Was reich-ranicki een poolse spion?

Marcel Reich-Ranicki was tot voor kort Duitslands gevreesde literatuurpaus. Was hij ook ooit een Poolse spion en een verachtelijke meeloper? Of heeft hij iets te vertellen over de geschiedenis van Europa?

HET ALGEMEEN DAGBLAD had voor de gelegenheid een bijzonder grimmige foto van hem afgedrukt: een somber gelaat vol rimpels en plooien. ‘Het doek valt voor Duitse literatuurpaus Reich-Ranicki’, stond boven het stukje van Ad Vaessen, die profeteerde dat aangezien in de Bondsrepubliek zelfs vuilnismannen worden ontslagen omdat ze voor de Oostduitse Stasi hebben gewerkt, de 'televisieshow Het Literaire Kwartet’ van Marcel Reich- Ranicki spoedig zal worden stopgezet en de 74-jarige literatuurcriticus derhalve voor een abrupt einde van zijn loopbaan staat. Hij had nu immers eindelijk, na wekenlange ontkenningen, in een interview in Der Spiegel toegegeven dat hij van 1944 tot 1949 had gewerkt voor de Poolse geheime dienst.
Toevallig bevond ik me op een plek waar uitsluitend het Algemeen Dagblad te koop was. Daar zat ik me enkele dagen bijzonder kwaad te maken op de botheid waarmee men in Duitsland fouten uit het verleden te lijf gaat. Probeert dan niemand daar te begrijpen waarom een joodse overlevende van het getto van Warschau zich nog tijdens de oorlog aanmeldt om op zijn eigen wijze tegen de Duitsers te strijden, namelijk door zijn kennis van de Duitse taal? Staat de Poolse geheime dienst in 1945 gelijk aan de Stasi in 1989? Is het niet belangrijker van het verleden te leren in plaats van iedereen grofweg in absoluut goed en absoluut fout te willen indelen?
Ik was door het Algemeen Dagblad en mijn eigen vooroordelen op een dwaalspoor gebracht. Toen ik later de Duitse kranten van de afgelopen maand las, vond ik geen enkel bericht over stopzetten van Het Literair Kwartet en bleken vele verdedigers van Reich-Ranicki achter de tekstverwerker te zijn gekropen. De felste aanvallen kwamen niet eens uit Duitsland maar uit zijn voormalig vaderland Polen. Zijn geschiedenis aan beide kanten van de Pools-Duitse grens zou dan ook meer dan voldoende stof kunnen bieden voor een al dan niet socialistisch-realistische romancyclus.
MARCEL REICH WERD op 2 juni 1920 geboren in een kleine Poolse stad, Wloclawek aan de Weichsel, waar tot het einde van de Eerste Wereldoorlog de Russisch-Duitse grens liep. Zijn vader kwam uit een Pools- joodse koopmansfamilie, zijn moeder uit een familie van Duitse rabbijnen. Toen Marcel negen jaar was verhuisde het gezin naar Berlijn, waar hij naar het gymnasium ging, de Duitse literatuur en cultuur leerde kennen en de opkomst van de nazi’s meemaakte. In 1938 werd hij als Pools staatsburger opgepakt en naar Warschau overgebracht, waar hij vanaf 1940 in het door de Duitsers ingestelde getto als vertaler werkte. In een televisiefilm vertelde hij onlangs over de rol die muziek en gedichten in die tijd voor hem en de andere joden speelden. Zijn ouders en broer werden door de nazi’s omgebracht, maar zelf kon hij begin 1943 met zijn vrouw Teofila uit het getto ontsnappen. Na twee jaar onderduik werden ze door de Russen bevrijd.
Hij werd lid van de Poolse communistische partij, werkte in 1946 in Berlijn bij het Poolse militaire gezantschap, op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Warschau en daarna als consul van Polen in Londen. Met name in die tijd zou hij contact hebben gehad met de Poolse geheime dienst. Toen hij in 1949 op eigen verzoek naar Warschau terugging, werd hij enige weken opgesloten, uit zijn buitenlandse dienst ontslagen en uit de Communistische Partij gezet wegens 'ideologische vervreemding’. Hij werkte vervolgens in Warschau als redacteur van een uitgeverij, en onder de naam Ranicki als criticus. In de zomer van 1958 besloot hij na een studiereis in Duitsland te blijven, waar hij werk vond als recensent bij onder meer Die Zeit en de Frankfurter Allgemeine. Maar vooral door z'n literaire televisiegesprekken Das Literarische Quartett werd hij een nationale beroemdheid die bijna kan decreteren wat bij het Duitse publiek succes zal hebben: Cees Nooteboom wel, Harry Mulisch niet bijvoorbeeld.
Vijanden kreeg hij zodoende ook genoeg, onder wie Tilman Jens, zoon van Walter Jens, tot voor kort een van de beste vrienden van Reich-Ranicki. Tilman Jens kreeg de tip dat in een Poolse krant in 1991 een interview was verschenen met de in Australie wonende Poolse dubbelspion Krzystof Starzynski, die het onder andere had over zijn chef in Londen tot 1949, ene Marceli Ranicki. Dit leidde tot een tv-uitzending op 29 mei waarin Marcel Reich-Ranicki werd beschuldigd medeverantwoordelijk te zijn voor het feit dat Poolse piloten vanuit Engeland terugkeerden naar Polen en daar aan vervolging blootstonden. De beschuldigingen konden echter niet hard worden gemaakt. Later bleek dat Jens anders luidende verklaringen bewust terzijde had gelegd.
In Die Zeit verscheen als antwoord een interview waarin Reich-Ranicki uiteenzette hoe de liefde voor de Duitse literatuur de leidraad is geweest voor bijna zijn hele leven - behalve nu juist in die naoorlogse periode toen hij op basis van zijn oorlogservaringen had geconcludeerd dat de literatuur had gefaald. Na bevrijd te zijn door het Rode Leger had hij oprecht geloofd dat het communisme een betere wereld - zonder antisemitisme - zou betekenen.
Hij legde ook uit waarom voor hem in die tijd de DDR het betere Duitsland vertegenwoordigde: omdat daar de grote schrijvers uit zijn jeugd welkom waren, in tegenstelling tot de Bondsrepubliek waar oude nazi’s nog altijd de dienst uitmaakten. Dat hij in 1958 toch in die Bondsrepubliek ging wonen, kwam alleen doordat hij geen geld had om naar Zwitserland te gaan en de Bondsrepubliek verplicht was hem op te nemen. Wat de Londense periode betreft: het was vanzelfsprekend dat hij als consul contact had met de Poolse geheime dienst, maar hij had niets gedaan waarvoor hij zich moest schamen. Het was allemaal amateuristisch en overbodig gedoe geweest.
HET WAREN NIET de minsten die Reich- Ranicki te hulp schoten. Wolf Biermann, de ex-Oostduitse dissidente zanger, schreef in Der Spiegel een eigenaardig artikel waarin hij Reich-Ranicki niet zozeer verdedigde maar Tilman Jens van plaatsvervangende vadermoord beschuldigde. Reich-Ranicki is tenminste tussen alle saaie pieten een hartstochtelijke literator: 'Ich liebe ihn, anders ist er auch nicht auszuhalten.’ In de Frankfurter Allgemeine betoogde Rolf Hochhuth dat het voor een schrijver zelfs geweldig eervol is voor een geheime dienst te werken. Somerset Maugham en Graham Greene werkten toch ook voor de Britse geheime dienst. Hochhuth ontzegde bovendien een jonge Duitser het recht de door de nazi’s vervolgde Reich-Ranicki aan te klagen. En hij betwijfelde of een joodse consul in Londen aartskatholieke en antisemitische officieren zou hebben kunnen ompraten om terug te gaan naar het communistische Warschau.
Intussen kwamen er uit Polen andere berichten. Hubert Orlowski, hoogleraar germanistiek aan de universiteit van Poznan, schreef een uitvoerig artikel in de Frankfurter Rundschau, waarin hij de resultaten weergaf van een onderzoek naar de Poolse geschriften van de criticus Marceli Ranicki in de jaren 1951 tot 1958. Volgens hem was daar niets subversiefs of vernieuwends bij, eerder was het een soort 'verwaterd lukacsianisme’ - Ranicki was slechts een middelmatige adept van de Hongaarse marxistische filosoof en zijn werk was in Polen van geen betekenis geweest. Ranicki was zo 'linientreu’ dat het op een bepaald moment zelfs de officiele Poolse kritiek begon te irriteren.
Orlowski suggereert dat het zo tegen 1956 al lang dooide in de Poolse literatuurkritiek, terwijl Reich-Ranicki nog moeite had met Kafka en Heinrich Boll maar halfhartig accepteerde. Het is allemaal niet gemakkelijk te controleren. In hoeverre wordt Orlowski door jaloezie op zijn beroemdere collega gedreven? In hoeverre moest Ranicki de overheid welgevallige zinnetjes opnemen in nawoorden bij uitgaven om niet zo goed liggende Duitse schrijvers toch uitgegeven te krijgen?
De Polen publiceerden ook nog een bladzijde uit een in kleine oplage verschenen officieel werk over de Poolse veiligheidsdienst tussen 1944 en 1978, waarin precies de bezigheden van 'Marceli Reich’ voor de Poolse geheime dienst tussen 1944 en 1950 worden vermeld. Daaruit blijkt dat hij het daar zelfs tot kapitein heeft gebracht.
In het interview met Der Spiegel gaat Reich-Ranicki zelf nog een stap verder, al probeert hij de betekenis van de rang kapitein met een grapje te relativeren. Hij tracht aannemelijk te maken waarom hij niet eerder de waarheid heeft gezegd: toen hij in 1950 uit de geheime dienst werd ontslagen moest hij de (in die kringen gebruikelijke) verklaring ondertekenen dat hij nooit over de geheime dienst zou spreken. Ook na 1958 heeft hij altijd loyaal willen zijn ten opzichte van de Poolse staat en nooit een woord tegen Polen geschreven. Niet uit angst, zegt hij. Hij vond dat hij als jood die in 1938 door de Duitsers naar Polen was gedeporteerd, Duitsland geen verantwoording schuldig was over wat hij tijdens en kort na de oorlog had gedaan. Pas nu de Polen zelf documenten openbaar hadden gemaakt, voelde hij zich van zijn geheimhoudingsplicht ontslagen.
Dat interview roept inderdaad vele vragen op en die stelt Der Spiegel dan ook. Maar het antwoord is niet altijd bevredigend. Zijn er nog meer onthullingen te verwachten? Reich- Ranicki: 'Dat moet u vragen aan hen die als gekken materiaal tegen me verzamelen en daar zelfs de hele aarde voor rondvliegen.’
IN HET LINKSE weekblad Die Woche neemt de joodse journalist Henryk Broder het bijna wanhopig voor Reich-Ranicki op. Waarom heeft hij niet meteen de waarheid gesproken? Broder meent dat Reich-Ranicki als vervolgde door de nazi’s reden heeft niet te veel over het verleden na te denken, aangezien dat steeds de vraag oproept: waarom heb ik het overleefd en de anderen niet? Het moet Reich-Ranicki veel genoegen hebben gedaan dat nu juist hij de Duitsers kon vertellen wat Duitse literatuur is. Elke kritiek van hem was een oorlogsverklaring aan de Duitse massa’s en de Duitse elite tegelijk. Broder schrijft: 'Marcel Reich-Ranicki ging zichzelf uit de weg, en misschien was dat de enige mogelijkheid voor hem om met de verschrikkingen van de jaren 1938 tot 1959 te leven.’
Broders verdediging is emotioneel en welsprekend. Maar niet overtuigend. Hoe verschrikkelijk iemands ervaringen ook, dat kan geen reden zijn om minder verschrikkelijke ervaringen te verzwijgen. In de uitgebreide televisie-interviews van Joachim Fest uit 1982 had hij de gelegenheid de waarheid te vertellen. En waarom benadrukt Reich-Ranicki toch steeds dat hij nergens spijt van hoeft te hebben? Is het niet juist van belang na te gaan hoe ook intelligente en goedwillende mensen in de fout kunnen gaan?
In de Berlijnse Tageszeitung schrijft Thomas Pampuch dat er misschien maar een manier is om iets positiefs uit deze affaire over te houden. Er zijn in Duitsland niet zoveel mensen die uit de eerste hand kunnen vertellen over de opwindende en donkere tijden van het stalinisme van na de Tweede Wereldoorlog, van alle verwarringen en vergissingen uit die tijd, de persoonlijke en politieke verwoestingen en misdaden. Daarom is het zo verschrikkelijk belangrijk de waarheid te vertellen. Niet opdat Duitsers zich vrolijk kunnen maken om de pekelzonden van een joodse kunstpaus in z'n jonge jaren, maar om te kunnen leren van wat er met mensen gebeurt in moeilijke omstandigheden, in de grote en kleine verschrikkingen van de Europese geschiedenis.