Ver van huis

Washington als locus horribilus

Edward P. Jones
Ver van huis
Vertaald door Gerda Baardman, Wim Scherpenisse en Tjadine Stheeman, Querido, 419 blz., € 22,95

Blueszangeres Bessie Smith zong al in Going to the Terr’tor over het land van de vrijheid in het Noorden: Harlem, New York, hoopvolle reisbestemming van de zwarte Amerikaan die het slavenbestaan in het Diepe Zuiden achter zich dacht te laten. Harlem lag overal en nergens, het was een utopische plaats vol vooruitgangswaan, een tocht vanuit de systematische discriminatie naar een schoksgewijze, nog immer halfslachtige emancipatie. Maar een verwachtingsvolle plek kan ook een noodlot worden.

In Ralph Ellisons klassieke roman Invisible Man (1952) groeit Harlem uit tot een stedelijk darmenstelsel, een labyrint waarin de zuidelijke zwarte vervreemd raakt van zijn geboorteland en verdwaalt in een politieke jungle. In de vertellingen van John Edgar Wideman zijn Pittsburgh en Philadelphia de opwekkende en rampzalige eindstations. Voor Edward P. Jones is Washington DC de stad die zowel winst als verlies oplevert. Aan het slot van zijn roman The Known World (2004) beschrijft een man in een brief aan zijn tweelingzus een wandversiering die veel meer voorstelt dan een landkaart van een streek in Virginia. De kaart geeft het leven zelf weer, ‘gemaakt met alle soorten kunst die de mens zelf ooit heeft bedacht om zichzelf af te beelden. Ja, klei. Ja, verf. Ja, stof. Er staan geen mensen op deze “kaart” maar wel alle huizen, stallen, wegen, begraafplaatsen en putten (…).’ De wandkaart weerspiegelt alles wat God ziet wanneer hij van boven neerkijkt op Virginia.

Bij Edward Jones is God een alwetende verteller die net zo gemakkelijk terugschakelt naar de slaventijd als generaties vooruitsnelt en trefzeker voorspelt wie wanneer doodgaat en wie overleeft, wie getuige is van een wonder of nog verder van huis raakt, waarom de duivel in een supermarkt een ontvankelijke vrouw wil inpalmen en hoe een pas gepensioneerde man worstelt met zijn al lang verjaarde overspeligheid. Jones’ verhalenbundel All Aunt Hagar’s Children (treffend vertaald naar de slotwoorden van het laatste verhaal als Ver van huis) speelt zich af in de hele twintigste eeuw in Washington-Noord. De straten van het sjieke Georgetown of Massachusetts Avenue zijn ver weg bij Jones, oftewel die straten waar de gemeente elk gat in het wegdek meteen repareert ‘omdat de senatoren en Congresleden constant door die straat naar Capitol Hill reden’. Washington is de stad waar men, volgens de ouderen in South Carolina, de borden na het eten weggooit omdat nieuwe kopen goedkoper is. Washington is de stad waarin Jones’ personages de hel meemaken (ontheemding, armoede, bedrog, drank, drugs, familieruzies, gekte, diefstal, abortus, misdaad, moord en doodslag) én waarin de nazaten van de slaven een welvarend bestaan opbouwen. Het verschil tussen Washington en New York, Chicago en Philadelphia is ‘dat de stad niet zo hoog en gebiedend naar de hemel reikte…’ Washington is de stad in Ver van huis waarin alle ellende die Jones’ personages kan overkomen al is gebeurd.

Als een goed leven bestaat uit ‘een schittering in Gods oog’, zoals het openingsverhaal heet, kunnen hemel en hel, de bijbel, het wonder en de duivel niet ver weg meer zijn. Jones vergelijkt de exodus van het Zuiden naar het Noorden met Mozes’ kreet ‘Laat mijn volk gaan’. De Potomac en de zijrivier Anacostia fungeren als een alternatieve Rode Zee, maar ook de duivel steekt de rivier over. Methusalem, Hagar, Noah, Ruth zijn de namen die Jones wat al te nadrukkelijk aan zijn personages geeft. Ook het wonderbaarlijke over water lopen, in Jones’ geval de Atlantische Oceaan, beschrijft hij alsof het de dagelijkse gang van zaken is. Dat is meteen de kracht van Jones’ verhalen. Het nuchtere en surrealistische, het doodgewone en ongekende verweeft hij onbekommerd en zonder er moeilijk over te doen. Het is zoals het is: iemand wordt met blindheid geslagen, terwijl een ander steeds aan de man met de zeis ontkomt. Of er licht is aan het einde van de tunnel – niet toevallig ook de naam van een hulporganisatie voor ex-gedetineerden – staat te bezien.

Jones’ verhalen zijn aangenaam onvoorspelbaar, ook zonder heksen, voodoo of medicijnvrouwen. Kunnen alleen zondaars over zonden vertellen? Het lijkt er verdacht veel op in Ver van huis, een bundel met stuk voor stuk zeer gedetailleerde, moeiteloos door de tijd springende vertellingen, die misschien zijn samen te vatten in dit citaat: ‘Ondanks alles wat jou is overkomen, ben je uiteindelijk niet beter dan ieder ander, gestudeerd of niet, die moet vechten om het hoofd boven water te houden. We hebben wensen, we maken ons kwaad, we begeren, we falen, we slagen. We staan in een oeroude traditie. Hebben ze je dat nooit geleerd?’

Het zijn vooral Jones’ verhalen waarin vrouwen de hoofdrol spelen die het hardst aankomen en ‘leerzaam’ blijken. Het slotverhaal Weefdraden – over een pasgetrouwde vrouw die met haar man per trein vanuit Mississippi naar Washington reist en terug wil omdat ze beseft dat haar huwelijk al mislukt is – is het beste voorbeeld.