Was ik ooit aardig?

Op een gegeven moment zijn de regeringsleiders, de ministers, de directeuren en de opperbevelhebbers je leeftijdgenoten geworden.

Plotseling merk je dat er een minister is met wie je feuten hebt afgezeken; er is een vrouwelijke staatssecretaris bij wie je niets hebt klaargemaakt omdat jullie beiden te dronken waren; en je weet van de partijvoorzitter dat hij vroeger op zijn studentenkamer, onder zijn bed, de grootste verzameling porno had van het studentenhuis en zich altijd aftrok in zijn oude sokken omdat hij geen zakdoeken had.
Cynisme, ooit je tegenstander, is vanaf dat moment je kameraad.
Wanneer je jong bent, sterven er wel vrienden van je; sommigen plegen zelfmoord, anderen sterven door een ongeluk, maar op een bepaald moment in je leven lijkt het of overal de kanker, de m.s. en de hart- en vaatziekten om je heen woeden; je begint aardigheid in begrafenissen te krijgen en je merkt dat je verdriet verandert; je maakt je minder kwaad om de onrechtvaardigheid van de dood en je berust in de pijn waarvan je weet dat je die zal blijven voelen.
De dood, ooit je grootste vijand, geeft soms zijn visitekaartje aan je waarbij hij innemend glimlacht; je moet hem eens spreken - hij is niet zo angstig.
Schoonheid - de jeugd weet precies wat het is. Als ik naar mijn kind ga - op een gegeven moment is het vreemd dat je bij je Ex je vijftienjarige dochter ophaalt - zie ik dat Ex en mijn moeder zich voor de spiegel opmaken. De één wil er ouder uitzien, de ander jonger; beiden dienaressen van de schoonheid. Op welk moment wissel je van oud naar jong? Waartoe dient de maatstaf der schoonheid? Je gaat naast ze voor de spiegel staan en je ziet hoe weerzinwekkend oud je bent - dat de visitekaartjes van de dood in je pochetzakje zitten - en je Ex zegt dat je er best nog ‘jong’ uitziet.
Schoonheid - ik heb daar altijd voor geleefd - maar ik heb nog nooit zoveel saaiheid ontmoet op het moment dat ik dacht schoonheid te treffen. Ergens scheid je van schoonheid zoals je van je vrouw scheidt. Je blijft van haar houden zoals ze toen was, toen je haar ontmoette, toen je verliefd op haar werd - die beelden zijn het bijtend zuur in de geest wanneer je later aan een verleden denkt dat dichterbij ligt en waarin je haar zeer deed, bij d'r wegwilde.
Waar en wanneer begin je met je leven te spelen? Vermoedelijk op het moment dat je het serieus begint te nemen, en niets je iets kan schelen. Zeven jaar geleden bladerde ik met mijn dochter in oude fotoboeken; je geneert je dan als je zegt: 'Kijk, hier waren papa en mama in Italië - op huwelijksreis.’ Nu laat ze die fotoboeken zien aan een vriendje, en ze weet niet eens dat je tegenover haar zit. 'Kijk, hier waren ze in Italië - wat zag papa er belachelijk uit, vind je niet?’ Je lacht mee. Je begint een zin met: 'Die lange haren, dat stond toen voor…’
'Niet over vroeger zeuren, pap.’
Die foto’s zijn trouwens behoorlijk flets geworden. Of gaan je ogen achteruit?
Je aantekeningenboekje - waarin je vroeger theorieën opschreef - staat nu vol vragen waar je eigenlijk niets mee kunt: 'Vroeger werd ik wakker en was ik bedroefd, later werd ik wakker en was ik gelukkig. Tegenwoordig word ik wakker en kan het me allemaal niks meer schelen.’ Of: 'Wat een heerlijke dag voor een begrafenis, crematie of een fijne neukpartij.’ Of: 'Ook bij Mathilde al d'r schedel door d'r gezicht zien schijnen.’ Ik werk met de televisie aan, omdat ik hoop op oorlog. Op bombardementen.
In een boekwinkel blijf ik hangen, omdat ik een boek over de Eerste Wereldoorlog niet durf te kopen. Er staat niets intellectueels in, alleen maar plaatjes van verwoeste steden, bloederige loopgraven en verbrande lijken.
Wanneer ben ik eigenlijk opgehouden een aardige jongen te zijn, of was ik nooit aardig?