Het klimaatprobleem wordt opgelost

Wat als de zon niet schijnt?

Met wind en zon wekken we in 2050 voldoende elektriciteit op, stellen deskundigen optimistisch. Maar wat als het drie weken bewolkt is en het niet waait? Ook daarvoor zijn verschillende oplossingen. ‘Die energietransitie komt er wel.’

Veendam, 26 juni. Koning Willem- Alexander verricht de opening van de groene waterstofinstallatie Hystock © Kees van de Veen / HH

‘Ik heb er zelf eentje staan.’ Bert den Ouden wijst naar een televisiescherm aan de muur. Op het beeld zijn twee witte kastjes op een zolder te zien. ‘Het is de linker’, vertelt hij enthousiast, ‘eigenlijk maar een klein apparaat. De rechter is een ouderwetse ketel.’

Het hoofd Energie van adviesbureau Berenschot heeft thuis sinds kort een elektrische warmtepomp. Het apparaat verwarmt de woning door warmte aan de buitenlucht te onttrekken. De cv-ketel springt soms bij, op momenten dat het buiten te koud is of wanneer de douche aanstaat en er in korte tijd veel warm water nodig is. Zo heffen ze elkaars tekortkomingen op. De ketel helpt met de piekmomenten, de warmtepomp spaart op de andere momenten gas uit. ‘En hoeveel denk je?’ Een staafgrafiek verschijnt. Den Ouden lacht. ‘Zo’n tachtig procent.’

Het afgelopen najaar verliepen de onderhandelingen aan de klimaattafels over het algemeen moeizaam. De visies van overheid, bedrijfsleven en ngo’s lagen ver uit elkaar als het ging over het tempo van de veranderingen en vooral over wie er voor de kosten moet opdraaien. Positieve geluiden waren eigenlijk alleen te horen aan de elektriciteitstafel. ‘Die energietransitie komt er wel’, verzekerde voorzitter Kees Vendrik. ‘Desnoods plempen we de hele Noordzee vol met windmolens.’

Het hoofdstuk elektriciteit van het vorige week gepresenteerde Klimaatakkoord is dan ook ambitieus. In 2030 zal de elektriciteitssector 20,2 ton minder CO2 uitstoten, terwijl de productie van stroom moet toenemen door de elektrificatie van vervoer, industrie en woningbouw. In 2050 heeft Nederland een CO2-vrij elektriciteitssysteem. Volgens de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie betekenen de plannen dat er in de komende tien jaar zevenhonderd extra windmolens bijkomen op zee, vijfhonderd op land, en 75 miljoen extra zonnepanelen op land worden geplaatst.

Er is echter één grote maar: wat doen we als het niet waait en de zon niet schijnt? In Duitsland is er al een woord voor de momenten waarop zowel de windmolens als de zonnepanelen staan te niksen, de ‘Dunkelflaute’, een samentrekking van de Duitse woorden voor windstilte en duisternis. Deze weergesteldheid duurt meestal maar enkele uren of dagen, maar soms ook drie weken.

Vooral in de winter wordt het spannend, wanneer de vraag het grootst is, en het aanbod het kleinst. Den Ouden van Berenschot schat dat er rond 2030 per winter vijf tot tien momenten zullen zijn waarop de energievraag groter is dan het aanbod duurzame energie. ‘Tegen die tijd is dat nog niet erg’, licht hij toe, ‘dan draaien er nog gascentrales die kunnen inspringen en kunnen we aanbod garanderen met import. In 2050, wanneer we geen CO2-emmissie meer willen, is het een heel ander verhaal.’

Berenschot ontwikkelde drie transitiescenario’s waarmee de doelstellingen voor 2050 kunnen worden gehaald. In het eerste staat elektriciteit centraal. Energie wordt zo veel mogelijk elektrisch gebruikt en aangeboden. Benzinetanks zijn vervangen door accu’s, gasketels door warmtepompen, en ook in de industrie zijn processen zo veel mogelijk geëlektrificeerd. ‘Dan betaal je de hoofdprijs’, vertelt Den Ouden, ‘zowel in termen van geld, door de extra elektriciteitsnetten die ervoor nodig zijn, als in piektekorten. Pieken die nu op het gasnetwerk zitten, vertaal je als het ware naar het elektriciteitsnetwerk.’

Een andere optie is wat dat betreft het tweede scenario, waarin naast elektrificatie ook energie in duurzame gasvorm gebruikt blijft worden, en bijvoorbeeld ‘blauwe waterstof’, waaruit de CO2 is verwijderd en wordt opgeslagen in oude Noordzee-gasvelden. Door het gebruik van deze energiedrager is het energiesysteem minder vatbaar voor tijdelijke tekorten, omdat de opwekking niet afhankelijk is van het weer. Wel klimaatneutraal, maar minder duurzaam, want er wordt nog steeds veel fossiele brandstof gebruikt.

In het derde scenario probeert Berenschot dit tot een minimum te beperken. Naast elektriciteit en groen biogas is er een grote rol weggelegd voor warmte. Een gemiddeld huishouden gebruikt tachtig procent van zijn energie voor verwarming. Het is niet ideaal om dat met elektriciteit of gas te doen als de industrie even verderop gratis warmte produceert. Met restwarmte, warmtenetten en warmteopslag kan een groot deel van de warmtevraag zonder conversie worden verholpen. ‘De grote kwestie is eigenlijk niet wat we met stroom doen, maar wat we met warmte doen.’

Het warmtescenario benadert wat Berenschot betreft het ideale scenario. Bijna zo fossielvrij als het elektrische scenario, en vrijwel zo goedkoop als het groene gasscenario. ‘Maar je ziet, het gaat om de mix’, concludeert Den Ouden, ‘dé technische oplossing bestaat niet.’

Daarom moet er een hybride systeem ontwikkeld worden, met verschillende manieren om energie op te slaan. Sommige daarvan staan nog in de kinderschoenen, andere zijn al in vol bedrijf. ‘We moeten vanaf nu meerdere wegen bewandelen, en dan gaat het zeker lukken’, stelt Den Ouden. ‘Een hybride systeem biedt de flexibiliteit om goedkoop om te gaan met periodes van Dunkelflaute.’ De belangrijkste opties met accu’s, warmteopslag, gas uit bioafval, stroom uit het buitenland en waterstof worden nu op verschillende plekken ontwikkeld. Samen vormen ze de oplossing.

Op 29 juni 2018 is het grootste Europese energieopslagsysteem in de Johan Cruijff ArenA in gebruik genomen © Jorrit Lousberg / Eaton

1. Accu’s bij Ajax

Vrooeeem. Henk van Raan houdt even stil wanneer de installatie achter hem luid inademt en het gesprek overstemt. Het klinkt alsof er een metro voorbijschiet. ‘Dat zijn de ventilatoren die de omvormers koelen’, roept hij over het kabaal heen. ‘Die schieten om de paar minuten aan, wanneer de netbeheerder tijdelijk stroom nodig heeft of juist kwijt moet.’ In de blauwverlichte kelder van de Johan Cruijff ArenA krijgen 148 afgeschreven autobatterijen van Nissan een tweede leven als energieopslag.

‘Het begon met een verzoek van wethouder Maarten van Poelgeest’, vertelt de Chief Innovation Officer van de Arena. ‘Negen jaar geleden had duurzaamheid nog een geitenwollensokkenimago. Hij vroeg of wij het fun konden maken.’ Samen met stichting Urgenda maakte Van Raan een plan om de Arena aan te pakken. Oude verlichting werd vervangen door ledlampen en op het dak kwamen zonnepanelen. Voor de resterende energievraag werd de opbrengst van een windmolen buiten de stad ingekocht. ‘Maar het voelde nog niet goed. Het deel dat we zelf met zonnepanelen opwekten, bedroeg maar tien procent van ons verbruik.’

De zon schijnt niet volgens het speelschema van de Eredivisie. Buiten de evenementen om produceren de zonnepanelen op het dak vaak meer dan het stadion verbruikt, terwijl er tijdens de wedstrijden juist een tekort is en energie ingekocht moet worden. Door de opgewekte stroom tijdelijk op te slaan en tijdens de evenementen beschikbaar te maken, kan de Arena die gebruiken als noodvoorziening en daarmee vervuilende dieselgeneratoren vervangen. Oude autobatterijen blijken daarvoor verrassend goed te werken en de geklimatiseerde omgeving van de Arena verlengt de levensduur met zo’n tien jaar.

De opslag is op dit moment nog niet voldoende om een heel evenement van energie te voorzien wanneer er uitval van het net is. Om dit wel voor elkaar te krijgen heeft Van Raan een ander idee. ‘Er komt een tsunami van elektrische auto’s aan. Tijdens de evenementen zal de garage van het stadion er vol mee staan. Allemaal floating energy.’ Met een laadpaal die twee kanten op werkt, wordt het mogelijk om de opgeslagen energie van geparkeerde auto’s te gebruiken. Honderd elektrische auto’s zijn al genoeg om vier uur lang het stadion draaiende te houden. ‘We kunnen bezoekers daarvoor gaan belonen. Denk aan korting op de entree, misschien een betere zitplaats in het stadion.’

‘De grote kwestie is eigenlijk niet wat we met stroom doen, maar wat we met warmte doen’

Toch zijn batterijen niet voor alle opslagproblemen de beste oplossing. Volgens Fokko Mulder, hoogleraar energieopslag en -conversie aan de TU Delft, moeten we verschil maken tussen een langetermijn- en een kortetermijncyclus waarbinnen energietekorten een rol spelen. Voor opslag van enkele seconden tot dagen zijn batterijen volgens Mulder erg geschikt, omdat er weinig energie bij de opslag verloren gaat, maar voor seizoensopslag zijn ze te duur. Stel, een batterij gaat dertig jaar mee. Als je die elke zomer oplaadt om in de winter te ontladen, heeft de batterij slechts dertig keer haar capaciteit aan energie kunnen leveren. ‘De prijs per opgeslagen energie wordt goedkoper naarmate je batterijen vaker gebruikt’, zegt Mulder. ‘Ze inzetten voor seizoensopslag is inefficiënt gebruik van materiaal.’

Over tijdelijke opslag in geparkeerde elektrische auto’s is Mulder terughoudend. ‘Het is de vraag of je dan niet langzaam de autoaccu kannibaliseert.’ De primaire functie van een autobatterij is voor de auto. Hoe vaker je die ontlaadt, hoe eerder die aan vervanging toe is.

Ecovat, een vorm van warmteopslag in de grond © Ecovat

2. Warm water in de grond

‘Over driekwart jaar is het af’, zegt Ruud van den Bosch. In Arnhem gaat zijn bedrijf Ecovat dit jaar aan het werk naast een zorgcentrum met vijfhonderd woningen. Ze bouwen aan een grote betonnen cilinder, 29 meter de grond in, dertig meter in doorsnee. De technisch verkoper glimlacht. ‘Simpel gezegd wordt het een vat vol water.’ >

Ecovat is een vorm van warmteopslag. Water van 95 graden wordt in het vat bewaard en kan later worden gebruikt om huizen mee te verwarmen of om te douchen. Om het te installeren wordt er een betonnen cilindervormige wand in de grond gestort. Het zand in deze cilinder graaft men vervolgens uit, waardoor het vat zich automatisch vult met opkomend grondwater. Tot slot wordt in de cilinder een geïsoleerd binnenvat geplaatst. Het vat in Arnhem is groot genoeg om de vijfhonderd woningen de hele winter warm te houden. Een fors project, maar eenmaal geplaatst gaan ze ten minste honderd jaar mee. ‘Het zijn betonnen bakken’, zegt Van den Bosch lachend, ‘en het Pantheon staat ook nog steeds.’

In het Klimaatakkoord staat de wens dat bij 750.000 woningen die in 2030 van het gas af zijn warmtenetten worden aangelegd. Dat betekent een verdriedubbeling ten opzichte van het huidige aantal aangesloten huizen. Het aanbod van warmte zal op verschillende manieren in die netten terechtkomen: via grote warmtepompen, met restwarmte uit de nabije industrie of uit zonnecollectoren die water verhitten. In het warmtescenario van Berenschot is de grootste rol weggelegd voor een vierde techniek, geothermie, waarmee diep gelegen aardwarmte omhoog wordt gepompt.

Van den Bosch voorziet met die toekomstige warmtevoorziening een probleem, want warmte kan, in tegenstelling tot gas en elektriciteit, niet zonder grote verliezen over lange afstanden worden verplaatst en dus niet worden ingekocht. Een huishouden dat daarom noodgedwongen zijn eigen warmte met een warmtepomp produceert, is sterk afhankelijk van de stroomprijs. Juist wanneer die hoog is, ’s nachts en in de winter, is er vraag naar warmte en draait de warmtepomp voor de hoofdprijs.

Met warmteopslag kan dat verholpen worden. ‘Het Ecovat is een buffer voor de hele winter’, legt Van den Bosch uit. In het kleinste model, goed voor vijfhonderd woningen, is er na zes maanden tijd nog negentig procent van de energie beschikbaar. Warmte kan daardoor opgewekt worden in de zomer, met zonnewarmte of duurzame elektriciteit, en gebruikt worden in de winter. Hoe groter het vat, hoe lager de verliezen en hoe goedkoper het vat wordt per aangesloten woning. ‘Dat is gewoon een rekensommetje.’

Maar de omvang van het vat is ook een groot nadeel. ‘Het zijn lange en weerbarstige trajecten met veel stakeholders’, zegt Van den Bosch. De gemeente, de projectontwikkelaar, omwonenden – en dan heeft het bedrijf ook nog met de aardbodem rekening te houden. De grond wordt onderzocht op vervuiling en zwerfkeien en als dat slecht uitpakt, wordt deze gesaneerd of opgebroken. In Den Haag is hij al drieënhalf jaar in gesprek over een Ecovat voor acht-honderd appartementen op een herontwikkeld industrieel gebied. ‘Dat geeft aan hoe complex het is.’

Van den Bosch verwacht dat er 5600 huizen in 2022 aangesloten zijn op een Ecovat-systeem. ‘We focussen nu eerst op nieuwbouwprojecten en bestaande warmtenetten’, zegt Van den Bosch. ‘Dat is het laaghangende fruit. Er zijn nog geen bewoners met een gasaansluiting, je hoeft er niet eindeloos bij te polderen. Eerst maar laten zien dat het kan, dan doen mensen vanzelf mee.’

Suiker Unie, Vierverlaten, Groningen © Tomasz Tomaszewski / VISUM / De Beeldunie

3. Gas uit suikerbieten

‘Je kunt het nog goed ruiken.’ Jeyte Timmerman raapt een brok geperste vezels van de grond en breekt die doormidden. Van dichtbij ruik je de oorsprong. ‘Bietenpulp’, vertelt de productieleider Green Energy. ‘Aangevuld met de bietenblaadjes en -puntjes die in de fabriek verwijderd worden.’

We staan in een van de opslagvakken naast de biomassavergistingsinstallatie in Hoogkerk. Honderd meter verderop, aan de overkant van het kanaal, bevindt zich de grote Suiker Unie-fabriek die veel Groningers alleen kennen van de weeïge geur die in het najaar over de stad trekt. Tussen september en februari wordt daar suiker gemaakt van de bietenoogst.

De pulp die overblijft nadat de suiker eruit is gehaald, verkoopt Suiker Unie als veevoer, maar op zondag kan de fabriek het restproduct niet kwijt. Dat deel werd vroeger gedroogd en geëxporteerd, omdat de pulp door strenge regelgeving niet langer dan 48 uur op het terrein mag zijn. ‘Een duur en inefficiënt proces’, weet Timmerman.

Tegenwoordig gebruikt Suiker Unie het bietenafval als biomassa om biogas van te maken. In vijf grote silo’s ligt de natte pulp te vergisten, zo ontstaat methaangas en CO2 en blijft er compost achter. 95 procent van de gebruikte biomassa komt uit de suikerfabriek zelf. Om de installatie gezond te houden, moet er soms gevarieerd worden, bijvoorbeeld met cacaodoppen of koffiedik. Timmerman lacht. ‘Jij leeft ook niet alleen op spaghetti.’

De helft van de vergistingsinstallatie staat er voor eigen gebruik. Tijdens de campagne vervangt het groene gas tot twintig procent van het aardgas. De tweede helft is aangesloten op het gasnet. Zo levert de fabriek gas voor zo’n vijf- tot zesduizend huishoudens, ongeveer twee keer zoveel als in het dorp waar de fabriek staat.

Het grote voordeel van waterstof is dat het prima gebruikt kan worden in ons huidige gasnetwerk

‘Ons doel is om zo veel mogelijk uit de suikerbiet te halen’, vertelt Timmerman. Daarom is de biet eerst grondstof voor suiker, daarna diervoeding, biomassa en uiteindelijk compost. Op elke plek in de keten kijkt het bedrijf welke toepassing de meeste waarde oplevert.

Volgens Jan Ros van het Planbureau voor de Leefomgeving is het ondenkbaar dat álle sectoren in 2050 zijn afgestapt van het gebruik van koolwaterstoffen zoals methaangas. In de luchtvaart, en waarschijnlijk ook de scheepvaart, zullen koolwaterstoffen als brandstof nodig blijven. En wellicht zal er ook vraag blijven vanuit de industrie, of vanuit huishoudens die hun verwarming nog niet hebben kunnen verduurzamen.

Naast vergisting zijn er verschillende andere technieken waarmee van biomassa koolwaterstoffen gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door de biomassa bij hoge temperatuur te ontleden. En mocht er biogas over zijn, dan kan het worden opgeslagen om tijdens donkere en windstille periodes als energiebron te dienen.

‘De tijd moet leren hoeveel er na de koolwaterstoftoepassingen nog over is’, zegt Ros. ‘Misschien wel niet genoeg om te verstoken.’ De hoeveelheid biomassa die er in de toekomst in Nederland zelf voor energie geproduceerd wordt, schat Ros op niet meer dan zo’n tien procent van de Nederlandse energievraag. Dat is alleen al voor de luchtvaart te weinig. Het is daarom waarschijnlijk dat Nederland moet importeren.

Eemshaven, booster-station waar gelijk-stroom uit Noorwegen omgezet wordt in wisselstroom © Peter Hilz / HH

4. Stroom uit Noorwegen

‘Ze zijn geland.’ Het licht in de fabriekshal gaat langzaam aan en onthult vier kolossale torens van gestapelde thyristors. Waterkoeling is er als een klimplant doorheen gekruld. De rest van de installatie doet met zijn dikke buizen en grote metalen bollen denken aan het Atomium in Brussel. In de serverruimte kijkt de Teammanager Maintenance & Preservation Joost Hulsbos zijn collega achter de monitors aan. ‘560 megawatt, vanuit de Noorse kant.’

Tussen de Eemshaven in Groningen en het Noorse Feda loopt sinds 2008 een elektriciteitskabel over de zeebodem. Het project is een samenwerking tussen TenneT en de Noorse netbeheerder Statnett. De kabel is in doorsnede niet veel groter dan een regenpijp, maar kan genoeg stroom ex- of importen om zo’n zevenhonderdduizend huishoudens van energie te voorzien.

Door de kabel loopt gelijkstroom. Dat is opmerkelijk, want het gehele Nederlandse net werkt op wisselstroom, maar voor transport over lange afstand geeft dat te veel verliezen. De thyristorhal is onderdeel van het converterstation waarmee de gelijkstroom wordt omgezet in wisselstroom. Hulsbos snijdt met vlakke hand horizontaal door de lucht. ‘Zie de gelijkstroom als een rechte lijn. De thyristors knippen die als het ware op in kleine stukjes en maken er een golf van.’ Door de noodzakelijke converterstations was het een flinke investering, in totaal zeshonderd miljoen euro.

Een rondje om het converterstation in de Eemshaven is een flinke wandeling, het complex is zo’n vier voetbalvelden groot. Vanaf de noordkant van de filterhal, waar ongewenste frequenties uit de wisselspanning worden verwijderd, zien we een tweede station. Het is de aanlanding van de vergelijkbare Cobra-kabel naar Denemarken die vorig jaar is aangelegd.

Ook naar Groot-Brittannië, Duitsland en België lopen verbindingen waarmee het Nederlandse net gekoppeld is aan dat van het buitenland. De capaciteit van die zogenaamde interconnectoren wil TenneT de komende drie jaar anderhalf keer vergroten. De verbindingen met Duitsland en België worden uitgebreid, en dit jaar wordt de nieuwe kabel naar Denemarken in werking gesteld.

Door de uitwisseling van energie worden landen minder vatbaar voor tijdelijke pieken of dalen. Het aanbod vult elkaar aan, want windstilte hier kan opgevangen worden met windkracht uit Duitsland of met de opbrengst van de waterkrachtcentrales in Noorwegen. Met de kabel naar Noorwegen maakt Nederland daarnaast gebruik van de stuwmeren die er als energieopslag fungeren. Ook binnenslands zullen zulke verbindingen nodig zijn. In Duitsland, waar Tennet de helft van het hoogspanningsnet beheert, legt het bedrijf een ondergrondse kabel aan van het noorden naar het zuiden van het land. Veel van de duurzame opwekking bevindt zich er op en rond de Noordzee, en de kabel moet helpen om die energie snel beschikbaar te maken voor de rest van het land.

5. Blauwe en groene waterstof

In de Rotterdamse deelgemeente Rosenburg hangen ze al, waterstofketels die gebruikmakend van de oude infrastructuur appartementen verwarmen. De waterstof wordt met zonne-energie geproduceerd en via een afzonderlijke leiding naar het ketelhuis van het appartementencomplex getransporteerd. Het is een eerste pilot.

Waterstof als energiedrager wordt een grote toekomst voorspeld. Visionairs zien al voor zich hoe tankers vanuit Noord-Afrika naar Rotterdam varen, vol met in de woestijn door zonnepanelen opgewekte waterstof. Het grote voordeel van waterstof is dat het prima gebruikt kan worden in ons huidige gasnetwerk. En vergeleken met accu’s is het een veel efficiëntere manier om elektriciteit op slaan.

Er zijn echter ook nadelen. Het belangrijkste nadeel is dat bij de overzetting van zonnestroom door middel van elektrolyse naar waterstof en van waterstof weer naar elektriciteit zestig procent van de energie verloren gaat. Groene waterstof gaat dus alleen werken als er een enorm overschot aan duurzame energie beschikbaar is, iets wat binnen afzienbare tijd nog niet het geval zal zijn. Experimenten met woningen, zoals in Rosenburg, zullen daarom beperkt blijven tot pilots. Uitbreiding vindt pas plaats wanneer zowel de elektrolysers als duurzame energie scherp in prijs dalen.

Anders is dat in de industrie. Daar zijn er vergevorderde plannen om grootschalig met zogenaamde blauwe waterstof aan de slag te gaan, gemaakt met aardgas. De ontstane CO2 wordt dan afgevangen en opgeslagen in lege gasvelden in de Noordzee. Deze blauwe waterstof moet een soort wegbereider worden voor de toepassing van de groene variant in de industrie. Tegelijkertijd is in het Klimaatakkoord vastgelegd dat deze investeringen de groei van groene waterstof niet mogen belemmeren. ‘Op de lange termijn biedt waterstof zeker mogelijkheden’, zegt Den Ouden van Berenschot. ‘Maar dan hebben we het wel over de periode na 2030.’

6. Kernenergie?

‘Tsja’, zegt Den Ouden, ‘we willen best onze berekeningen op kernenergie loslaten. Maar er is ons niet gevraagd om deze in de scenario’s op te nemen.’ Volgens de voorstanders is deze energievorm de oplossing voor de opwarming van de aarde. Kerncentrales stoten namelijk geen CO2 uit. Tegenstanders wijzen echter op de kans op grote ongelukken, het radioactieve afval dat tienduizenden jaren bewaard moet worden en de verspreiding van kernwapens onder het mom van energieproductie. Den Ouden wil graag buiten deze politieke discussie blijven. ‘Wij maken een economische analyse.’ En die maakt hij graag.

Toch waarschuwt de man van Berenschot wel dat we onszelf niet te snel rijk moeten rekenen. Zo is de kilowattuurprijs bij nieuwe kerncentrales, die bijvoorbeeld in Engeland gebouwd worden, een stuk hoger dan de prijs bij wind- en zonne-energie. Volgens deskundigen komt dat vooral door de veiligheidseisen. Zo kan de enige Nederlandse kerncentrale in Borssele de inslag van een Fokker Friendship weerstaan, terwijl de nieuwe centrales een aanslag met een veel grotere Boeing 747 zouden moeten overleven.

Maar er kleeft ook nog een economisch nadeel aan kernenergie, weet Den Ouden nu al. Kerncentrales staan uit of aan, en het opstarten duurt lang. Ze draaien dus volop, ook als er wel voldoende wind en zon is. Gas- en biogascentrales kunnen wel hard en zacht gezet worden, waardoor ze dus veel beter meebewegen met zon en wind. ‘Gascentrales met de afvang van CO2 vormen een duurzame, betrouwbare en relatief goedkope oplossing voor die Dunkelflaute’, concludeert Den Ouden dan ook.