De Cubacrisis in Thirteen Days

Wat als Kennedy…

Stond tijdens de Cubacrisis van 1962 de goede president van Amerika tegenover de slechte inlichtingendiensten en het leger? Of, zoals de film ‹Thirteen Days› zich afvraagt: was Kennedy nu een havik of een duif?

17 april was het veertig jaar geleden dat de Amerikaanse regering probeerde een invasie legertje aan land te zetten op Playa Girón in de Cubaanse Varkensbaai. Voor deze mislukte poging generen Amerikanen zich tot op de huidige dag hevig, des te meer nadat Fidel Castro onlangs liet zien hoe ze het hadden moeten aanpakken om de invasie wél te laten slagen.

Na de Varkensbaai werd Cuba in het geniep aangepakt. Tot 16 oktober 1962 de dertien dagen durende Cubacrisis uitbrak. Die herinneren veel Amerikanen zich als het moment dat ze op het nippertje aan een Derde Wereldoorlog zijn ontsnapt. Hun spionagevliegtuigen hadden Russische raketten op Cuba ontdekt. De jonge president John Fitzgerald Kennedy dreigde vervolgens zijn Russische collega Chroesjtsjov met een ultimatum, waarop de Russen bakzeil haalden en de wereld herademde. Behalve de Cubanen. Als gevolg van Kennedy’s crisispolitiek zuchten zij tot op de huidige dag onder een Amerikaanse blokkade. Over de «Cuban Missile Crisis» bestaat een hele bibliotheek, die vooral sterk is gegroeid na 1992, dertig jaar na dato, toen de officiële documenten beschikbaar begonnen te komen.

Een van de interessantere publicaties is The Kennedy Tapes: Inside the White House During the Cuban Missile Crisis (1997), geredigeerd door Ernest R. May en Philip Zelikow. Het gaat om uitgewerkte bandopnamen van Kennedy’s kabinetsvergaderingen tijdens de crisis. Ze zijn in 1968 in een embryonale versie verschenen als: Robert Kennedy, Thirteen Days: A Memoir of The Cuban Missile Crisis. Die Kennedy Tapes vormden de inspiratie voor een recente en boeiende film van regisseur Roger Donaldson die — toch weer — Thirteen Days heet.

Aanvankelijk voel je je in de bioscoop een beetje ongemakkelijk wanneer je die stoet vertrouwde historische figuren ziet defileren: de broers John en Robert Kennedy, echtgenote Jacky, politici Robert McNamara, Dean Rusk, Dean Acheson, Lyndon Johnson, noem maar op. Je kent hun koppen, zij het soms in een latere versie, en die vallen niet samen met die van de acteurs. Maar je went er spoedig aan, omdat het verhaal je aandacht vasthoudt. Bovendien komt, in tegenstelling tot de reeds genoemden, de hoofdpersoon van de film niet in ons visuele geheugen voor.

De held van Thirteen Days, gespeeld door Kevin Costner, is Kenneth O’Donnell, een van Kennedy’s adviseurs en als we de film moeten geloven de grijze eminentie zonder wie Amerika zich misschien in een Derde Wereldoorlog had gestort.

Over O’Donnell is niet veel bekend. Hij was een studiegenoot van Bobby Kennedy in Harvard en hielp John Kennedy sinds 1952. In 1962 was hij formeel de man die de agenda van de president in de gaten hield. Er is een aardige scène in de film waarin Kennedy onder een afspraak met de burgemeester van Chicago uit wil, de legendarische Richard Daley, waarop O’Donnell hem vraagt wie dat in hemelsnaam aan Daley durft te vertellen. In het volgende shot zien we Kennedy braaf zijn hypercorrupte partijgenoot in Chicago de hand schudden.

In de film is O’Donnell meer dan agendabewaker: politiek adviseur in alle kwesties, strategische, tactische en diplomatieke. Op de foto’s in The Kennedy Tapes is Kenneth O’Donnell één keer te zien tussen de groten aan de vergader tafel van de ministerraad. Pas op de zevende dag van de crisis voeren May & Zelikow hem voor het eerst in de tekst op — halverwege dus — maar ze nemen aan dat hij al bij eerdere vergaderingen aanwezig was. Die dag wordt O’Donnell niet sprekend opgevoerd, de volgende wel, maar dan zijn May & Zelikow er weer niet zeker van of hij het is die spreekt. Iets later kondigt de president aan dat «Ken» de pers gaat toespreken. Nog later lezen we een boeiende opmerking van nationale veiligheidsman Bundy. Volgens hem moet er een groep worden gevormd die zich structureel met de crisis bezighoudt en moet «Ken» hiervoor aan het eind van de dag een lijst met namen opgeven, een en ander in opdracht van Bobby Kennedy.

Ik denk dat scenarioschrijver David Self vooral deze opmerking als inspiratie heeft gebruikt voor zijn personage: een achtergrondfiguur, maar misschien belangrijker dan andere protagonisten het in hun herinneringen en beschouwingen deden voorkomen.

Maar hoe los je het probleem op dat O’Donnell niet uitgebreid bekend was en geen duidelijke rol speelt op de bandopnamen? Bij de debatten tussen de belangrijkste protagonisten voert Self zijn O’Donnell vooral op als een zwijgende waarnemer die in een hoek staat en gespannen volgt wat er wordt gezegd.

O’Donnells inhoudelijke bijdragen blijken in de film vooral in onderonsjes met de Kennedy’s of in situaties buiten het Witte Huis. Een onwaarschijnlijk verhaal is echter dat O’Donnell zich voordeed als de chauffeur van Bobby Kennedy, om zo tijdens cruciale onderhandelingen met de Russische ambassadeur aan de andere kant van de deur nationalistische wijsjes te kunnen fluiten ter ondersteuning.

Over O’Donnells opvattingen is evenmin veel bekend. Dat is een voordeel voor Self, want die kon zijn verbeelding laten werken. En omdat Kevin Costner een good guy speelt in een film die meer dan een decennium na het einde van de Koude Oorlog is gemaakt, kun je mathematisch nauwkeurig voorspellen welke opvattingen dit personage huldigt. Onderhandelen tot de laat ste snik. Zoeken naar een oplossing tot je erbij neer valt. Vrede ten koste van vrijwel alles. Geen riskant spierballengedoe.

Pikant is dat Costner als acteur door dezelfde Roger Donaldson in No Way Out (1987) al eens eerder in Washington is geregisseerd, maar dan in de rol van een genadeloze Russische spion die in de Amerikaanse marinetop was doorgedrongen. In deze spionagefilm voerde Donaldson dames op die seksuele betrekkingen onderhielden met getrouwde politici. Zo niet in Thirteen Days. Misschien dat de uitzonderlijke situatie van de Cubacrisis daarvoor geen gelegenheid bood, maar Donaldson suggereert dat Jack Kennedy voor en na de crisis evenmin naar hun gezelschap taalde.

Dames komen in de film, evenals in de tapes, nauwelijks voor. Jacky Kennedy flirt een beetje met de keurige huisvader O’Donnell. Diens echtgenote steunt hem in deze moeilijke dagen, waarin hij vrijwel nooit thuiskomt, door dik en dun. Kortom, geen negatieve figuur te bekennen in de entourage van de Kennedy’s: hardwerkende, toegewijde mensen allemaal. En erg godsdienstig: de film confronteert je met het feit dat in 1962 de gemiddelde Amerikaan nog meer dan tegenwoordig een kerkgaande familieman is.

Regisseur Donaldson toont Jack Kennedy als een verstandige president die het hoofd koel houdt en zoveel mogelijk betrouwbare data wil verzamelen om de meest verantwoorde politieke beslissing te nemen. Overigens laat de film wel zien hoe Bobby Kennedy op een bijna fatale manier de Amerikaanse ambassadeur in de Verenigde Naties, Adlai Stevenson, onderschat. Maar Donaldson suggereert dat Stevenson in het debat met zijn Russische collega in de VN boven zichzelf uitstijgt, terwijl in werkelijkheid Bobby Kennedy gewoon een hekel had aan deze voortreffelijke diplomaat omdat die niet meteen aan de verkiezingscampagne voor zijn broer had meegedaan.

De enige die Jack Kennedy in de film werkelijk vertrouwt, is zijn broer Bobby. Niemand komt tussen de broers, maar O’Donnell staat het dichtst bij hen, veel dichter bijvoorbeeld dan oude vrienden van de Kennedy’s of Lyndon Johnson. De rol van de vice-president is in de film dan ook kleiner gemaakt dan uit de tapes blijkt. Want de aandacht moet worden gefocust op de ware held van de film, de fictieve O’Donnell. Slim, snel en integer en emoties tonend. Eindelijk weer eens een behoorlijke rol van Kevin Costner, was de reactie in Amerika. Costner is zelfs een stuk beter dan in Oliver Stone’s JFK uit 1991, waarin hij de hoofdrol van aanklager Jim Garrison speelde, maar dat kwam ook door het nogal speculatieve karakter van die film. Spannender was het geweest als Stone zijn scenario niet op het speculatieve materiaal van Garrison zelf en anderen had gebaseerd, maar op de roman Libra (1988) van Don DeLillo. Die wijst niet in één richting, zoals Stone, maar laat zijn lezers de deprimerende conclusie trekken dat het raadsel rond Kennedy’s dood per definitie onoplosbaar is.

Los van die verschillen heeft een aanklager uit New Orleans nu eenmaal minder uitstraling dan een topadviseur uit New England. Om nog maar te zwijgen van het licht van de Kennedy’s waardoor O’Donnell nog meer allure krijgt. Het spiegeleffect is weer dat de uiterst bekwame O’Donnell zich een groot bewonderaar van de broers Kennedy betoont, waardoor Jack & Bobby bij de kijker bijna bovenmenselijke afmetingen krijgen.

De tegenstanders van dit bijna heilige trio zijn te vinden in het leger en bij de CIA. Donaldson laat ze net niet «nuke the bastards» schreeuwen, maar de kijker verwacht niets anders. Dat het zo zwart-wit lag — de Kennedy’s en hun entourage als duiven tegenover de haviken in leger, geheime dienst en oppositie — is overigens nog steeds niet honderd procent uit het archiefmateriaal op de maken.

Na de mislukte invasie van Cuba bij de Varkensbaai waren de Amerikaanse geheime diensten voortdurend bezig met plannen om Castro uit te schakelen en een volksopstand op het eiland te ontketenen. In The Nation van 26 maart 2001 schrijven David Corn en Gus Russo dat de gebroeders Kennedy daar hoogstwaarschijnlijk van op de hoogte waren en dat bij het complot waarschijnlijk ook de weduwe van Ernest Hemingway en het Hemingway Museum op Cuba waren betrokken. Deze Operation Mongoose wordt in Oliver Stone’s JFK nog behandeld als een actie van de CIA waar de president niets van mocht weten. Want Stone is ook heel braaf over de Kennedy’s. In de ogen van zijn Garrison waren de broers vredesapostelen die door een complot van de Texaanse wapenindustrie, het Pentagon en de CIA waren vermoord, om plaats te maken voor Lyndon Johnson, en later Richard Nixon, die enthousiast de oorlog in Vietnam ter hand namen.

Die filmische simplificaties van de goede Kennedy’s versus de slechte inlichtingendiensten en het leger doen onmiddellijk denken aan een film die een paar jaar na de Cubacrisis uitkwam: Dr. Strangelove, or How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb van Stanley Kubrick. Deze film is gebaseerd op Peter George’s roman Red Alert, waarvoor de auteur zich expliciet heeft laten inspireren door de Cubacrisis. George schreef ook samen met Kubrick en Terry Southern aan het script.

Gezien de situatie vlak na de crisis zelf is Dr. Strangelove heel leuk: wat zou er zijn gebeurd als diabolische militairen erin geslaagd waren om toch één atoombom in Rusland te laten ontploffen? De Amerikaanse president is een oen en zijn belangrijkste adviseur is Doktor Merkwürdigeliebe, die na de nederlaag is overgelopen van Hitler naar de Amerikanen (beide personages gespeeld door de toen erg populaire Peter Sellers).

Je vraagt je af wat anno 2001 een regisseur vanuit eenzelfde attitude met het materiaal van de Cubacrisis zou kunnen doen? We leven immers in het tijdperk waarin de games als nieuw medium een steeds grotere rol gaan spelen?

Ik heb zelf een voorkeur voor films waarin niet stereotiep de militairen als blinde bloeddorstige monsters fungeren, maar waarin juist politici nietsontziend gebruik maken van de (nieuwe) media. Wag the Dog (1997), waarin de spindoctors van de president een virtuele oorlog in de Balkan creëren, Michael Moore’s Canadian Bacon (1995), waarin de doctors volgens een even absurde als mathematische logica vaststellen dat Canada de grootste bedreiging vormt voor Amerika en daarom de oorlog dient te worden verklaard. Of Primary Colors (1998), waarin een clintoniaanse presidentskandidaat met de Republikeinse spindoctors wordt geconfronteerd. Doel van de spindoctors in deze films is altijd de media te overtuigen van hun visie op de werkelijkheid.

Veel van deze films zijn niet bedacht door regisseurs of producers, maar door romanschrijvers. Er is een recente roman die met de Cubacrisis te maken heeft en nog niet is verfilmd: Resurrection Day van Brendan DuBois (1999, de Nederlandse vertaling bij uitgeverij Meulenhoff heet helaas Vuur uit de hemel). Net zoals Stone een overtuigender film van Libra had gemaakt dan JFK is geworden, zou Donaldsons visie op de Cubacrisis beter uit de verf zijn gekomen via de roman van DuBois dan via het huidige scenario voor Thirteen Days.

Resurrection Day is een thriller volgens het al genoemde «What if?»-principe. Een beetje als Harry Mulisch’ Siegfried. Wat als Hitler een kind zou hebben gehad bij Eva Braun? Of eerder nog Mulisch’ «ongeschreven» roman De toekomst van gisteren of Robert Harris’ Fatherland (1992). Wat als Hitler de oorlog had gewonnen?

In Fatherland brengt president Kennedy in april 1964 een staatsiebezoek aan de 75-jarige Hitler. Maar in Harris’ roman gaat het om de even oude Joseph Kennedy. Salman Rushdie laat in The Ground Beneath Her Feet (1999) John Kennedy ontsnappen aan de aanslag van 1963 en twee jaar later alsnog een Amerikaanse president aan moordenaarshanden sterven. Dan heet de president echter Robert Kennedy, en bij die gelegenheid laat zijn voorganger John eveneens het leven.

Dit type teksten wordt vaak gelezen als sciencefiction die een alternatieve geschiedenis vertelt, maar eigenlijk gaan ze over iets anders. Ze geven een visie op een werkelijke gebeurtenis, zo ook Resurrection Day.

Brendan DuBois vertelt in zijn roman wat er zou zijn gebeurd als de Cubacrisis in 1962 uit de hand was gelopen en er wel een Derde Wereldoorlog was uitgebroken. Wat als Kennedy uit rancune over de mislukte invasie in de Varkensbaai destijds Cuba had gebombardeerd? De Russen zouden hebben gereageerd met een bombardement dat de steden Washington, New York, San Diego en Miami, plus een serie militaire bases van de kaart blies. Miljoenen doden en gewonden, miljoenen zieken door de straling, miljoenen daklozen, massale armoede waren het gevolg. De binnensteden worden geteisterd door gangs van weeskinderen en ook na tien jaar moet Mexico zijn grens nog intensief bewaken tegen het gevaar van berooide Amerikaanse vluchtelingen.

Dat de Amerikanen het er in tegenstelling tot de Russen in 1962 relatief goed vanaf brachten, dankten zij aan luchtmachtgeneraal Curtis, die snel een wapenstilstand sloot met de Iwan. Hij is degene die sindsdien aan de touwtjes trekt, niet de president. Want Amerika is niet alleen in economisch opzicht gedegenereerd.

Er zijn weer presidentsverkiezingen in 1972, het jaar dat Resurrection Day speelt. De Democraat McGovern neemt het op tegen de Republikein Nelson Rockefeller. Die zal onge twi j feld winnen, want de Democraten zijn impopulair na het oorlogszuchtige optreden van Kennedy en Rockefeller geniet bovendien de steun van Curtis. En van de media, die zich (vrijwillig en vooraf) laten censureren. In Fort Leavenworth zitten naast voormalige aanhangers van Kennedy ook journalisten als Walter Cronkite gevan gen.

Een journalist ontdekt een complot waarmee Curtis een hele serie voormalige adviseurs van de Kennedy-regering heeft laten vermoorden. En verdomd, ook Kenneth O’Donnell zit daarbij: «Quentin Dooley» is een wel heel duidelijke vermomming.

Onze journalist weet uiteindelijk de geheime White House Papers uit oktober 1962 te publiceren. Daaruit blijkt ondubbelzinnig dat Jack Kennedy en zijn regering overruled werden door generaal Curtis, die eigenhandig begon met bombarderen. Zie je wel, dan was Kennedy toch een duif.

Of die kwalificatie nu juist is of niet, in Resurrection Day maakt DuBois een speltheoretische exercitie over de vermoedens die de makers van Thirteen Days alleen maar voorzichtig konden uiten, belemmerd als ze waren door de realiteit.