Over de dichter met het beroemdste sterfbed

Wat balkt de ezel?

Over de laatste gesproken en geschreven woorden van Heinrich Heine.

Laten we er maar van uitgaan dat Heine, zoals de meeste stervenden, gewoon niks heeft gezegd.

(Uit: Heine en Holland, Ambo, 1997)

Wat balkt Heines ezel? Oftewel, wat waren Heines laatste woorden? De overlevering beweert: «God zal me vergeven, dat is zijn vak.» Martin van Amerongen gaat er in Heine en Holland van uit dat Heinrich Heine «gewoon niks heeft gezegd». In hetzelfde boekje herinnert Van Amerongen eraan dat de classicus J.P. Guépin Heine bestempelde als de Duitse Piet Paaltjens. Dat is inderdaad niet terecht. Geen kwaad woord over Paaltjens, maar Heine is waarachtig van een andere orde. Paaltjens is in onze literatuur de dichter met de meest verrukkelijke levensgeschiedenis. Die was dan ook een verzinsel. De dichter Heine komt onder veel meer de eer toe van het allerellendigste maar sterkst gedragen sterfbed uit de wereldliteratuur: acht jaar lang halfblind creperen van de pijn. De andere, hogere orde van Heines poëzie wordt alleen al bewezen door het vele werk dat hij vanuit zijn matrassengraf («ik sterf zo traag dat het bijna even saai voor mij wordt als voor mijn vrienden») de wereld in zond. Daaronder zijn laatste aangrijpende, maar ook hilarische dichtbundel Romanzero (dertigduizend verkochte exemplaren in vier maanden na de publicatie in 1851) waarin hij de lezers een weerzien in het hiernamaals belooft.

Wat waren Heines laatste woorden? Ze zijn er sowieso geweest, of ze nu twee seconden of twee maanden voor de laatste zucht werden geschreeuwd dan wel gestameld. Maar de vraag zelf past de dichter misschien niet. Heine bleef tot kort voor zijn dood gedichten maken (wat meestal dicteren inhield, zijn lichaam was een «spiritueel skelet» geworden) en dus zijn er ook laatste woorden poëzie. Alleen een groot dichter kan, zeker in creperende staat, een laatste gedicht schrijven van een grootheid als Es träumte mir von einer Sommernacht. Het zijn indrukwekkende en complexe laatste woorden, de 35 strofen (in jambische vijfvoeters) van zijn droomgedicht. Het slotakkoord ervan behoort tot het mooist denkbare voor een stervende: « — und ich erwachte». Wat de dichter doet ontwaken is — het luide gebalk van een ezel.

Mit diesem I-a, I-a, dem Gewiehr,

Dem schluchzend ekelhaften Mißlaut, brachte

Mich zur Verzweiflung schier das dumme Tier,

Ich selbst zuletzt schrie auf — und ich erwachte.

Voor het zo ver is heeft Heine ons in zijn laatste woorden door ruïnes en langs wandsculpturen geleid die een marmeren graf omgeven. In de beschrijving ervan somt hij de joodse, Helleense en christelijke cultuur op: Paris en Helena naast Esther en Judith, Proserpine en Priapus naast Lot en de ezel van Bileam, de hel naast Petrus met de hemelsleutel, Hercules «in Frauentracht» naast de jonge Jezus in discussie met de orthodoxen. Dan is er aan het hoofd van het graf (waarin de dichter de dode als zichzelf herkent) de passiebloem die geleidelijk metamorfoseert in een vrouwenfiguur: «Und das ist SIE — die Liebste». Met die geliefde voert hij een geluidloos tweegesprek, waarover de dichter niets wil prijsgeven. Dat stille gebabbel brengt de dode in een zalige staat, tot plotseling de religieuze en mythische figuren op de sculpturen het woest op een schelden zetten: «Der Schreckensruf des wilden Waldgotts Pan/ Wetteifernd wild mit Mosis Anathemen!» Daarop volgt deze fascinerende strofe:

Oh, dieser Streit wird enden nimmermehr.

Stets wird die Wahrheit hadern mit dem Schönen,

Stets wird geschieden sein der Menschheit Heer

In zwei Partein: Barbaren und Hellenen.

En voor de lezer kan denken: hoe nu? — is Christus een barbaarse waarheid, is Hercules in travestie schoonheid of is Mozes dat? — zet de ezel het luid op een balken en overstemt de goden en heiligen. Maar wat voor ezel! Dit is the trickiest part. De wanklanken komen van de ezel van Bileam, dezelfde die in de bijbel, Numeri 22:22, opduikt als ezelin en daar de Engel des Heren met getrokken zwaard op het pad ziet staan en die de ziener Bileam naar Balak, koning van Moab zal brengen om Israël te vervloeken. Bent u daar nog? Dankzij de ezel wordt dat in Numeri 23 alsnog een zegening. De ezel blijkt de ware ziener.

Ik heb uw hulp hard nodig. Wat betekent, in dit droomgedicht, het ontwaken van de dichter die droomt dat hij dood is? Wat balkt de ezel? I-a I-a, meer niet? Is het dier een barbaar? Een travestie? Wat willen kortom Heines laatste woorden zeggen? Leest u het op uw gemak na en laat het mij weten als u Heine goed heeft verstaan. Hij is het helemaal waard.