Wasmiddelenverkoper

‘Ik ben niks en ik kan niks’, laat Opzij minister Sorgdrager deze maand op de cover zeggen. Maar voordat dat er stond, moest het opinieblad voor dames eerst een onfrisse partij touwtrekken met Dig Istha, interim- voorlichter bij Justitie. Een nieuw dieptepunt in de almaar verslechterende relatie tussen journalisten en voorlichters
WAT IS DE OVEREENKOMST tussen een vlieg en een politicus? Beiden kunnen door een krant worden doodgeslagen.
In de tijd dat Dig Istha nog voorlichter van de PvdA was, vertelde hij dit raadseltje graag tijdens mediatrainingen. Het zijn twee zinnen met twee fikse inschattingsfouten. Want het mag toch een onderschatting van de doorsnee politicus heten om die met een vlieg te vergelijken, en een schromelijke overschatting van de macht van de media om die als dodelijk te typeren.

In zijn ijver om zijn nieuwe werkgever, minister Winnie Sorgdrager, voor de ondergang te behoeden, heeft rasvoorlichter Istha zich nu lelijk vergaloppeerd. Vorige week liet hij, op zijn eerste dag als interim-directeur voorlichting van het ministerie van Justitie, een dreigende fax uitgaan naar Opzij: het interview dat dit feministische maandblad met Sorgdrager had gehad, kon niet door de beugel. Sorry, maar de minister had zich bedacht. Opzij had maar af te zien van publikatie. Hoogachtend, Dig Istha.
Ten burele van Opzij viel men bijkans van haar stoel. Men had al een zware onderhandelingsronde achter de rug met Sorgdrager en justitie-voorlichtster Elisabeth Rensman. Opzij was erin geslaagd het eerste ‘echte’ persoonlijke interview met Sorgdrager te krijgen, waarin deze geen geheim maakte van haar zieleroerselen. Interviewster Elisabeth Lockhorn wist na drie gesprekken van elk anderhalf uur zeer veel van de jeugd, de ouders en de twijfels van de minister van Justitie. Te veel, vond die bij nader inzien. Geschrokken van haar eigen openhartigheid schrapte Sorgdrager hele lappen tekst uit het ter autorisatie toegezonden eindresultaat. Lockhorn protesteerde en wist een compromis te bereiken waarin beide partijen zich konden vinden: een interview dat niet meer erg onthullend, maar toch nog vrij persoonlijk is.
Maar toen verscheen Istha ten tonele. Hij moet zijn bureau nog aan het inrichten zijn geweest toen hij de tekst tegenkwam waarin 'zijn’ minister onder andere vertelt heel lang gedacht te hebben: 'Ik ben niks en ik kan niks.’ Dat kon natuurlijk niet, vond hij, een minister die zich zo blootgeeft, die haar onzekerheden, ja emoties toont! Onverwijld liet hij de oekaze uitgaan. Maar Opzij had de quote al op de cover staan.
Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys: 'Ik heb de telefoon gepakt en gevraagd wat hij liever wilde: een zwarte cover met de tekst: “Hier had een interview met Sorgdrager moeten staan dat u nooit mag lezen”, of een rechtszaak, want onze advocaten zaten al handenwrijvend klaar. Het werd een heel geschreeuw over en weer, en uiteindelijk is de tekst gebleven zoals overeengekomen met de minister. Zijn tussenkomst heeft ons dus zeer in de stress gegooid maar heeft niks uitgehaald. Ja, we hebben nog drie woorden toegegeven. Sorgdrager had gezegd: “Ik ben niet zo sportief, ben ik bang.” Istha wilde dat “ben ik bang” geschrapt hebben. Goed hoor, heb ik geroepen, dat mag eruit.’ Spottend: 'Ministers zijn natuurlijk niet bang.’
DE REACTIES UIT de journalistiek varieren van ongelovig-lacherig tot furieus. 'Dig Istha is een overtuigd wasmiddelenverkoper’, zegt adjunct-hoofdredacteur Jan Tromp van de Volkskrant. 'Hij heeft een schaamteloze zucht tot dirigeren. Als iets hem niet zint, dan is het jammer voor de journalistiek en ook voor de feiten. Maar hij maakt zich onsterfelijk belachelijk. Net terug in Den Haag en dan zo'n strapats. Geen enkele serieuze journalist zal hem nog willen raadplegen, want je weet dat je van hem altijd een witwassend antwoord zult krijgen.’
'Die man is een schandvlek’, roept Tromps collega Ben Haveman uit. 'Treurig dat een bewindsvrouwe zo'n type zijn gang laat gaan. Dat valt me van haar tegen. Maar ze kan het goedmaken door mij alsnog alles te vertellen wat niet in Opzij mocht.’
'Dit gaat wel heel ver’, vindt Algemeen Dagblad-coryfee Pierre Huyskens. 'Zo'n voorlichter die op de stoel van de minister gaat zitten en haar vertelt hoe ze er naar buiten toe moet uitzien - dat heb ik nog nooit meegemaakt.’
Veel journalisten vinden echter ook dat Opzij van begin af aan de poot stijf had moeten houden en niks had moeten schrappen. Maar, zegt Cisca Dresselhuys, 'Sorgdrager heeft een inkijkje in een zeer moeizame, kille jeugd gegeven en daar is ze van geschrokken; ze wilde dat er toch uit houden. Nou, daar valt met ons over te praten.’
Interviewster Lockhorn: 'Ik heb me misschien minder fel opgesteld dan ik had moeten doen, maar dat was ook uit deernis. Zo'n interview zie ik niet als een transactie waarna ik met de buit naar huis ren. Ik ben blij dat er zo'n goede vrouw op Justitie zit en ik voel er weinig voor om haar te tackelen. Maar die Istha heeft als een haantje staan trappelen op zijn eerste dag om te bewijzen dat hij een dapper baasje is. Sorgdrager heeft mij inmiddels opgebeld om te vertellen dat ze zeer ongelukkig met de hele gang van zaken is. Ik vermoed dat Istha buiten haar om heeft gehandeld.’
Nee, dat is niet zo, zegt Dig Istha: 'Het is volledig gebeurd op verzoek en met instemming van de minister.’ En hoe is het volgens hem verder gegaan? 'Ik wil er niet inhoudelijk op ingaan, dit zijn dingen die je snel moet vergeten. Maar het was niet een van de prettigste klusjes die ik in mijn voorlichtersvak heb moeten doen.’ In de versie die Istha stukje bij beetje toch laat doorschemeren, ligt de fout bij de afdeling voorlichting van Justitie ('Dat interview had nooit op zo'n empathische, indringende manier moeten plaatsvinden’), is hij degene geweest die ervoor heeft gezorgd dat 'ongeveer een derde van het interview’ is geschrapt, heeft hij Sorgdrager gered ('Dit is iets wat politici moeten leren’) en is Opzij de grote verliezer. 'Uit journalistiek en commercieel perspectief was het oorspronkelijke interview natuurlijk een stuk interessanter. Alleen voor mij, als behartiger van de belangen van mijn client, was het niet goed. Er waren dingen in dat verhaal die me absoluut niet bevielen en waarvan ik dacht dat ze negatieve gevolgen zouden hebben. Berichtgeving in de media kan uitermate bedreigend zijn voor iemands carriere - hoeveel mensen zijn er niet uitgegleden over een interview!’
Om dit gevaar in het vervolg nu zoveel mogelijk uit te bannen, heeft Istha de volgende stelregel bedacht: Interviews mogen niet langer dan drie kwartier duren. En dat, zegt hij, 'is eigenlijk nog te lang’.
'IK VIND DAT het de spuigaten begint uit te lopen’, zegt NRC-redacteur Frits Abrahams. 'Dit is een extreem voorbeeld van iets wat al langer speelt, namelijk dat voorlichters een steeds grotere greep proberen te krijgen op de nieuwsvoorziening. Niet alleen op de feiten, maar ook op interviews en reportages.’
Wie een telefoonronde onder journalisten houdt over hun ervaringen met voorlichters, hoort telkens weer: Het is erg, en het wordt steeds erger. En het allerergste is wel de Rijksvoorlichtingsdienst, aldus Haveman. 'Als het om het koningshuis gaat, krijgen ze daar al opvliegers voordat de telefoon gaat.’
De heersende opinie is dat de doorsnee voorlichter vooral een sta-in-de-weg is, een beroepsontkenner, een bootafhouder. Afspraken met een bewindspersoon kunnen doorgaans alleen via diens voorlichter worden gemaakt, die echter slecht bereikbaar, weinig behulpzaam en bazig is. Altijd moet de tekst voor publikatie worden voorgelegd ter autorisatie, ook als de geinterviewde zelf daar niet zo'n behoefte aan heeft. Dat laatste overkwam Herman Wigbold toen hij prins Claus interviewde voor het Vrije Volk. En Frits Abrahams onderhandelde twee uur met de voorlichter van kardinaal Simonis over wat hij wel en niet in zijn interview mocht opschrijven. Ben Haveman: 'Voorlichters zijn voor de journalist wat ijzel is voor de automobilist. Maar tegen de verraderlijkheid van ijzel kun je tenminste nog zand strooien, terwijl wij machteloos staan tegenover voorlichters die ons op grote schaal zand in de ogen strooien.’
Alleen al bij de Rijksoverheid zijn zo'n driehonderd ambtenaren aangesteld om het beleid uit te leggen, volk en media voor te lichten en bewindslieden te helpen zich te profileren. Maar veel voorlichters profileren ook zichzelf graag. Een interview met een meer of minder hoge hotemetoot vindt bijna altijd plaats in gezelschap van een voorlichter. Als een chef de protocol bewaakt die de gang van zaken en grijpt niet zelden in als het gesprek te interessant dreigt te worden. 'Anderhalf jaar geleden had ik een interview met minister Alders’, vertelt Frits Abrahams op sombere toon. 'Ik had twee uur de tijd gekregen van de voorlichter, die er ook bij zat. Onder die omstandigheden moet je dan allerlei wezenlijke en persoonlijke zaken zien te bespreken. Dat lukte dus niet. Ik vond het een slecht gesprek en ik heb tegen die voorlichter gezegd: sorry, ik schrijf het stuk niet. Die schrok daar van, want een pagina in de NRC vinden ze zeer de moeite waard, al willen ze er zo min mogelijk voor doen. Maar ik maak geen interviews meer die helemaal afgedekt worden door zo'n voorlichter die op de rem zit te trappen.’
'IK HERKEN ME helemaal niet in dat beeld’, zegt Han Mulder, oud-journalist en nu directeur Voorlichting bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 'Ik ben niet zo dichttimmerig. En ik heb ook nooit ruzie met journalisten, zeker niet met de goede. Problemen krijg je zogezegd niet met Ajax, wel soms met Telstar.’
O jawel, het klopt dat voorlichters vaak meer verhullen dan verhelderen, zegt Hans Hillen, oud-voorlichter en thans kamerlid voor het CDA. 'Journalisten hebben daar groot gelijk in. Voorlichters horen service te verlenen, maar zijn vaak kampioen afhouder. Die zitten bovenop hun principaal en op diens beleid. Voorlichters scheppen weleens op dat er zoveel veranderd is, maar ik vind dat nogal tegenvallen.’
Sterker nog, het wordt steeds erger, menen anderen. 'Ik vind dat het werkelijk alle grenzen heeft overschreden’, zegt Herman Wigbold. 'Ik heb weleens met nostalgie geschreven over de jaren na de oorlog. Toen werd er nog een heel debat gevoerd of er uberhaupt wel een Rijksvoorlichtingsdienst moest komen. Met als argument de slechte ervaringen met het propaganda-ministerie van Goebbels.’
'Ik heb van nabij het verschijnsel voorlichter zien groeien en bloeien’, zegt Jan Tromp. 'Het is steeds omvangrijker geworden en ze werden steeds minder behulpzaam, althans voor de journalistiek. Maar je moet er gewoon met een grote boog omheen lopen. Ik had nooit zoveel last van voorlichters, maar ook geen enkel profijt, de goede uitzonderingen daargelaten.’
Maar wat is dan een 'goede voorlichter’? Want die bestaat ook, benadrukken de meeste journalisten in hun litanieen. De goede voorlichter, zo schreef Dig Istha anderhalf jaar geleden in Trouw, is geen 'mannetjesmaker’ maar een 'mannetjesmakelaar’: 'Een makelaar tussen vraag en aanbod, tussen politiek en media. En als de politicus en de journalist met elkaar in contact zijn gekomen, dient de voorlichter zich gracieus terug te trekken.’ Met alle respect, maar in zijn jongste actie heeft hij niet erg naar die woorden gehandeld. 'Ach’, zegt hij nu, 'dat was een mooi ethisch verhaal en ik sta daar ook nog wel achter, maar in de praktijk kun je daar niet altijd naar leven. De belangen liggen anders: journalisten zijn in de news business en ik ben in de good news business.’
De goede voorlichter houdt zich dus ook bezig met pr? 'Ja natuurlijk’, zegt Ronald Florisson, directeur voorlichting van het ministerie van Financien, 'je wilt de boodschap van je organisatie zo goed mogelijk over het voetlicht krijgen.’ Nee, vindt Hans Hillen: 'Als het voorlichtersvak een marketinginstrument wordt van het beleid, zijn we op de verkeerde weg.’ En Eef Brouwers, directeur van de Philips-persdienst en toekomstig hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst, vindt het maar een vermoeiende vraag. Brouwers: 'Een kenmerk van de goede voorlichter of woordvoerder zou kunnen zijn dat hij weet wanneer hij waarover en hoe het woord wil voeren en dat hij niet alijd het hoogste woord voert.’ Maar, zegt Brouwers ook, 'ik ervaar de verhouding helemaal niet als moeizaam. Je hebt andere uitgangspunten dan de journalist, net als voetballende partijen. Tijdens die anderhalf uur probeert de een van de ander te winnen, maar daarna moet je toch een pilsje kunnen gaan drinken.’
Diplomatiek als ze beroepshalve zijn, laten de meeste voorlichters zich niet verleiden tot scheldpartijen op de tegenpartij, al klinkt meermalen de verzuchting dat veel journalisten wel erg dom en gemakzuchtig zijn. Maar de voorlichter en de journalist zijn nu eenmaal tot elkaar veroordeeld. Al is de journalistiek natuurlijk het mooiste beroep van de twee, verzekert WVS-voorlichter Han Mulder: 'Journalist is een vak, voorlichter is een betrekking.’
Maar er hangt onmiskenbaar verandering in de lucht. Frits Abrahams: 'Het wordt tijd dat journalisten zich gaan verzetten tegen de veel te grote bemoeienis van voorlichters. Al die lange interviews waar niks interessants in mag staan, zijn slecht voor de journalistiek. Ik denk dat we ons harder moeten opstellen en niet meer op alle voorwaarden moeten ingaan.’ En dat werkt, zo ondervond RTL-journalist Ton Elias. Onder het motto 'Het is hier de Sovjetunie niet’ weigerde hij in verkiezingstijd een gesprek met Van Mierlo voor te koken met diens voorlichter. Die werd voor de keus gesteld: een lege stoel, of een etalagepop erop, of Van Mierlo zelf erop, maar dan op de voorwaarden van Elias. En Van Mierlo kwam.
Overigens zijn er, de hemel zij geprezen, ook veranderingsgezinde voorlichters. Richard Florisson, directeur voorlichting bij Financien, bekritiseerde laatst in NRC het 'merkwaardige ritueel van het geautoriseerde interview’. Florisson: 'Als journalisten nu eens zouden weigeren alles nog ter autorisatie voor te leggen, vermoed ik dat het al gauw niet meer gebeurt.’