. Tot ik (twee keer) De huisbewaarder door Huis aan de Amstel zag. Dit had ik als kind van twaalf willen zien, wist ik zeker. Ik heb er niet voor doorgeleerd, maar volgens mij maak je vanaf die leeftijd (of net iets eerder) een scherpe scheiding tussen het eigen bestaan en dat van anderen. De levensleugens van ouders en aangrenzende volwassenen worden op twaalfjarige leeftijd genadeloos afgepeld, de positie ten opzichte van leeftijdsgenoten wordt dan min of meer definitief bepaald. Er ontluikt een besef over het verschil tussen de eigen 'dampkring’ en die van 'de wereld’.
En precies daarover gaat De huisbewaarder. Ik kan nu allemaal mooie zinnen gaan opschrijven. Over het transparante decor en het slimme licht. Over het lekkende dak dat druppelt op vier tonen muziek. Over de acteurs, die ik alle- drie vaak heb zien spelen, maar die ik in deze voorstelling aanvankelijk helemaal niet herkende, zo goed was hun 'vermomming’, hun transformatie. Ook kan ik een lofzang aanheffen over de regie, hoe fraai het ritme is gedirigeerd, van ogenschijnlijk nonchalant adagio naar huiveringwekkend crescendo. Maar het belang, de noodzaak van deze voorstelling zit hem toch vooral in het helder, bijna schaamteloos demonstreren hoe leugens en bedrog in een jong mens ontstaan. In het tonen dat, wanneer je de leugen ontdekt of benoemt of alleen maar waarneemt, dat het moment is waarop zich misschien ook een uitweg aandient uit die slangenkuil. Hier zet ik meteen een vraagteken. Want boodschapperige uitroeptekens biedt de voorstelling niet.
Maar wat had ik als twaalfjarige jongen graag deze Huisbewaarder gezien!